Romeinen 2:1-16
In het vorige hoofdstuk heeft de apostel doen zien dat de toestand van de heidenwereld zo slecht en zwart was, als de Joden gaarne gereed waren te erkennen. Nu is zijn voornemen aan te tonen dat ook de toestand van de Joden zeer slecht was en dat hun zonden in menig opzicht erger waren. Om daartoe te komen gaat hij er thans toe over om in dit deel van den brief bloot te leggen, dat God op gelijken voet van rechtvaardigheid zal handelen met Joden en heidenen, en niet op zo partijdige wijze als de Joden geneigd waren in hun voordeel te menen.
I. Hij beschuldigt hen van strafwaardig zelfbedrog vers 1. Daarom zijt gij niet te verontschuldigen, o mens, wie gij zijt, die anderen oordeelt. Hij spreekt hier in algemene bewoordingen: en dus is deze beschuldiging toepasselijk op de vele meesters, Jakobus 3:1, van welk volk of welke belijdenis zij ook mogen zijn, die beweren het recht te hebben om anderen uit te sluiten, te beheersen en te veroordelen. Maar hij doelt voornamelijk op de Joden en past de beschuldiging in het bijzonder op hen toe, vers 21. Die een ander leert, leert gij uzelven niet? De Joden waren over het algemeen zeer hoogmoedige mensen, die met veel toorn en verachting neerzagen op de arme heidenen, als niet waardig om gelijkgesteld te worden met de honden van hun kudden, terwijl zij terzelfder tijd even slecht en onzedelijk waren als de heidenen, wel geen afgodendienaars maar heiligschenners, vers 22. Daarom zijt gij niet te verontschuldigen. Indien de heidenen, die slechts het licht der rede hadden, Hoofdstuk 1:20, niet te verontschuldigen waren, hoeveel minder de Joden, die het licht der wet hadden, den geopenbaarden wil van God, en dus zoveel groter hulpmiddel dan de heidenen bezaten.
II. Hij betuigt hun de onveranderlijke rechtvaardigheid van Gods bestuur, vers 2, 3. Om de overtuiging daarvan aan te dringen, toont hij aan met welk een rechtvaardig God wij te doen hebben en hoe recht al diens handelingen zijn. Het was Paulus gewoonte in zijn brieven, wanneer hij enig punt gesteld had, daarover breedvoerig te handelen, zo ook hier over de rechtvaardigheid Gods, vers 2. Dat het oordeel Gods naar waarheid is, overeenkomstig de eeuwige beginselen van recht en gelijkheid, overeenkomstig het hart en niet naar de uitwendige verschijning, 1 Samuël 16:7, overeenkomstig de werken en zonder aanzien des persoons, dat is een leerstelling waarvan wij allen zeker zijn, want God zou niet God zijn indien Hij niet rechtvaardig ware. Maar het betaamt vooral hun dit in aanmerking te nemen, die anderen veroordelen om dingen, waaraan zij zelven schuldig staan, en die onderwijl zij de zonde bedrijven en daarmee voortgaan, de goddelijke gerechtigheid pogen om te kopen door tegen de zonde te getuigen en van anderen luidkeels te verkondigen dat die zich schuldig gemaakt hebben, alsof het prediken tegen de zonde reinigen kon van eigen smetten. Merk op hoe hij dat bij het geweten des zondaars aandringt, vers 3. Denkt gij dit, o mens! o Mens, zedelijk schepsel, afhankelijk schepsel, door God gemaakt, aan Hem onderworpen, aan Hem verantwoordelijk? De zaak is zo helder dat wij mogen wagen een beroep te doen op des zondaars eigen gedachten: "kunt gij denken dat gij het oordeel Gods zult ontvlieden? Kan God, die de harten doorzoekt, bedrogen worden door vormelijke voorwendsels? Kan de rechtvaardige Rechter van allen zo omgekocht en afgekeerd worden? De best-redenerende en slimste zondaren, die zich met het meeste vertrouwen aan anderen vertonen, kunnen het oordeel Gods niet ontkomen, kunnen niet voorkomen dat ze terechtgesteld en veroordeeld worden.
