2 Timotheus 1:6-14
Hier is ene vermaning en opwekking voor Timotheus tot zijn plicht, vers 6. Ik maak u indachtig. De beste mensen hebben nodig indachtig gemaakt te worden, wat wij weten moet ons herinnerd worden, 2 Petrus 3:1. Ik schrijf u, opdat ik door vermaning uw oprecht gemoed opwek.
I. Hij vermaant hem: dat gij opwekt de gave Gods, die in u is. Oprakelen gelijk het vuur uit de as. Het wordt bedoeld van alle genadegaven, die God hem geschonken had, om hem tot het werk van een evangelist te bekwamen, de gaven van den Heiligen Geest, de buitengewone gaven, die hem geschonken waren door de oplegging van des apostels handen. Deze moest hij opwekken, hij moest ze oefenen en zo doen toenemen, gaven gebruiken en gaven verkrijgen. Hem die heeft dien zal gegeven worden, Mattheus 25:29. Hij moest alle gelegenheden aangrijpen om die gaven te gebruiken en ze daardoor opwekken, dat is de beste wijze om ze te doen toenemen. Hetzij de gave Gods in Timotheus gewoon of buitengewoon was (ik ben geneigd het laatste te denken) hij moest haar opwekken, anders zou ze verkwijnen. Die gave was in hem door oplegging van de handen des apostels, hetgeen naar mijne mening onderscheiden was van zijne ordening, want die was geschied door oplegging van de handen des ouderlingschaps, 1 Timotheus 4:14. Het is waarschijnlijk, dat Timotheus den Heiligen Geest in Zijn onderscheidene gaven en genaden ontvangen had door oplegging van de handen der apostelen (want ik geloof dat niemand dan de apostelen de macht had den Heiligen Geest te geven) en dat hij daarna, zo rijkelijk voor het werk der bediening toegerust, geordend was door de ouderlingen. Merk hier op:
1. De grote hinderpaal van nuttigheid en toeneming van onze gaven is slaafse vrees. Paulus waarschuwt Timotheus daartegen: God heeft ons niet gegeven een geest der vreesachtigheid, vers 7. Het was door lage vrees, dat de boze dienstknecht zijn talent begroef en er geen gebruik van maakte, Mattheus 25:25. God heeft ons daarom tegen de vrees gewapend, door dikwijls tot ons te zeggen: Vreest niet! Vreest niet voor het aangezicht van mensen, vreest niet voor de moeilijkheden, die gij op uw weg van plicht ontmoeten zult. God heeft ons verlost van den geest der vrees, en ons gegeven den geest der kracht, der liefde en der gematigdheid. De geest van kracht, of van moed en vastberadenheid bij het ontmoeten van moeiten en gevaren, den geest van liefde tot God, die ons helpt door den tegenstand heen, zoals Jakob geen bezwaar zag in den langen harden dienst om Rachels wil, de geest van liefde tot God zal ons verheffen boven de vrees voor mensen en voor alle kwaad, dat de mensen ons kunnen aandoen, en de geest der gematigdheid, of van een gezonde zielsrust des gemoeds, vreedzame vreugde inwendig, want wij worden dikwijls ontmoedigd in onzen weg en arbeid door spoken van onze eigen verbeelding en voorstelling, die door een kalme, degelijke, bedachtzame geestesgesteldheid gemakkelijk zouden overwonnen en verjaagd worden. 2 De geest, dien God den dienaren geeft, is niet vreesachtig, maar moedig, hij is een geest van kracht, want zij spreken in naam van Hem, die alle macht heeft in hemel en op aarde, hij is een geest der liefde, want de liefde tot God en tot de zielen der mensen bezielt de dienaren tot hun werk, en hij is een geest der gematigdheid, want zij spreken woorden van waarheid en eenvoud.
II. Hij vermaant hem op moeilijkheden te rekenen en zich daarvoor bereid te houden.
Schaam u dan niet der getuigenis onzes Heeren, noch mijns, die Zijn gevangene ben Schaam u dus niet voor het Evangelie of voor het getuigenis, dat gij er van afleggen moet. 1. Het Evangelie van Christus is iets, dat ons geen reden geeft om ons te schamen. Wij behoren ons ook niet te schamen voor hen, die ter wille van het Evangelie lijden. Timotheus moest zich niet schamen voor den goeden, ouden Paulus, ofschoon hij nu in banden was. Gelijk hij voor zich zelven niet bevreesd moest zijn om te lijden, zo moet hij niet bevreesd zijn om hen te erkennen die voor de zaak van Christus leden.
