24. Der wijzen kroon, de eer, het sieraad, dat hen als kinderen Gods en heren der wereld kenmerkt, is hun eerlijke, vlijtige en met gebed verkregene rijkdom 1); de dwaasheid echter der zotten is onvruchtbaar en ijdel; zij blijft eeuwig, wat zij is, namelijk dwaasheid 2), en niets als dwaasheid, al pronken zij er ook zo mede, en al wenden zij ook hunnen rijkdom daartoe aan, om door allerlei pronk en sieraad zo groot aanzien te verwerven, het zal hen niet tot wijzen maken.
1) Als de mensen wijs zijn en vroom, doen hun goederen of hun gebruik hen nog meer achting erlangen, en maken hen te meer eerwaardig. De rijkdom is de kroon der wijzen, omdat dezelve invloed hen en de maatschappij tot sieraad en nut verstrekt en hun achtbaarheid daardoor vergroot wordt.. 2) Men mag den dwaas stellen in welk een staat men wil, altijd zal de dwaas een dwaas blijven. Hij komt nooit vooruit, hoe dikwijls hij ook geholpen wordt.