Spreuken 10:10
1. Hier wordt het kwaad aangeduid, dat door listige, zich vermommende zondaars wordt aangericht. Die met het oog wenkt, alsof hij geen acht op u sloeg, terwijl hij loert op de gelegenheid om u kwaad te doen, tekenen en wenken geeft aan zijn medeplichtigen om hem te komen helpen in de uitvoering van zijn boze plannen, die alle met list beraamd zijn, richt smart aan, beide voor anderen en voor zichzelf. Vernuft zal geen verontschuldiging zijn voor ongerechtigheid, de zondaar moet zich of bekeren, of nog erger doen, hij moet er of berouw van hebben, of er door ten verderve gaan.
2. Openbare, domme, zichzelf tentoonstellende zondaren, de dwaas van lippen, de praatachtige dwaas, zal vallen, zal omgeworpen worden, zoals hij tevoren gezegd had, vers 8. Maar zijn toestand is van de twee de minst gevaarlijke, en, hoewel hij verderf brengt over zichzelf, veroorzaakt hij toch niet zoveel smart aan anderen als hij, die met het oog wenkt. Die hond die bijt is niet altijd de hond die blaft.