Spreuken 15:6
Waar gerechtigheid is, daar is rijkdom en de geriefelijkheid ervan, in het huis des rechtvaardigen is een grote schat. De Godsdienst leert de mensen vlijtig, matig en rechtvaardig te zijn, en gewoonlijk zal hierdoor de bezitting toenemen, maar dat is niet alles, God zegent de woning van de rechtvaardigen, en die zegen maakt rijk zonder beroering. Of, indien er niet veel van het goed van deze wereld is, zal toch, waar genade is, een ware schat zijn, en indien zij, die slechts weinig hebben, een hart hebben om met dat weinige tevreden te zijn en er het gerieflijke van te genieten en op prijs te stellen, dan is het genoeg, dan is het rijkdom. De rechtvaardigen worden misschien niet zelf verrijkt, maar er is een schat in hun huis, een zegen weggelegd, waarvan hun kinderen na hen het voordeel zullen oogsten. Een goddeloos, wereldsgezind man is er slechts op uit om zijn buik met deze schatten te vullen, zijn zinnelijke lusten te bevredigen, Psalm 17:14, maar een rechtvaardige zorgt in de eerste plaats voor zijn ziel, en dan voor zijn zaad, een schat in zijn hart te hebben, en dan in zijn huis, waarvan zijn bloedverwanten en zij, die hem omringen, het voordeel kunnen hebben.
Waar goddeloosheid is daar kan wel rijkdom wezen, maar er is kwelling des geestes bij. In des goddelozen inkomst, in het grote inkomen dat zij hebben, is beroerte, er is schuld en een vloek, er is hoogmoed en hartstocht, en nijd en twisting, en dat zijn beroerende lusten, die hen van het genot, de blijdschap hunner inkomsten beroven, en hen beroerend maken voor hun naburen.