23. De begeerte der rechtvaardigen is alleenlijk het goede, en God schenkt hun, wat zij begeren, hetzij vroeg of laat; maar de verwachting der goddelozen, hoe groot zij zich ook hun toekomstig aardse geluk voorstellen, is ijdel; want zij eindigt in den toorn, in de verbolgenheid van God. 24. Er is een, die Zijne gaven niet spaart, maar die mildelijk uitstrooit, en zijn rijkdom vermindert niet, maar hij vergroot zijnen schat, dewelke nog meer toegedaan, bijgevoegd wordt, dan hij had, want hij zaait in gerechtigheid, en leent alzo den Heere (
Psalm 112:9); en daar is er een, die meer inhoudt van de armen, die meer voor zich zelven wil besparen, dan recht is, maar het is niet tot zijn voordeel; hij zal zelfs tot armoede en gebrek1) geraken; want de vloek van God rust op alles, wat hij heeft. (
Hoofdstuk 10:28).
1) Hoe het tevens mogelijk is, dat een mens arm kan worden door een zuinig en nauwkeurig besparen van hetgeen hij bezit, te weten, door meer in te houden dan recht is, wordt ons hier gezegd. Als door zijne gemaakte schulden niet te betalen, door de armen niet te verzorgen, zijn eigen huishouding bekrompen te doen leven of niet genoeg tot dezelve onderhoud te verschaffen, of de nodige onkosten te weigeren, ter bewaring van zijne goederen. Laat een mens zoveel vergaderen en opstapelen als hij kan en mag, indien God er in blaast in toorn, komt het dadelijk te niet..