Prediker 2:12-16
Salomo had eerst onderzocht welke voldoening er gevonden kon worden in geleerdheid, en daarna in zingenot, en had beide ook samengevoegd, nu vergelijkt hij ze hier met elkaar, en spreekt er zijn oordeel over uit.
1. Hij begeeft er zich toe om beide wijsheid en dwaasheid te bezien. Hij had ze tevoren reeds bezien en overdacht, HOOFDSTUK 1:1-7, maar, opdat men niet zou denken dat hij toen te haastig was in zijn oordeel, wendde hij zich wederom om ze te bezien, en om te zien of hij bij een nadere beschouwing en bij nader bedenken er meer voldoening in kon vinden dan in het eerst. Hij was zijn vermaken zat en keerde er zich met walging van af, om zich nu opnieuw tot bespiegeling te begeven, en indien bij een tweede onderzoek van de zaak de uitspraak nog dezelfde is, dan moet het oordeel beslissend wezen, want wat kan de mens doen, die na de koning komen zal? Inzonderheid na zo'n koning, die zoveel van de wereld had om er proefnemingen op te doen, en zoveel wijsheid om ze te doen. De mislukte proef behoeft niet herhaald te worden. Niemand kan verwachten meer voldoening in de wereld te vinden dan Salomo erin gevonden heeft, noch een dieper inzicht te krijgen in de beginselen van de zedelijkheid, als iemand gedaan heeft, wat hij kan dan is het toch nog hetgeen reeds gedaan is. Laat ons leren:
a. Ons niet toe te geven in de ijdele waan, dat wij kunnen verbeteren hetgeen voor ons reeds goed gedaan was, laat ons anderen uitnemender achten dan onszelf en bedenken hoe ongeschikt wij zijn om de verbetering te beproeven van hetgeen betere hoofden en handen dan de onze verricht hebben, en veeleer erkennen hoeveel wij hun verplicht zijn, Johannes 4:37, 38.
b. Te berusten in Salomo's oordeel over de dingen van deze wereld, en er niet aan te denken om de proefneming te herhalen. want wij kunnen niet denken dat wij de gunstige omstandigheden kunnen hebben, die hij gehad heeft om de proefneming te doen, noch dat wij haar met even weinig gevaar voor onszelf zouden kunnen doen.
2. Hij geeft verreweg de voorkeur aan wijsheid boven dwaasheid. Laat niemand hem misverstaan, alsof wanneer hij van de ijdelheid spreekt van de menselijke letterkunde, hij slechts de mensen wilde vermaken met een paradox, of dat hij zoals een zeer geestig man eens gedaan heeft een "Encomium moriae, een Lof van de zotheid" ging schrijven, neen, hij houdt vast aan heilige waarheden, houdt die hoog, en daarom is hij zorgvuldig op zijn hoede tegen misverstaan te worden. Spoedig zag ik, zegt hij, dat de wijsheid uitnemendheid heeft boven de dwaasheid, gelijk het licht uitnemendheid heeft boven de duisternis. Hoewel de genoegens van de wijsheid niet volstaan om de mensen gelukkig te maken, gaan zij de genoegens van de wijn toch zeer ver te boven. Wijsheid verlicht de ziel door verrassende ontdekkingen, en noodzakelijke aanwijzingen voor het juiste bestuur van zichzelf, maar zinnelijkheid (want dat schijnt inzonderheid de dwaasheid te zijn, die hier bedoeld wordt) omfloerst en verduistert de geest, en is er als duisternis voor, zij steekt de mensen de ogen uit, doet hen struikelen op de weg, doet hen ervan afdwalen. Of, hoewel wijsheid en kennis de mens niet gelukkig zullen maken Paulus toont ons een uitnemender weg dan die van gaven en talenten, en dat is de weg van de genade is het met betrekking tot onze tegenwoordige veiligheid, aangenaamheid des levens en nuttigheid voor anderen, toch beter ze te hebben dan ze te ontberen, want de ogen van de wijzen zijn in zijn hoofd, vers 14, waar zij behoren te wezen, gereed om beide de gevaren te ontdekken, die vermeden moeten worden, en de voordelen, waarvan een goed gebruik moet worden gemaakt. Een wijze behoeft niet naar zijn verstand te zoeken op het ogenblik wanneer hij het moet gebruiken, maar ziet om zich heen, ziet vlug en scherp, weet waar hij moet voortgaan en waar hij moet stilstaan, maar de zot wandelt in duisternis, zodat hij niet weet waarheen zijn schreden te richten. Een verstandig bedachtzaam man is meester van zijn zaak, handelt betamelijk en op veilige wijze, zoals degenen, die des daags wandelen, maar die roekeloos, onwetend en dwaas is, maakt voortdurend vergissingen, loopt de een of andere afgrond tegemoet, zijn plannen, zijn kopen en verkopen, het is alles even dwaas, en strekt tot verderf van zijn zaken. En daarom: verkrijg wijsheid, verkrijg verstand.