III. Hij spreekt een tweeledige beschuldiging tegen hen uit vers 4, 5. 1. Zij verachten de goedheid van God, vers 4, den rijkdom zijner goedertierenheid. Dit is vooral toepasselijk op de Joden, die buitengewone tekenen van de goddelijke gunst hadden. Middelen zijn goedertierenheden, en hoe meer wij tegen het licht zondigen, des te meer zondigen wij tegen de liefde. Lage en geringe gedachten van de goddelijke goedheid liggen ten grondslag voor een menigte van zonden. Er is in elke moedwillige zonde een uitdagende verachting van Gods goedheid, het is een beproeven van Zijn ingewanden, voornamelijk van de goedheid van Zijn geduld, Zijn verdraagzaamheid en lankmoedigheid, het is een oorzaak nemen daaruit om des te brutaler te zondigen, Prediker 8:11. Niet wetende, dat is, niet in aanmerking nemende, niet in de praktijk kennende en in toepassing brengende, dat de goedertierenheid Gods u leidt, ten doel heeft u te leiden, tot bekering. Het is ons niet genoeg te weten dat de goedertierenheid Gods tot bekering leidt: wij moeten weten dat zij dat ons, ons in het bijzonder doet. Zie hier welken weg God volgt in het leiden van zondaren tot bekering. Hij leidt hen, Hij drijft hen niet gelijk beesten, maar leidt hen als zedelijke schepselen, lokt hen, Hosea 2:14, Hij leidt hen met goedertierenheid, met koorden van liefde, Hosea 11:4. Verg. Jeremia 31:3. De beschouwing van de goedertierenheid Gods, Zijn algemene goedheid jegens allen (de goedheid Zijner voorzienigheid) Zijn geduld, Zijn giften, moet dienen om ons tot bekering te brengen, en de reden waarom zo velen onbekeerlijk blijven, is dat zij die niet erkennen en in aanmerking nemen.
2. Zij dagen den toorn Gods uit, vers 5. Die uitdaging komt voort uit hun hardigheid en hun onbekeerlijk hart, de ondergang van de zondaren wordt veroorzaakt door hun wandel naar dat hart, waardoor zij zich laten leiden. Zondigen is wandelen naar zijn eigen hart, en wanneer dat een hard en onbekeerlijk hart is, hetwelk bij de natuurlijke verdorvenheid door lange gewoonte verharding gevoegd heeft, dan is de weg van zo iemand wanhopig. De uitdaging wordt hier genoemd zich toorn opleggen als een schat. Zij, die in hun zondigen weg voortgaan, vergaderen zich toorn alsof die een schat ware. Een schat duidt overvloed aan. Het is een schat waarvan men de eeuwigheid door gebruiken zal zonder hem ooit uit te putten, en toch gaan de zondaren voort er gedurig schatten bij te voegen. Elke moedwillige zonde verhoogt de rekening. Een schat geeft geheimhouding te kennen. De schatkist, de bewaarplaats van dien toorn is het hart van God zelf, daarin ligt hij verborgen, gelijk schatten verzegeld in verborgen plaatsen neergelegd worden. Zie Deuteronomium 32:34, Job 14:17. Maar bovenal ziet het woord schat op bewaren voor nader gebruik. Zo worden de schatten van den hagel bewaard voor den dag des strijds, Job 38:22, 23. Die schatten worden opengebroken gelijk de fonteinen van den afgrond, Genesis 7:11. Zij worden vergaderd tegen den dag des toorns, dan zullen die schatten overhandigd worden, uitgegoten bij fiolen vol. Ofschoon het heden een tijd van geduld en verdraagzaamheid jegens zondaren is, toch komt er een dag der wrake, van wraak en niets dan wraak. Inderdaad, elke dag is voor zondaren een dag der wraak, want God is een God die te allen dage toornt, Psalm 7:12, maar hier wordt gesproken van den groten dag des toorns die komende is, Openbaring 6:17. En die dag des toorns zal zijn de dag der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods. De toorn Gods is niet gelijk onze toorn, een hete hartstocht. Neen, grimmigheid is bij Hem niet, Jesaja 27:4, maar hij is een rechtvaardig oordeel, hij is Zijn wil om de zonde te straffen omdat Hij die haat als een bestrijding van zijn natuur. Dit rechtvaardig oordeel Gods wordt thans dikwijls verborgen achter den voorspoed en het welslagen van zondaren, maar binnen kort zal het openbaar gemaakt worden voor de gehele wereld, de schijnbare wanorde zal blijken orde te zijn en de hemelen zullen Gods gerechtigheid verkondigen, Psalm 50:6. Oordeel daarom niet voor den tijd. IV. Hij beschrijft de middelen waardoor God Zijn oordelen openbaar maakt. Nadat hij het rechtvaardig oordeel Gods in vers 5 genoemd heeft, beschrijft hij thans dat oordeel en de rechtvaardigheid ervan, en toont aan wat wij van God kunnen verwachten en naar welken regel Hij de wereld zal oordelen. De gelijkheid in het uitoefenen van gerechtigheid is het uitdelen van bestraffingen en gunsten met inachtneming van omstandigheden en zonder aanzien des persoons, en zulk een is het rechtvaardig oordeel Gods.