A. Het Evangelie is de getuigenis onzes Heeren, daardoor en daarin getuigt Hij van zich zelven, en door onze toestemming en belijdenis getuigen wij van en voor Hem.
B. Paulus was de gevangene des Heeren, Zijn gevangene, Efeze 4:1. Om zijnentwil was hij met een keten gebonden.
C. Wij hebben geen reden om ons te schamen voor de getuigenis onzes Heeren of voor Zijne gevangenen, indien wij hier voor een van beiden beschaamd zijn, zal Christus hiernamaals zich voor ons schamen. Maar lijd verdrukkingen met het Evangelie, naar de kracht Gods, dat is: verwacht verdrukkingen ter wille van het Evangelie, bereid er u op voor, reken er op, wees gewillig om uw aandeel te aanvaarden in het lijden der heiligen in deze wereld.
Lijd verdrukkingen met het Evangelie, of, gelijk men ook kan lezen: Deel in de verdrukkingen van het Evangelie, heb niet alleen gemeenschap met hen, die er voor lijden, maar wees bereid om gelijk zij en met hen te lijden. Indien te eniger tijd het Evangelie in verdrukking komt, dan moet hij, die hoopt door dat Evangelie te leven en zalig te worden, bereid zijn om die verdrukking mede te ondergaan. Merk hier op:
a. Alleen dan zullen wij instaat zijn die onderdrukkingen te dragen, wanneer wij kracht en moed daarvoor putten uit God, die ze ons te dragen geeft. Lijd verdrukkingen met het Evangelie, naar de kracht Gods.
b. Alle Christenen, maar vooral de dienaren, moeten verdrukkingen en vervolgingen ter wille van het Evangelie verwachten.
c. Deze zullen geëvenredigd zijn aan de kracht Gods, die ons gegeven wordt, 1 Corinthiërs 10:13.
2. De vermelding van God en het Evangelie doet hem spreken van de grote dingen, die God voor ons door het Evangelie gedaan heeft, vers 9, 10. Om hem in het lijden aan te moedigen, geeft hij twee beschouwingen.
A. De aard van dat Evangelie, waarvoor te lijden hij geroepen wordt, en de heerlijke en genadige bedoelingen en gevolgen die het heeft. Het was de gewoonte van Paulus, om wanneer hij Christus en diens Evangelie noemde, op dat onderwerp in te gaan en er over uit te weiden, zo vervuld was hij met hetgeen al onze zaligheid is en al onze begeerte behoorde te zijn. Merk hier op:
a. Het Evangelie bedoelt onze zaligmaking.
Hij heeft ons zalig gemaakt, en wij moeten niet veel denken aan het lijden om datgene, waardoor wij hopen zalig te worden. Hij heeft begonnen ons zalig te maken en zal het te zijner tijd voltooien, want God roept de dingen, die niet zijn en die nog niet voltooid zijn, alsof zij waren, Romeinen 4:17 en daarom staat hier: Hij heeft ons zalig gemaakt.
b. Het bedoelt onze heiligmaking: En geroepen met een heilige roeping, ons tot heiligheid geroepen. Het Christendom is ene roeping, een heilige roeping, het is de roeping, waardoor wij geroepen zijn, en de roeping, waartoe wij geroepen zijn om er in te werken. Allen, die hiernamaals gezaligd zullen worden, worden hier geheiligd. Overal, waar het Evangelie blijkt een werkelijke roeping te zijn, wordt het bevonden een heilige roeping te wezen, een roeping die hen heiligt, welke waarlijk geroepen zijn.
c. Zijn oorsprong is de vrije genade en het eeuwig voornemen van God in Christus Jezus. Indien wij het verdiend hadden, zou het zwaar vallen er voor te lijden, maar onze zaligmaking door het Evangelie is vrije genade en niet door onze werken, en daarom moet het ons niet te veel zijn om er voor te lijden. Deze genade wordt gezegd ons gegeven te zijn voor de tijden der eeuwen, dat is, in het voornemen van God van alle eeuwigheid, in Christus Jezus, want al de gaven Gods aan zondige mensen komen in en door Christus Jezus.
