Spreuken 19:15
Zie hier het kwaad van een luie, trage aard.
1. Hij verstompt de mensen, maakt hen onverschillig voor hun eigen zaken en belangen alsof zij in een diepen slaap verzonken waren veel dromende, maar niets uitrichtende. Trage mensen verslapen hun tijd, begraven hun talenten, leiden een nutteloos leven, en zijn de onnutte lasten van de aarde, voor wat zij doen of uitrichten als zij wakker zijn, zouden zij evengoed kunnen blijven slapen. Zelfs hun ziel is lui en in slaap gesust, hun geestvermogens zijn verkild en bevroren.
2. Hij verarmt de mensen, voert hen tot gebrek, zij, die niet willen werken, kunnen niet verwachten te zullen eten, zij moeten hongeren. Een luie ziel, iemand die lui is omtrent de aangelegenheden van zijn ziel, zich geen zorg of moeite geeft om zijn eigen zaligheid te werken, zal omkomen uit gebrek aan hetgeen nodig is voor het leven en de gelukzaligheid van de ziel.