17. Vertroost (vgl.
Colossenzen 4:8 met
Efeze 6:22) uw hart en versterkt u, zodat u mag vaststaan in alle goed woord en werk.
De vermaning in Vers 15 gaat in deze beide verzen over in een biddende wens, waarmee dit hoofddeel van de brief op deze manier sluit, als met het eerste deel in de eerste brief (1 Thessalonicenzen. 3:11) het geval was. De apostel noemt ditmaal de Heere Jezus eerst, omdat hij daardoor aan de laatst voorafgegane benaming van de Heere (aan het slot van vers 14) zich aansluit en omdat hij Hem, die onze God en Vader is, zoals Jezus, onze Heere, als degene wil voorstellen, die ons heeft liefgehad en, van Zijn liefde wat als betoning moet worden aangezien, ons een vertroosting gegeven heeft, die nooit verdwijnt en een goede hoop. Deze beide gaven noemt Paulus, zich aansluitend aan de wezenlijke inhoud van de brief, als welke betrekking heeft op de druk van de gemeente, die de openbaring van Christus voorafgaat. Wat de lezers wordt toegewenst komt dan aan de ene kant overeen met de eeuwige vertroosting, namelijk: "vertroost uw hart", aan de andere kant met de goede hoop, in zoverre er een standvastig blijven in het goede werk en woord, waarvoor zij staan, nodig is, opdat zij de hun gegeven hoop niet verliezen. Zij staan echter in het goede werk door de kracht van de heiligmaking van de Geest (Vers 13) en in het goede woord door het geloof van de waarheid, want hun goeddoen bestaat daarin, dat zij de Geest, die hen geheiligd heeft, laten werken en het goede woord, dat zij bezitten, is het woord van de waarheid, dat zij gelovig hebben aangenomen.
Door vermaning worden wij in alle goede woord, door versterking van onze harten in alle goed werk bevestigd.