16. Ene aangename huisvrouw, die niet alleen schoon van aangezicht, maar ook van God begenadigd is, en de wijsheid tot een erfdeel heeft ontvangen, houdt de eer met beslistheid vast, gelijk de machtige geweldigen den rijkdom vasthouden, en zich dien niet laten ontrukken (
Hoofdstuk 29:23).
De Griekse vertaling heeft in plaats van dit vers ene uitbreiding, die luidt als volgt, en door vele uitleggers voor de oudere, oorspronkelijke lezing gehouden wordt: Ene aangename huisvrouw bewaart de eer, maar een stoel der schande is, die de deugd haat. De luiaards zullen het goed missen, maar de vlijtigen bewaren den rijkdom..
Even ijverig als de tirannen zijn om hunnen rijkdom te vergroten, zo vlijtig is de vrome in het verkrijgen en bewaren zijner ware eer, dat is: godsvrucht en deugd.
Hier wordt voor toegestemd gehouden, dat een sterk of geweldig man de rijkdom vasthoudt, dat is, dat mensen van geest en kundigheid, die een groten omslag in de wereld hebben, en daarbij bekwaam zijn om zich te verzetten tegen allen, die hen in den weg mochten zijn, ook het best in staat zullen wezen, niet alleen om te bewaren hetgeen zij bezitten, maar ook om nog meer te bekomen, terwijl degenen, die zwak en flauwmoedig zijn, lichtelijk ten prooi worden van degenen, die rondom hen zijn en op hen loeren. De aangename vrouw is even eerwaardig als de geweldige man, en haar eer is zo zeker als de zijne..
Anderen zoals Delitzsch vertalen: Een aangename huisvrouw verlangt eer en een onbevallige rijkdom.