3. Toch houdt hij vol dat met betrekking tot duurzaam geluk en wezenlijke voldoening, de wijsheid van deze wereld de mens zeer weinig voordeel oplevert, want
A. Wijzen en dwazen zijn gelijk. "Wel is waar heeft de wijze zeer veel voor op de dwaze, ten opzichte van voorzien en van inzicht, maar toch met de grootste waarschijnlijkheid op succes, faalt men toch dikwijls om het te behalen, zodat ik zelf bemerkt heb, en ervaren heb, dat generlei geval hen allen bejegent, vers 14. Zij, die het voorzichtigst zijn met betrekking tot hun gezondheid, zijn even spoedig ziek als zij, die er het minste zorg voor dragen, en ook de achterdochtigsten worden om de tuin geleid en bedrogen." David had opgemerkt dat wijze mensen sterven en delen in hetzelfde lot met de dwazen, Psalm 49:13. Zie HOOFDSTUK 9:11. Ja, het is van ouds opgemerkt geworden dat de fortuin de dwazen begunstigt, dat mensen van een zwak verstand dikwijls het voorspoedigst zijn terwijl zij, die met het meeste beleid en de grootste zorg hun plannen beraamd hebben, die niet zelden zien mislukken. Dezelfde ziekte, hetzelfde zwaard verteert wijzen en dwazen.
Salomo past die vernederende opmerking toe op zichzelf, vers 15, opdat hij, ofschoon hij een wijs man was, niet zou roemen in zijn wijsheid, dus zei ik tot mijn hart toen het hoogmoedig of gerust begon te worden: gelijk het de dwaze bejegent, zal het ook mijzelf bejegenen, ja ook mij, want met zoveel nadruk spreekt het oorspronkelijke. Aldus wedervaart het ook mij. Een ik rijk? Dat is ook menige Nabal, die even vrolijk en prachtig leeft als ik. Is een dwaze ziek, doet hij een val? Ik ook, ja, ik ook, en noch mijn rijkdom, noch mijn wijsheid zal mij tot beveiliging zijn. Waarom heb ik dan toen meer naar wijsheid gestaan? Waarom doe ik zoveel moeite om wijsheid te verkrijgen, daar zij mij toch voor dit leven van zo weinig dienst is? Toen sprak ik in man hart, dat ook dit ijdelheid was. Sommigen houden dit voor een correctie van hetgeen tevoren gezegd was zoals in Psalm 77:11. Ik zei: Dit is mijn zwakheid, het is mijn dwaasheid te denken, dat wijzen en dwazen gelijk zijn, maar in de uitkomst schijnen zij het werkelijk te zijn, en daarom is het veeleer een bevestiging van hetgeen hij tevoren gezegd had, namelijk dat iemand een groot wijsgeer en staatsman kan zijn en toch geen gelukkig man zijn.