d. Het Evangelie is de bekendmaking van dit voornemen der genade. Het is nu geopenbaard door de verschijning van onzen Zaligmaker Jezus Christus, die van eeuwigheid in den schoot des Vaders was en volkomen kennis droeg van geheel Zijn genadig voornemen. Door Zijne verschijning werd dit genadig voornemen aan ons geopenbaard. Jezus Christus leed er voor, en zouden wij er niet voor willen lijden.
e. Door het Evangelie van Christus is de dood teniet gedaan. Hij heeft den dood teniet gedaan, niet alleen verzwakt, maar weggenomen, de macht des doods over ons verbroken, door de zonde weg te nemen heeft Hij den dood teniet gedaan, want de prikkel des doods is de zonde, 1 Corinthiërs 15:56, Hij heeft zijn eigenschap veranderd en zijn macht gebroken. De dood is ons van een vijand een vriend geworden, hij is de poort geworden, waardoor wij uit een moeitevolle, bedrieglijke en zondige wereld overgaan in een wereld van volmaakte vrede en reinheid, en zijn macht is gebroken, want de dood zegepraalt niet over hen, die het Evangelie geloven, maar zij zegepralen over hem. Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uwe overwinning? 1 Corinthiërs 15:55.
f. Hij heeft het leven en de onverderflijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie. Hij heeft ons de toekomende wereld duidelijker getoond dan onder enige voorafgaande bedeling, evenals de gelukzaligheid van die wereld en de zekere beloning van de gehoorzaamheid onzes geloofs, wij allen, als in een spiegel, zien de heerlijkheid Gods. Hij heeft die aan het licht gebracht, niet enkel ons voorgehouden, maar ons aangeboden, door het Evangelie. Laat ons daarom meer dan ooit dat Evangelie waarderen, want het heeft het leven en de onverderflijkheid aan het licht gebracht, en daarom is het uitnemend boven alle vroegere openbaringen. Het is het Evangelie van leven en onverderflijkheid, gelijk het ons die heeft geopenbaard, het leidt ons in den rechten weg daarheen, en geeft ons de gewichtigste beweegredenen om al onze krachten in te spannen ten einde heerlijkheid, eer en onverderflijkheid na te jagen.
B. Zie het voorbeeld van den gezegenden Paulus, vers 11, 12. Hij was aangesteld om het Evangelie te verkondigen en bepaaldelijk om de heidenen te onderwijzen. Hij achtte het een zaak, waardig om voor te lijden, en waarom zou Timotheus niet evenzo doen? Niemand behoeft bevreesd of beschaamd te zijn wanneer hij lijdt ter wille van het Evangelie.
Ik word niet beschaamd, zegt Paulus, want ik weet wie ik geloofd heb, en ik ben verzekerd dat Hij machtig is mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag. Merk hier op:
a. Godvrezenden lijden veel voor de beste zaak ter wereld. Om welke oorzaak ik ook deze dingen lijde, dat is, om mijn prediken en vasthouden van het Evangelie.
b. Zij moeten niet beschaamd zijn, de oorzaak van hun lijden zal hen dragen, maar zij die hen tegenstaan zullen met schaamte bekleed worden.
c. Zij, die in Christus geloven, weten wie zij geloofd hebben. De apostel spreekt met heilige zegepraal en opgewektheid, alsof hij zei: "Ik sta op vasten grond. Ik weet dat ik mijn zaak aan de beste handen toevertrouwd heb." En ik ben verzekerd, enz. Wat moeten wij Christus toevertrouwen? De zaligheid onzer zielen en onze bewaring voor het hemels koninkrijk, en wat wij Hem daarin toevertrouwen, zal Hij bewaren. Er komt een dag, waarop naar onze zielen zal gevraagd worden: "Mens, u is een ziel gegeven, wat hebt gij met haar gedaan? Aan wie hebt ge haar gegeven, aan God of aan Satan? Hoe hebt gij haar gebruikt, in dienst der zonde of in dienst van Christus?" Er komt een dag, en het zal een zeer plechtige en belangrijke dag zijn, waarop wij rekenschap moeten geven van ons rentmeesterschap, Lukas 16:2, rekenschap geven van onze zielen. Indien wij nu door een levend, gehoorzaam geloof onze zielen aan Jezus Christus toevertrouwen, kunnen wij verzekerd zijn, dat Hij machtig is ze te bewaren, en dien dag onze troost en sterkte zal zijn.
