27. De ziel of de geest des mensen, waardoor hij verstand en zelfbewustzijn bezit (
Genesis 2:7.
Mattheus 6:22), is ene lamp des HEEREN, 1) die Hij zelf heeft aangestoken, en die licht en kracht uit Gods eigen Geest in zich draagt, vervullende en doorzoekende al de binnenkameren des buiks, van het inwendige, niet alleen, maar die ook alle ledematen en delen, zelfs de verborgenste des mensen doordringt, bezielt, beheerst en bestuurt.
1) Erken den adeldom van den menselijken geest, deze lamp des Heeren. Hoed u daarom voor alle ingebeelde wijsheid en verachting van uwe naasten. Doe veeleer het genadelicht van God op alle krachten uwer ziel zijnen invloed uitoefenen, opdat, wanneer uw verstand behoorlijk verlicht is, ook uw wil tot het goede geneigd worde.
Hier wordt de grootheid, voortreflijkheid en hoge waardigheid van `s mensen ziel vertoond, als de luister van dat licht, welke een iegelijk mens, komende in de wereld, verlicht. Want zij is eerst een Goddelijk licht, een lamp, door Hem zelven aangestoken, want de aanblazing des Almachtigen deelt het verstand mede en Hij zelf heeft `s mensen geest binnen in hem geformeerd; want de mens is naar Gods beeld in kennis geschapen. Het geweten, die edele hoedanigheid is Gods afgezant in de ziele, en is als een kaars of lamp, niet alleen door, maar ook voor hem aangestoken. De Vader der geesten wordt derhalve ook de Vader der lichten geheten. Ten andere is de ziel een ontdekkend licht, want door het behulp der rede leren wij den mens kennen, over hun beweegredenen oordelen en in hun oogmerken indringen, en met den bijstand van het geweten geraken wij tot de kennis van ons zelven. `s Mensen geest heeft een zelfbewustheid (1 Corinthiërs 1:11), waardoor zij gesteldheden en neigingen der ziele onderzoekt, het goede prijst, het kwade veroordeelt, en ook de gedachten en oogmerken des harten wel weet te oordelen. Dit is het ambt en het vermogen van het geweten, hetwelk wij derhalve behoorlijk moeten onderzoeken en vrij houden van alle ergernis en kwaad..
Hier wordt in den grondtekst niet het gewone woord voor ziele gebruikt, maar een ander dat gebruikt wordt om den zelf bewusten, den persoon vormenden geest des mensen aan te geven, als het onmiddellijk van God ingeblazen beginsel des levens. Het is daarom dat ook de Apostel Paulus (1 Corinthiërs 2:11) zegt: Want wie van den mens weet, hetgeen des mensen is, dan de geest des mensen, die in hem is? Daarom wordt dan ook hier de ziele een lamp des Heeren genoemd, omdat zij als van God onmiddellijk ingeschapen, onderzoekt en doordringt tot de geheime hoeken van het binnenste van den mens, en de verborgen gedachten en raadslagen zoekt te beheersen. Gelijk de lamp of een licht heerst over wat in het verborgen schuilt, zo ook de ziele, zo ook de persoon vormende geest van den mens.