Spreuken 1:1-6
Wij hebben hier een inleiding tot dit boek, die, naar sommigen denken, door Ezra, de verzamelaar en uitgever ervan, er aan toegevoegd is, doch men onderstelt veeleer dat zij door Salomo zelf geschreven is, die aan het begin van zijn boek het doel aanduidt, waartoe hij het geschreven heeft, ten einde zich aan zijn werk te blijven houden en dat doel te bleven najagen. Hier wordt ons gezegd:
I. Wie deze wijze gezegden heeft geschreven vers 1, het zijn de spreuken van Salomo.
1. Zijn naam betekent vreedzaam, en de aard van zijn geest en van zijn regering beantwoordde hieraan, beide waren vreedzaam. David, wiens leven vol was van benauwdheid en beproeving, schreef een boek van handelingen van de Godsvrucht, van gebed, want: Is iemand in lijden? Dat hij bidde. Salomo, die een rustig leven leidde, schreef een boek van onderricht, want toen de gemeenten vrede hadden werden zij gesticht. In tijden van vrede moeten wij zelf leren en aan anderen leren, hetgeen in tijden van beroering door ons in beoefening moet worden gebracht.
2. Hij was de zoon van David, het was zijn eer om in betrekking van bloedverwantschap te zijn tot die Godvruchtige man, en hij heeft dit met goede reden aldus beschouwd, want hij is er te beter om gevaren, 1 Koningen 11:12. Hij heeft het voorrecht gehad van een goede opvoeding, en menig goed gebed is voor hem opgezonden, Psalm 72:1, de uitwerking van beide werd gezien in zijn wijsheid en zijn nuttigheid. Het geslacht van de oprechten wordt soms aldus gezegend, dat zij tot een zegen gesteld worden, een uitnemende zegen in hun dag. Christus wordt dikwijls de Zoon van David genoemd, en Salomo was daarin een type van Hem, evenals ook in andere dingen, dat hij zijn mond opendeed met gelijkenissen of spreuken.
3. Hij was koning van Israël, een koning, en toch was het geen verkleining voor hem om een onderwijzer te zijn van de onwetenden en een leermeester van kinderkens, koning van Israël, het volk, onder hetwelk God bekend en Zijn naam groot was, onder hen leerde hij wijsheid, en aan hen deelde hij haar mede. De gehele aarde zocht het aangezicht van Salomo om zijn wijsheid te horen, die de wijsheid van alle mensen overtrof, 1 Koningen 4:30, 10:24. Het was een eer voor Israël, dat hun koning zo'n orakel was. Salomo was beroemd om zijn zinrijke spreuken, ieder woord, dat hij zei, was van gewicht, er was iets verrassends en stichtelijks in. Zijn dienaren, die om hem heen waren en zijn wijsheid hoorden, hadden onder elkaar drieduizend van zijn spreuken verzameld, die zij in hun dagboeken opschreven, maar deze spreuken, die wij in de Bijbel hebben, heeft hij zelf geschreven, en zij zijn nog geen duizend in getal, in deze was hij door de Geest Gods gedreven. Sommigen denken dat uit die andere spreuken van hem die niet door Gods Geest waren ingegeven, de apocriefe boeken van Ecclesiasticus en dat van de Wijsheid waren samengesteld, waarin vele zeer voortreffelijke en zeer nuttige gezegden voorkomen, maar die toch over het geheel ver bij dit boek achterstaan. De Romeinse keizers hadden ieder hun symbool of motto, zoals velen dat thans op hun wapenschild hebben. Maar Salomo had vele gewichtige gezegden, niet, zoals de hunne, ontleend aan anderen, maar alle het voortbrengsel van die buitengewone wijsheid, waarmee God hem begiftigd had.
II. Met welk doel zij geschreven waren, vers 2-4. Niet om eer en roem te verwerven voor de schrijver, of om zijn invloed op zijn onderdanen te doen toenemen, maar tot nut en voordeel van allen, die in iedere eeuw en plaats zich door deze voorschriften willen laten regeren en zich op de beoefening ervan wilden toeleggen.
