6. Menigvuldig zegeningen, in tijdelijk en eeuwig goed zijndoor den Heere op het hoofd des rechtvaardigen gehoopt, op de gebeden van hen, die Hem kennen en liefhebben; maar geen mond opent zich, om den goddeloze te zegenen; veeleer kan men zeggen: het geweld, dat door het goddelijk strafgericht tot hen terugkeert, bedekt den mond der goddelozen1), die zo dikwijls de bron van lastering, overmoed, twist en geweld geweest is, om dien voor altijd te bedekken en toe te sluiten (
Vers 11).
1) Dit is, hun monden zullen met schaamte gestopt worden, om het geweld, hetwelk zij gedaan hebben. Zij zullen niet een enkel woord tot verschoning voor zich weten in te brengen. Hun adem zal gestuit en als teruggedreven of beteugeld worden, om iets te zeggen, wanneer het oordeel over hun boze daden komt en het gepleegde geweld met dubbelen woeker hun betaald gezet wordt. 7. De gedachtenis aan het godzalige leven des rechtvaardigen zal na hunnen dood meer en meer tot zegening zijn, zodat zijne woorden en werken ook dan enen gezegenden invloed zullen hebben, en zo dikwijls aan hem gedacht wordt, zal men zich dien zegen ook toewensen (Psalm 112:6); maar de naam der goddelozen, al wordt hij ook gedurende zijn leven hoog geroemd en geprezen, zal toch zeker spoedig verdwijnen, en als een lijk verrotten, 2) de lucht verpesten, en bij velen walging en afschuw. (Job 24:19).
Het zichtbare vergaat bij beiden op gelijke wijze; maar de eeuwige goddelijke kracht, die in den eerste werkte en handelde, laat lange en duurzame gevolgen van hem op aarde achter, terwijl zonder zulk ene in hem wonende goddelijke kracht het aandenken van den laatste als een lijk verrot..
De nijd moge den luister des vromen enen tijd lang benevelen, nochtans zal hij na zijnen dood met ere genoemd worden; men zal hem met lof gedenken, wanneer de gedachtenis des goddelozen, die thans misschien geroemd wordt, zal vergaan, of stinkende en verfoeilijk zal zijn.
Wij mogen God danken, dat wij ons in hun licht hebben mogen verheugen, dat ze veel goeds in hun geslacht, en in de wereld in het gemeen, of ook om ons in het bijzonder gedaan hebben. En nooit zal onze dankbaarheid in deze beter en oprechter zijn, dan wanneer wij tonen ijverige navolgers te zijn van dat goede, hetwelk hun den naam van rechtvaardigen deed verwerven..
2) De uitdrukking is ontleend aan den boom, die gestorven, verrot, zich oplost, zodat er niets van overblijft. Zo ook gaat het met de namen der goddelozen. Niemand wil er mee te maken hebben, niemand zal zich naar hen noemen.