1. Hij zal een iegelijk vergelden naar zijne werken, vers 6, een waarheid, die dikwijls in de Schrift verkondigd wordt ten einde te bewijzen dat de Rechter der ganse aarde rechtvaardig is.
A. Hij zal dat doen in de toekenning van Zijn gunsten, en dat wordt hier tweemaal gezegd, in vers 7 en in vers 10. Want Hij verheugt zich in het betonen van barmhartigheid. Merk op:
a. De voorwerpen van Zijn gunst.
Zij die met volharding in goeddoen, enz. Daaraan kunnen wij ons aandeel in de Goddelijke gunst toetsen, en daardoor wordt ons de weg gewezen waarlangs wij dit verkrijgen kunnen. Zij, die de rechtvaardige God belonen wil zijn Ten eerste. Zij die naar het ware doel streven, die heerlijkheid, eer en onverderflijkheid zoeken, dat is de heerlijkheid en de eer, welke onverderflijk zijn: aanneming door God hier en voor eeuwig. Op den grond van allen praktikalen godsdienst ligt een heilige ijver. En die is het zoeken van het Koninkrijk Gods, in onze begeerten en strevingen zo hoog als de hemel beschouwd, en het vaste besluit om het daarmee niet licht op te nemen. Dat zoeken onderstelt een verliezen, een gevoel van dat verlies, een begeerte om het te herstellen, en pogingen en inspanning naarmate van dit verlies.
Ten tweede. Dezulken die niet alleen het rechte doel in het oog hebben, maar ook den rechten weg bewandelen om het te bereiken: Die volharden in goeddoen.
1. Er moet een werken van het goede zijn, vers 10. Het is niet genoeg goed te kennen, goed te belijden, goed te spreken, maar wij moeten goed doen, doen hetgeen goed is, zowel om den inhoud als om de gevolgen van die daden, Wij moeten het goede goed doen.
2. Volharden in goed doen. Niet voor een ogenblik in een bui van werklust, gelijk een morgenwolk of een vroege dauw, maar wij moeten volharden tot het einde, de volharding wint de kroon.
3. Een gedurig volharden. Dit geduld ziet niet alleen op de lengte van het werk, maar ook op de moeilijkheden, de bezwaren en de tegenwerking, die wij er in ontmoeten. Zij die begeren goed te doen en daarin willen volharden, moeten een goeden voorraad geduld hebben.
b. De gevolgen van Zijn gunst. Hij zal dezulken het eeuwige leven vergelden. De hemel is het leven, het eeuwige leven, en hij is de beloning voor hen, die met volharding voortgaan in weldoen, en dat wordt genoemd, vers 10, heerlijkheid, en eer, en vrede. Zij die heerlijkheid en eer zoeken, vers 7, zullen haar ontvangen. Zij, die de ijdele heerlijkheid en eer dezer wereld zoeken, moeten haar menigmaal missen en worden teleurgesteld, maar zij die onverderflijke heerlijkheid en eer zoeken zullen die verkrijgen, en niet alleen heerlijkheid en eer, maar ook vrede. Wereldse heerlijkheid en eer gaan gewoonlijk vergezeld van moeiten, maar de hemelse heerlijkheid en eer brengen vrede met zich, ongestoorden, altijddurenden vrede.
