Spreuken 16:27-28
Er zijn zodanigen, die niet slechts zelf ondeugend zijn, maar boosaardig zijn voor anderen, dat zijn de slechtsten van de mensen. Twee soorten ervan worden hier beschreven.
1. Dezulken, die iemand de eer van zijn goede naam benijden, en alles doen wat zij kunnen, om die door laster en verkeerde voorstellingen te vernietigen. Zij graven kwaad op, geven zich zeer veel moeite om het een of ander te ontdekken, waarop zij hun laster kunnen gronden, of dat er een schijn van waarheid aan kan geven. Als er niets boven de grond te vinden is, zullen zij, veeleer dan het te missen, er naar graven, opgraven wat verborgen is, of zeer ver terugzien, of door boze vermoedens en gissingen op te werpen, door boosaardige wenken en toespelingen hun doel zien te bereiken. Op de lippen van een lasteraar en achterklapper is als een vuur, niet alleen om de goede naam van zijn naaste te brandmerken, hem te beroken en te bezoedelen, maar als een brandend vuur om hem te verteren, en, hoe grote hoop hout zal een weinigje van dat vuur niet aansteken, en hoe moeilijk is die brand te blussen, Jakobus 3:5, 6.
2. De zodanigen, die iemand de troost van de vriendschap benijden en alles doen wat zij kunnen om die te verbreken, door aan beide zijden zulke inblazingen te doen, dat zij, die het nauwst aan elkaar verbonden waren, gedurende zeer lange tijd vertrouwelijk met elkaar hadden omgegaan, er van elkaar door vervreemd worden en er verwijdering tussen hen ontstaat. Een verkeerd man, die het niet van zich verkrijgen kan iemand anders lief te hebben dan zichzelf, ergert er zich aan om anderen in liefde te zien leven, en daarom stelt hij het zich ten taak om krakeel in te werpen, door aan mensen slechte hoedanigheden toe te schrijven, leugens van hen uit te strooien en hatelijke geruchten over te brengen van de voornaamste vrienden, teneinde hen van elkaar te scheiden, hen op elkaar te vertoornen, of tenminste achterdochtig van elkaar te maken. Het zijn slechte mannen, en ook slechte vrouwen, die zulke boze diensten bewijzen, zij doen het werk des duivels, en van hem zullen zij hun loon ontvangen.