III. Hij vermaant hem om te houden het voorbeeld der gezonde woorden, vers 13.
1. Wij kunnen ook lezen: Heb een vorm der gezonde woorden, een korten inhoud, een catechismus, een uittreksel van de eerste beginselen van den godsdienst, volgens de Schrift, een schema van gezonde woorden, een kort begrip van het Christelijk geloof, in eenvoudige taal, door uzelf voor eigen gebruik uit de Heilige Schrift getrokken. Doch wellicht wordt met de gezonde woorden de Heilige Schrift zelf bedoeld.
2. Hebbende dat, houd het, herinner het u, houd er aan vast. Houd het vast in tegenstelling tegen alle ketterijen en valse leerstellingen, die het Christelijk geloof bederven. Houd het vast, dat gij van mij gehoord hebt. Paulus was goddelijk geïnspireerd. Het is goed ons te houden aan de gezonde woorden en vormen, die wij in de Schrift vinden, want daarvan zijn wij zeker dat ze goddelijk ingegeven zijn. Dat is gezonde taal, die niet verwerpelijk is, Titus 2:8. Maar hoe moeten wij ze vasthouden? In geloof en liefde, dat is: wij moeten toestemmen dat het een getrouw woord is, en het welkom heten als aller aanneming waardig. Houd het vast in een goed hart, dat is de ark des verbonds, waarin de tafelen beide van wet en Evangelie het veiligst en het voordeligst bewaard worden, Psalm 119:11.. Geloof en liefde moeten samengaan, het is niet genoeg de gezonde woorden te behouden en er instemming mede te betuigen, maar wij moeten ze liefhebben, hun waarheid geloven en hun goedheid liefhebben, en wij moeten den vorm der gezonde woorden in liefde verbreiden, sprekende de waarheid in liefde, Efeze 4:15. Geloofde en liefde, die in Christus Jezus zijn, het moet Christelijk geloof en liefde zijn, geloof en liefde gegrond in Christus Jezus, door wie God spreekt tot ons en wij spreken tot Hem. Timotheus, als dienaar, moest de gezonde woorden houden, ten voordele van anderen. Of helende woorden, zo kan men het ook lezen, er is genezende kracht in het Woord van God, Hij zendt Zijn woord en heelt hen. Hetzelfde wordt bedoeld in vers 14 :Bewaar het goede pand, dat u toevertrouwd is, door den Heiligen Geest, die in u woont. Dat goede pand was de vorm der gezonde woorden, de Christelijke leer, die Timotheus was toevertrouwd in zijn doop en opvoeding als Christen, en in zijn ordening als dienaar. Merk hier op:
A. De Christelijke leer is een ons toevertrouwd pand. Het is toevertrouwd aan de Christenen in het algemeen en aan de dienaren in het bijzonder. Het is een goed pand, van onuitsprekelijke waarde in zichzelf, en dat van onuitsprekelijk voordeel voor ons zal zijn, het is een goed pand, een onschatbaar juweel, en ontdekt ons de onnaspeurlijke rijkdommen van Christus, Efeze 3:8. Het is ons toevertrouwd om rein en volkomen bewaard te blijven, en overgedragen te worden aan degenen, die na ons komen, en wij moeten het bewaren, en er niets aan toevoegen, dat zijn reinheid zou bederven, zijn macht verminderen of zijn volmaaktheid schade aanbrengen. Bewaar het door den Heiligen Geest, die in ons woont. -Zelfs zij, die zo goed mogelijk zijn onderwezen, kunnen niet bewaren hetgeen zij geleerd hebben, evenmin als zij eerst iets leren konden, zonder den bijstand van den Heiligen Geest. Wij moeten niet menen, dat wij het door eigen kracht kunnen bewaren, maar het vasthouden door den Heiligen Geest.
B. De Heilige Geest woont in alle goede dienaren en Christenen, zij zijn Zijne tempels en Hij bekwaamt hen om het Evangelie zuiver en onverminkt te bewaren, en zij moeten hun beste krachten inspannen om het goede pand te houden, want de bijstand en inwoning des Geestes ontslaan ons niet van onze pogingen, beide moeten samengaan.