B. Wijzen en dwazen worden gelijkelijk vergeten, vers 16. Daar zal in eeuwigheid niet meer gedachtenis van een wijze dan van een dwaas zijn. Er is de rechtvaardigen beloofd dat zij in eeuwige gedachtenis zullen wezen, en dat hun gedachtenis tot zegening zal zijn, en dat zij weldra zullen blinken als de sterren, maar er is geen zodanige belofte gedaan betreffende de wijsheid van de wereld, dat deze van de mensen naam in eeuwige gedachtenis zal doen blijven want die namen alleen zijn in gedachtenis, welke geschreven zijn in de hemel, want anders zijn de namen van de wijzen van deze wereld met die van de dwazen in het stof geschreven, hetgeen nu is wordt in de toekomende dagen allemaal vergeten. Hetgeen waarvan in het ene geslacht veel werd gesproken, is in het volgende geslacht alsof het er nooit geweest was. Nieuwe personen en nieuwe dingen verdringen tot zelfs de gedachtenis van de oude, waarop binnen weinig tijd met minachting zal neergezien worden totdat zij ten slotte in vergetelheid worden begraven. Waar is de wijze? waar is de onderzoeker van deze eeuw? 1 Corinthiers 1:20. En deswege vraagt hij: Hoe sterft de wijze? Met, of gelijk als de zot. Tussen de dood van een godvruchtige en een goddeloze is een zeer groot verschil, maar niet tussen de dood van een wijze en van een dwaas, de dwaas wordt begraven en vergeten, Hoofdstuk 8:10, en geen mens gedacht aan de arme man, die door zijn wijsheid de stad had verlost, Hoofdstuk 9:15 zodat voor beide het graf een land van de vergetelheid is, ren als wijze en geleerde mannen daar voor een poos uit het gezicht zijn geweest dan geraken zij ook uit de gedachtenis, een nieuw geslacht staat op, Dat hen niet gekend heeft.
Wijze mensen hebben behagen in werk, zij zijn in hun element als zij in hun werk bezig zijn, en zij klagen als zij buiten werk of zaken zijn. Soms kunnen zij vermoeid zijn van hun werk, maar zij zijn het niet zat, en zouden het niet willen opgeven. Men zou hier dus verwachten het goede te vinden, dat de mens doen moet, maar Salomo heeft ook dit beproefd na een bespiegelend leven te hebben geleid en een leven van weelde en genot, begon hij een bedrijvig, werkzaam leven te leiden, en vond er niet meer voldoening in dan hij in de vorige levenswijzen gevonden had, het is nog altijd: ijdelheid en kwelling van de geest, en in deze verzen geeft hij hier een bericht van. Wij hebben op te merken:
I. Wat het werk was, waar hij de proef van nam, het was werk onder de zon, vers 17-20, betreffende de dingen van deze wereld, ondermaanse dingen, de rijkdom, de vele genietingen van deze tegenwoordige tijd, het was het werk van een koning.Er is werk boven het zijne, eeuwigdurend werk, dat een eeuwigdurende zaligheid is, wat hij doet in overeenstemming met dat werk Gods wil doende. Zoals in de hemel gedaan wordt zal goeds voor ons opleveren, wij zullen geen reden hebben om dat werk te haten, noch om er aan te wanhopen, maar het is van arbeid onder de zon werk voor de spijze, die vergaat, Johannes 6:27, Jesaja 55:2, dat Salomo hier met zo weinig voldoening spreekt. Het was het betere soort van werk, niet dat van de houthouwers en waterputters (het is niet te verwonderen, dat de mensen dit soort van werk haten), maar het was in wijsheid en in wetenschap en in geschiktheid vers 21. Het was redelijk werk, dat betrekking had op de regering van zijn koninkrijk en de bevordering van hun belangen. Het was werk, bestuurd door de voorschriften van de wijsheid van natuurlijke en verkregen kennis en de voorschriften van de gerechtigheid, het was werk in de raadzaal en in de gerechtshoven, het was werk waarin hij zich wijs betoonde vers 19, hetwelk het werk, waarin de mensen zich slechts sterk betonen, even ver overtreft als de gaven van de geest, door welke wij verwant zijn aan de engelen, de gaven en krachten van het lichaam overtreffen, die wij met de dieren gemeen hebben. Wat vele mensen meer dan iets anders op het oog hebben bij het verrichten van hun wereldlijk werk is zich wijs te betonen, teneinde als vernuftige lieden bekend te staan, mensen van verstand en van ijver.