B. In het uitdelen van Zijn bestraffingen, vers 8, 9. Merk op:
a. De voorwerpen van Zijn gestrengheid. In het algemeen allen die het kwade werken, nader omschreven als dezulken, die twistgierig en der waarheid ongehoorzaam zijn. Twistgierig tegen God. Elke opzettelijke zonde is een twist met God, zij is een twist met onzen Formeerder, Jesaja 45:9, de meest-wanhopige van alle twisten. De Geest Gods twist met den zondaar, Genesis 6:3, en onbekeerlijke zondaren twisten met den Geest, zijn in opstand tegen het licht, Job 24:13, houden vast aan het bedrog, twisten om de zonde vast te houden, waarover de Geest twist om hen die te doen loslaten. Twistgierig en der waarheid ongehoorzaam. De waarheden van den godsdienst moeten niet alleen gekend, maar ook gehoorzaamd worden. Zij leiden, besturen en bevelen, de waarheden moeten beoefend worden. Ongehoorzaamheid aan de waarheid wordt genoemd twisten met haar. Maar der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, doen wat de ongerechtigheid hun beveelt. Zij, die weigeren dienaren van de waarheid te worden, zullen spoedig slaven van de ongerechtigheid zijn.
b. De gevolgen en uitwerkselen van deze gestrengheid zijn: verbolgenheid, toorn, verdrukking en benauwdheid. Die zijn de bezoldiging der zonde. Verbolgenheid en toorn de oorzaken van verdrukking en benauwdheid, als onvermijdelijke gevolgen. En dat over de ziel, de zielen zijn de vaten van dien toorn, de voorwerpen van die verdrukking en benauwdheid. De zonde bestemt de ziel voor toorn. De ziel is datgene in den mens, wat alleen onmiddellijk vatbaar is voor die verbolgenheid en voor de uitwerking daarvan in benauwdheid. De hel is eeuwige verdrukking en benauwdheid, het voortbrengsel van verbolgenheid en toorn. Dat zijn de gevolgen van het twisten met God, van het Hem stellen tot een doorn en distel, en een verterend vuur, Jesaja 27:4. Die niet buigen willen voor Zijn gouden scepter zullen zeker verpletterd worden onder Zijn ijzeren roede. En zo zal God een iegelijk vergelden naar zijn werken. 2.. Want er is geen aanneming des persoons bij God, vers 11. Voor zoveel den geestelijken toestand betreft, is er aanneming des persoons, maar niet ten opzichte van uitwendige gesteldheid of toestand. Joden en heidenen staan voor God op dezelfde hoogte. Dat was het eerste wat Petrus opmerkte toen de middelmuur des afscheidsels het eerst verbroken werd, Handelingen 10:34, dat God geen aannemer des persoons is, en dat wordt toegelicht door de volgende woorden. In allen volke, die Hem vreest en gerechtigheid werkt is Hem aangenaam. God maakt de mensen niet zalig uit aanmerking van hun uitwendige voorrechten of van hun blote kennis en belijdenis der waarheid, maar overeenkomstig hun toestand en gesteldheid werkelijk zijn. Dat staat in de bedeling van Zijn gestrengheid en van Zijn gunst beide voor Joden en heidenen gelijk. Indien eerst den Jood, -die groter voorrechten en heerlijker belijdenis had, toch ook den Griek, wiens gebrek aan zulke voorrechten hem niet zal doen ontkomen aan de straf voor zijn misdaden en hem niet zal uitsluiten van de beloning voor zijn goeddoen, zie Colossenzen 3:11. Zou de Rechter der ganse aarde geen recht doen?