Dit boek zal ons helpen:
1. Om ons juiste denkbeelden te vormen van de dingen, en er ons duidelijke en heldere voorstellingen van te maken, opdat wij onderwijs van goed verstand aannemen, de wijsheid, die door onderwijs wordt verkregen, en door Goddelijke openbaring, zelf met wijsheid weten te spreken en te handelen, en onderwijs te geven aan anderen.
2. Om te onderscheiden tussen waarheid en leugen, goed en kwaad, om te verstaan redenen des verstands, ze te begrijpen, er over te oordelen, op onze hoede te zijn tegen vergissingen, het onderwijs, dat wij ontvangen hebben, voor onszelf te gebruiken, te onderscheiden tussen dingen, die van elkaar verschillen, en ons niet te laten misleiden, en de dingen te beproeven, die uitnemend zijn, en er het voordeel niet van verliezen, zoals de apostel bidt, Filipp. 1:10
3. Om in alles onze weg wel aan te stellen, vers 3. Dit boek zal geven, opdat wij aannemen, onderwijs van goed verstand, de kennis, die onze beoefening zal leiden in gerechtigheden en recht en billijkheden, ons zal neigen om aan ieder het zijne te geven, aan God, hetgeen Godes is in al de handelingen van de Godsdienst en aan alle mensen wat hun toekomt, naar de verplichtingen, die door betrekking, ambt, contract, of op enigerlei andere wijze, op ons rusten. Diegenen alleen zijn waarlijk wijs, die in en voor alles nauwgezet van geweten zijn, en de Schrift heeft ten doel ons die wijsheid te leren. Gerechtigheid in de plichten van de eerste tafel van de wet, recht in de tweede tafel en billijkheid, dat is oprechtheid, in beide, dat is de onderscheiding, die door sommigen wordt gemaakt.
III. Ten gebruike van wie zij geschreven werden, vers 4. Zij zijn nuttig voor allen, maar zijn inzonderheid bestemd:
1. Voor de slechten, dat is: de eenvoudigen om hun kloekzinnigheid te geven. Het onderricht hier gegeven, is duidelijk en gemakkelijk verstaanbaar ook voor de minstbegaafden. Zelfs de dwazen zullen in deze weg niet dwalen, en diegenen zullen er waarschijnlijk nut en voordeel van hebben, die zich van hun onwetendheid bewust zijn, er zich van bewust zijn dat zij het nodig hebben om onderwezen te worden, en dus begerig zijn om onderwijs te ontvangen, en zij, die dit onderwijs ontvangen in zijn licht en kracht, zullen, hoewel zij eenvoudig zijn, er kloekzinnig door worden, omzichtig, zodat zij de zonde kennen, die zij moeten vermijden en de plichten, die zij moeten behartigen en aan de listen en verlokkingen van de verzoeker ontkomen. Hij, die oprecht is als de duif, kan, door Salomo's regelen op te merken en op te volgen, voorzichtig worden als de slang, en hij die zondig dwaas is geweest, wordt, als hij begint zich door het Woord Gods te laten besturen, Godvruchtig verstandig.
2. Voor jonge lieden, om hun wetenschap en bedachtzaamheid te geven. De jeugd is het tijdperk om te leren, in de jeugd grijpt men het onderwijs aan, ontvangt men indrukken, onthoudt men wat men heeft geleerd. Daarom is het van groot belang dat de geest, het gemoed, dan goed toebereid worden, en geen betere denkbeelden kan zij ontvangen dan die van Salomo's spreuken. De jeugd is roekeloos, eigenzinnig en onnadenkend, de mens is als het veulen eens woudezels geboren, en daarom is het nodig dat hij getemd wordt door het bedwang, en bestuurd wordt door de regelen die wij hier vinden. En indien jonge lieden slechts willen acht geven op hun wegen, overeenkomstig Salomo's spreuken, dan zullen zij spoedig de kennis en bedachtzaamheid van de ouden verkrijgen. Salomo had bij het schrijven van dit boek het oog op het nageslacht, hopende daardoor de edele beginselen van wijsheid en deugd in te planten in het hart van het opkomend geslacht.