II. Ook dit werk begon Salomo tegen te staan.
1. Hij haatte al zijn arbeid, omdat hij er de voldoening niet in vond, die hij had verwacht. Toen hij zijn fraaie huizen en hoven en waterwerken had, begon hij ze spoedig moe te worden, zag hij er met minachting op neer, zoals kinderen, die zeer begerig zijn naar een stuk speelgoed, er in het eerst ook van houden, maar het na er een poos mee gespeeld te hebben, moe worden en het wegwerpen, en dan wat anders moeten hebben. Dit toont geen godvruchtig haten van de dingen, die wij minder moeten liefhebben dan God en godsdienst, Lukas 14:26, noch een zondig haten ervan, dat onze dwaasheid is, de plaats moe zijnde, die God ons heeft toegewezen en het werk ervan, maar een natuurlijk haten ervan, voortkomende uit oververzadiging ervan, en een gevoel van teleurstelling erin. 2. Hij keerde zich om, om zijn hart te doen wanhopen over al zijn arbeid, vers 20. Hij gaf zich moeite om zich te doordringen van een diep besef van de ijdelheid van de wereldlijke zaken dat zij hem het voordeel en de voldoening niet zouden geven, waarop hij tevoren gehoopt had. Ons hart is zeer onwillig om de verwachting op te geven van grote dingen van het schepsel, wij moeten er mee redeneren om het te overtuigen dat er in de dingen van deze wereld niet datgene is, dat wij er ons zo graag van geloven. Hebben wij zo dikwijls in deze aarde gegraven om er een rijke mijn van voldoening in te vinden, zonder er het minste teken van te kunnen vinden, maar werden wij altijd teleurgesteld in dat onderzoek en zullen wij dan ten slotte ons hart tot rust brengen, en er aan wanhopen om haar te vinden?
3. Hij kwam er ten slotte toe om het leven zelf te haten, omdat het onderhevig is aan zoveel zwoegen en beroering en aan een gestadige reeks van teleurstellingen. God had aan Salomo zo'n ruim hart gegeven en zo grote geestvermogens, dat hij meer de andere mensen de onbevredigende aard ervoer van de dingen van het leven en hun ongenoegzaamheid om ons gelukkig te maken. Het leven zelf, dat de mens zo dierbaar is en voor een godvruchtig mens zo'n zegen is, kan de man van zaken tot een last worden.
III. De redenen van deze twist met zijn leven en zijn arbeid. Er waren twee dingen, waardoor hij ze moe werd.
1. Dat zijn werk zo zwaar was voor hemzelf, want het werk, dat hij onder de zon gewrocht had, docht hem kwaad, het was hem smartelijk, vers 17. Zijn gedachten er over en zijn zorg ervoor, de gedurige inspanning van de geest die er voor vereist werd, waren hem een last en een vermoeienis, inzonderheid toen hij oud was geworden. Het is de uitwerking van een vloek over hetgeen, waarop wij moeten werken. Onze bezigheid wordt het werk en de smart onder handen genoemd, vanwege het aardrijk, dat de Heer vervloekt had, Genesis 5:29, en de verzwakking van de vermogens, waarmee wij moeten werken, en het vonnis, dat over ons werd uitgesproken, dat wij in het zweet van ons aanschijn ons brood moeten eten. Onze arbeid wordt de kwelling van ons hart genoemd, vers 22, hij is voor de meesten een geweld doen aan zichzelf, zo natuurlijk is het voor ons om ons gemak lief te hebben. Van een man van zaken wordt gezegd dat hij onrust heeft bij zijn uitgaan en zijn inkomen, vers 23.
a.Hij wordt beroofd van zijn genoegen bij dag, want al zijn dagen zijn smarten, niet slechts smartelijk, maar smarten zelf, ja velerlei smarten, zijn arbeid van de hele dag is smart. Mannen van zaken ontmoeten telkens iets, dat een kwelling voor hen is, en een aanleiding van smart voor hen wordt. Zij zijn licht geneigd tot gemelijkheid, en hoe meer zij in de wereld te doen hebben, hoe meer zij zich verbitteren. De wereld is een tranendal, zelfs voor hen, die er veel in bezitten. Van hen, die vermoeid zijn, wordt gezegd dat zij belast zijn, en daarom worden zij tot Christus geroepen om te rusten, Mattheus 11:28.
b. Hij wordt gestoord in zijn rust bij nacht. Als hij moe is van al het haasten en harrewarren bij dag, en hoopt verlichting te vinden als hij zijn hoofd op het kussen legt, dan wordt hij teleurgesteld, de zorgen houden zijn ogen wakende, of, zo hij slaapt, waakt toch zijn hart en rust niet. Zie welke dwazen zij zijn, die zich tot slaven van de wereld maken, en God niet maken tot hun rust, zij kunnen niet anders dan dag en nacht onrustig zijn, zodat met betrekking tot geheel de zaak het al ijdelheid is, vers 17. Dit inzonderheid is ijdelheid, vers 19, 23, ja het is ijdelheid en een groot kwaad vers 21. Het is een grote belediging van God en een groot nadeel voor henzelf, en daarom een groot kwaad. Het is ijdel om vroeg op te staan en laat op te blijven, teneinde de goederen van deze wereld te verkrijgen, die nooit bestemd waren om ons voornaamste goed te zijn.