V. Hij bewijst de gelijkheid van Gods handelingen met allen, wanneer Hij als hun Rechter verschijnen zal, vers 12-16, door dit beginsel, dat hetgeen de regel is voor de gehoorzaamheid van den mens ook de regel is voor het oordeel Gods. Drie trappen van licht zijn aan de kinderen der mensen geopenbaard. 1. Het licht der natuur. Dat hebben de heidenen, en daarnaar zullen zij geoordeeld worden. Zo velen als er zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan, dat is, met de ongelovige heidenen, die geen andere leiding hebben dan van hun natuurlijk geweten, geen andere beweegreden dan algemene genade, en die niet de wet van Mozes of enige bovennatuurlijke openbaring bezaten, zal niet gerekend worden naar de overtreding van de wet die zij nooit hadden, die zullen niet komen onder de verzwaring van de zonden der Joden tegen en hun veroordeling door de geschreven wet. Zij zullen geoordeeld worden door de wet der natuur, indien zij daartegen zondigen, niet enkel zoals die in hun harten geschreven staat, verdorven, onkenbaar gemaakt en gevangen gehouden in ongerechtigheid, maar zoals de Rechter hun die oorspronkelijk onverminkt gaf. Ten einde dat op te helderen, vers 14, 15, betuigt hij in een tussenzin dat het licht der heidenen de plaats vervulde van de geschreven wet. Hij had gezegd, vers 12, dat zij zonder wet gezondigd hebben, hetgeen in tegenspraak met zich zelve schijnt te zijn, want waar geen wet is, daar is geen overtreding. Maar, zegt hij, ofschoon zij de geschreven wet niet hadden, Psalm 147:20, toch hadden zij iets, dat gelijk stond, niet met de ceremoniële wet, maar met de zedelijke wet. Zij hadden het werk der wet. Hij bedoelt niet het werk dat de wet gebiedt, alsof zij volmaakte gehoorzaamheid konden betonen, maar het werk dat de wet doet. Het werk van de wet is: ons voorschrijven wat wij doen moeten en onderzoeken hetgeen wij gedaan hebben. Welnu:
A. Zij hadden in het licht der natuur hetgeen hun voorschreef wat zij te doen hadden, door middel van hun natuurlijke opmerkingsgave en de inspraak van hun geweten leerden zij een duidelijk en groot verschil tussen goed en kwaad kennen. Zij deden van nature de dingen, die der wet zijn. Zij hadden een gevoel voor rechtvaardigheid en billijkheid, eer en reinheid, liefde en weldadigheid, het licht der natuur leerde hen gehoorzaamheid aan de ouders, medelijden met de ellendigen, bewaring van algemenen vrede en orde, verbood moord, diefstal, leugen, meineed en dergelijke. Daardoor waren zij zich zelven ene wet.
B. Zij hadden daarin hetgeen hun daden onderzocht. Hun geweten was medegetuigende. Zij hadden in zich ene stem, die goedkeurde en aanbeval hetgeen wel gedaan was, en hun verweet hetgeen verkeerd was. Het geweten is een getuige, en zal vroeg of laat getuigen, ofschoon het voor een tijd omgekocht en onderdrukt moge worden. Het vervult de plaats van duizend getuigen, het bevestigt ook het meest verborgene, en hun gedachten onder elkaar beschuldigen of ook ontschuldigen hen, die spreken een vonnis uit overeenkomstig het getuigenis van het geweten en passen daardoor daadwerkelijk de wet toe. Het geweten is de lamp des Heeren, die niet geblust worden kan, zelfs niet in de heidenwereld. De heidenen hebben getuigenis afgelegd voor den troost van een goed geweten.
Dit is het koperen bolwerk van verdediging: bewaar steeds uw zelfbewuste onschuld (Horatius). En evenzeer voor de verschrikking van een boos geweten: Geen slag wordt gehoord, maar toch wordt het schuldige hart gemarteld door een smart en droefheid, welke het zichzelf berokkend heeft. (Juvenalis. Sat. 13). Hun gedachten onder elkaar, metaxu allêloon, of de een den ander. Hetzelfde licht en dezelfde wet der natuur, die getuigden tegen de zonden in hen zelven en tegen de zonden in anderen, beschuldigden en ontschuldigden hen tegenover elkaar. Volgens sommigen: beurtelings, naarmate zij van elkaar bemerkten dat zij de natuurlijke wetten en voorschriften schonden, beschuldigde hun geweten hen of sprak hen vrij. Dit alles toont aan dat zij iets bezaten, dat bij hen de plaats van wet bekleedde, waardoor zij zich konden laten besturen en dat hen veroordelen zal, indien zij er zich niet door lieten leiden en regeren. Daardoor zijn de schuldige heidenen zonder verontschuldiging. God wordt gerechtvaardigd wanneer Hij hen veroordeelt. Zij kunnen geen onwetendheid pleiten, en daarom zullen zij verloren gaan indien zij geen anderen pleitgrond hebben.