IV. Welk goed gebruik er van gemaakt kan worden, vers 5, 6. Zij, die jong en onwetend zijn, kunnen er verstandig door gemaakt worden, Zij zijn niet buitengesloten van Salomo's school zoals zij van Plato's school waren buitengesloten. Maar is het alleen voor dezulken? Neen, hier is niet slechts melk voor kinderkens maar vaste spijs voor krachtige mannen. Dit boek zal niet slechts de dwazen en slechten wijs en goed maken, maar het zal de wijzen en goeden wijzer en beter maken, en hoewel de dwaas en de jongeling dit onderwijs misschien zullen verachten, en er niet beter door worden, zal die wijs is horen, de wijsheid zal gerechtvaardigd worden van haar kinderen, hoewel niet door de kinderen, die op de markt zitten. Zelfs wijzen moeten horen, en zich niet te wijs achten om te leren. Een wijs man is zich bewust van zijn gebreken, "Plurima ignoro, sed ignorantiam meam non ignoro ik ben onkundig omtrent vele dingen, maar niet omtrent mijn eigen onkunde" en daarom streeft hij nog voorwaarts ten einde in leer en kennis toe te nemen, meer te weten, en het beter te weten duidelijker en meer bepaald, en beter te weten hoe er een goed gebruik van te maken. Zolang wij leven moeten wij streven naar meer nuttige kennis. Het was een gezegde van een van de grootste rabbijnen: "qui non auget scientiam amittit de ea indien onze kennis niet toeneemt, dan gaat zij verloren" en zij, die willen toenemen in kennis, moeten de Schriften bestuderen, die de mens Gods volmaakt doen worden.
Een wijs man, die toeneemt in kennis, is niet slechts nuttig voor zichzelf, maar ook voor anderen.
1. Als raadsman. Die verstandig is in deze voorschriften van de wijsheid, zal, door ze te vergelijken met elkaar en met zijn eigen waarnemingen, trapsgewijze wijze raad bekomen, en hij is goed op weg naar bevordering, verhoging, hij zal geraadpleegd worden als een orakel, en men zal hem de leiding van de openbare zaken toevertrouwen. Hij zal aan het roer zitten, dat is de betekenis van het woord. Naarstigheid baant de weg tot eer, en zij, die door God met wijsheid gezegend werden, moeten er zich op toeleggen, om er goed mee te doen, naar de sfeer is, waarin zij zich bewegen. Het is voorzeker een grotere eer om raadsman te zijn van de vorst, maar er is meer liefde en barmhartigheid in om raadsman te zijn van de armen, zoals Job het met zijn wijsheid geweest is, Job 29:15. De blinde was ik tot ogen.
2. Als een uitlegger, vers 6. Om te verstaan een spreuk. Salomo zelf was vermaard om zijn oplossen van raadselen en van moeilijke vraagstukken, hetgeen van oudsher een beroemd vermaak was voor Oosterse vorsten, getuige zijn ontbinden van de knopen, waarmee de koningin van Scheba hem verlegen dacht te maken. Nu onderneemt hij het hier om zijn lezers dat talent te bezorgen, in zover dit aan de beste doeleinden dienstig kon zijn. Zij zullen een spreuk verstaan en de uitlegging, zonder welke de spreuk een ongekraakte noot is. Als zij een wijs gezegde horen, zullen zij, al is zij in beeldspraak, er de zin van verstaan, en er gebruik van weten te maken. De woorden van de wijzen zijn soms raadselen, duistere gezegden. In de brieven van Paulus waren dingen zwaar om te verstaan, maar voor hen, die goed tehuis zijn in de Schrift, geestelijke dingen met geestelijke weten samen te voegen, zullen zij gemakkelijk en veilig zijn, zodat, indien gij hun vraagt: Hebt gij dit alles verstaan? zij kunnen antwoorden: Ja, Heere. Het is een eer voor de Godsdienst, als mannen van eer mannen van verstand zijn, alle Godvruchtigen behoren er dus naar te streven om verstandig te zijn, zich moeite te geven in het gebruiken van de middelen om hun kennis te vermeerderen.