Spreuken 10:20-21
Hier wordt ons geleerd hoe de mensen te schatten, niet neer hun rijkdom of hun hoge rang in de wereld, maar naar hun deugd.
1. Godvruchtige mensen zijn ergens goed voor, al zijn zij ook arm en zeer gering in de wereld, en al is het ook dat zij geen macht of rijkdom hebben om er goed mee te doen, maar zolang zij een mond hebben om te spreken, zal hen dit nuttig en van waarde maken, en dieswege moeten wij hen eren, die de Heere vrezen, omdat zij uit de goede schat huns harten goede dingen voortbrengen.
a. Dit maakt hen van waarde. De tong des rechtvaardigen is uitgelezen zilver zij zijn oprecht, vrij van het schuim van bedrog en kwade bedoelingen. Gods woorden worden vergeleken bij gelouterd zilver, Psalm 12:7, want men kan er op vertrouwen, en zo zijn ook de woorden van de rechtvaardigen. Zij zijn van gewicht en waardij, en zullen hen, die ze horen, verrijken met wijsheid, die beter is dan uitgelezen zilver.
b. Het maakt hen nuttig, de lippen des rechtvaardigen voeden er velen, want zij zijn vol van het Woord van God, dat het brood des levens is, en van die gezonde leer, waarmee de zielen gevoed en versterkt worden. Een Godvruchtig gesprek is geestelijk voedsel voor de nooddruftigen, de hongerigen.
2. Slechte mensen deugen nergens toe.
a. Men kan geen goed door hen verkrijgen. Het hart van de goddelozen is weinig waard, en daarom kan hetgeen uit de overvloed zijns harten voortkomt van niet veel waarde zijn. Zijn beginselen, zijn denkbeelden, zijn begrippen, zijn voornemens, alles waarvan hij vervuld is, wat hem beweegt, het is alles werelds en vleselijk, en daarom van generlei waardij. Die uit de aarde is voortgekomen, spreekt uit de aarde, en kan de dingen Gods noch verstaan noch waarderen, Johannes 3:31, l Corinthiers 2:14. De goddeloze wendt voor dat, hoewel hij niet over de Godsdienst spreekt zoals de rechtvaardige, hij hem toch in zijn binnenste heeft, en hij dankt God dat zijn hart goed is, maar Hij, die het hart doorgrondt, zegt hier het tegendeel, namelijk dat het weinig waard is.
b. Men kan hun geen goeddoen. Terwijl velen gevoed worden door de lippen van de rechtvaardigen, sterven de dwazen door gebrek aan verstand, en wel zijn zij dwaas, die sterven uit gebrek aan hetgeen zij zo gemakkelijk hadden kunnen verkrijgen. Dwazen sterven uit gebrek aan een hart, zo is het in het oorspronkelijke, zij komen om uit gebrek aan nadenken en vastberadenheid, zij hebben het hart niet om zichzelf goed te doen. Terwijl de rechtvaardigen anderen voeden laten dwazen zichzelf verhongeren.