2. Het licht der wet. Dat hebben de Joden en die zullen daardoor geoordeeld worden, vers 12. Zo velen als er onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden. Zij zondigden niet alleen de wet hebbende, maar en nomooi, in de wet, temidden van zoveel wet, in het aangezicht en het licht van zulk een duidelijke en reine wet, welker aanwijzingen zo volkomen en stipt waren en waarvan de bevelen zo dringend en krachtig waren. Eerst den Jood, vers 9. Het zal Tyrus en Sidon verdraaglijker zijn in den dag des oordeels dan hun. Mozes beschuldigt hen, Johannes 5:45, en zij zijn onderworpen aan de vele slagen van hem, die den wil zijns meesters geweten en niet gedaan heeft, Lukas 12:47. De Joden verhovaardigden zich zeer op de wet, maar ter bevestiging van hetgeen hij gezegd had, toont de apostel in vers 13 aan, dat het hebben en horen en kennen van de wet hen niet zal rechtvaardigen, maar het volbrengen. De Joodse leraren bliezen hun discipelen op met het denkbeeld dat allen, die Joden waren, ongeacht hoe slecht zij geleefd hadden, een plaats in de toekomende wereld zouden krijgen. Daartegen komt de apostel hier in verzet, het was een groot voorrecht dat zij de wet hadden, maar het was geen zaligmakend voorrecht, tenzij zij geheel leefden naar de wet, die zij ontvangen hadden. Het is natuurlijk zeker dat geen der Joden zulks deed, en daarom hadden zij allen behoefte aan een andere gerechtigheid, waarin zij voor God verschijnen konden. Wij mogen dit ook toepassen op het Evangelie, niet het horen maar het doen daarvan zal ons zalig maken. Johannes 13:17, Jakobus 1:22.
3. Het licht van het Evangelie, en dienovereenkomstig zullen zij geoordeeld worden, die dat licht genoten hebben, vers 16. Naar mijn Evangelie, daarmee wordt niet bedoeld enig eigen Evangelie door Paulus geschreven, zoals sommigen fabelen, of het Evangelie door Lukas, als Paulus' penvoerder, geschreven, Euseb. Hist. III: Hoofdstuk 8, maar het Evangelie in het algemeen, dat Paulus hier het zijne noemt omdat ook hij het verkondigde. Zo velen als er onder die bedeling zullen geleefd hebben, zullen daarnaar geoordeeld worden, Markus 16:16. Sommigen brengen deze woorden: naar mijn Evangelie, in verband met hetgeen hij zegt van den oordeelsdag: "Er zal een dag des oordeels komen, zoals ik u in mijn prediking meermalen gezegd heb, en dat zal de dag zijn van het eindoordeel beiden van Joden en heidenen". Het is goed voor ons vertrouwd te geraken met hetgeen over dien dag geopenbaard is.
A. Er is een dag bepaald voor het algemeen oordeel. Die dag, de grote dag, Zijn dag is komende, Psalm 37:13.
B. Het oordeel van dien dag zal opgedragen zijn aan Jezus Christus. God zal oordelen door Jezus Christus, Handelingen 17:31. Dat zal een deel zijn van de beloning voor Zijn vernedering. Niets heeft meer schrikwekkends voor zondaren of meer vertroostends voor heiligen, dan dit, dat Christus de Rechter zal zijn.
C. De verborgenheden der mensen zullen dan geoordeeld worden. Verborgen diensten zullen beloond worden, verborgen zonden gestraft, verborgen dingen aan het licht gebracht. Dat zal de grote dag van openbaarmaking zijn, wanneer hetgeen in een hoek geschied is, voor de gehele wereld zal openbaar worden.