19. Die groot is van grimmigheid, en daardoor zich vergrijpt aan anderen, hetzij hun goed, hetzij hun leven, zal de strafmoeten dragen; zal de schuld moeten vergoeden, want zo gij hem uitredt, of, zo gij hem aanpakt, het zal te vergeefs zijn, wanneer gij daardoor meent hem nuttig te zijn; zo zult gij nog gedurig moeten voortvaren, 1) zo moet gij ervaren dat het nog erger wordt.
1) Beter: Zo gij hem aanpakt, zo maakt gij het nog erger. De Spreuken-dichter wil hier zeggen, dat het juist wel nodig is, dat iemand, die in zijn drift en toorn zich vergrijpt aan een ander, daarvoor moet boeten, maar het staat zo gelegen met den driftige, dat die boete, die straf hem nog driftiger maakt, zodat de zaak met hem er niet op verbetert, maar verergert. De Engelse vertaling heeft: Een man van groten toorn zal straf lijden. 20. Hoor naar raad, eer het te laat is, en laat u niet te vergeefs vermanen, en ontvang met een onderworpen hart de tucht, die dient om uw bedorven aard, uwe begeerlijkheden en uwe boosheid weg te nemen, opdat gij in uw ganse leven op aarde, ja, tot in uwe laatsteure wijs zijt. (Hoofdstuk 12:15).