2. Dat het gewin van zijn werk aan anderen nagelaten moet worden. Vooruitzicht op voordeel is de drijfveer van de handeling, en de prikkel tot vlijt, de mensen arbeiden omdat zij op winst ervan hopen, indien die hoop faalt, verslapt de arbeid, en daarom twistte Salomo met al de werken, die hij gemaakt had, omdat zij hem geen duurzaam voordeel opleverden.
A. Hij moet ze achterlaten. Hij kon ze in de dood niet meenemen, zelfs geen deel ervan, en hij zal er ook niet toe terugkeren, Job 7:10, ook zal de gedachte ervan hem geen goed doen, Lukas 16:25. Maar ik moet alles achterlaten aan een mens, die na mij wezen zal, aan het geslacht, dat opkomt in de plaats van dat hetwelk heengaat. Gelijk er velen voor ons geweest zijn, die de huizen bouwden, waarin wij wonen, en tot wier aankopen en arbeid wij zijn ingegaan, zo zullen er velen na ons zijn, die wonen zullen in de huizen, die wij bouwen en de vruchten van onze aanknoen en onze arbeid zullen genieten. Nooit is een land verloren gegaan uit gebrek aan een erfgenaam. Voor een godvruchtige ziel is hier niets verontrustends in, waarom zouden wij aan anderen misgunnen dat zij op hun beurt de genietingen van de wereld hebben, en er niet veeleer genoegen in vinden, dat, wanneer wij heengegaan zijn het hun, die na ons komen, te beter zal gaan om onze wijsheid en naarstigheid? Maar voor een wereldsgezind hart, dat zijn geluk zoekt in het schepsel, is het een grote kwelling te denken om het beminde geld en goed achter te laten, bij deze onzekerheid:
B. Dat hij het moet achterlaten aan hen, die er zich nooit zoveel moeite voor gegeven zouden hebben, en daarom zal hij zich voor verontschuldigd houden, om er nog verder moeite en zorg aan te besteden. Hij, die zich het bezit heeft verkregen, heeft het zich verkregen door te werken in wijsheid en wetenschap en geschiktheid, maar hij die er de vruchten van geniet het misschien doorbrengt heeft daaraan niet gearbeid, vers 21, ja hij zal er nooit aan arbeiden, de bij werkt om de hommel te onderhouden. Ja het blijkt een strik voor hem te zijn, het wordt hem achtergelaten voor zijn deel, waarin hij rust, waarop hij steunt, en wel is hij rampzalig, aan wie alleen dit als zijn deel gegeven wordt. Want indien hij niet op zo gemakkelijke wijze aan een bezitting was gekomen, wie weet of hij dan niet zelf vlijtig en odsdienstig ware geworden? Maar wij behoeven ons daarmee niet te kwellen, daar het toch ook anders kan uitvallen, zodat hetgeen op goede eerlijke wijze verkregen werd, iemand ten deel zal vallen, die er een goed gebruik van maakt, er goed mee doet.
C. Hij weet niet aan wie hij het moet nalaten (want God maakt erfgenamen) of tenminste wat hij zal blijken te zijn, aan wie hij het nalaat, of hij een wijs man zal zijn, of een dwaas, een wijs man, die het zal vermeerderen of een dwaas die het te gronde zal richten, toch zal hij heersen over al mijn arbeid, en dwaas ongedaan maken wat zijn vader in wijsheid gedaan heeft. Waarschijnlijk heeft Salomo dit met diepgevoelde smart geschreven, vrezende voor hetgeen Rehabeam zou blijken te zijn. In zijn verklaring van deze schriftuurplaats past Hiëronymus dit toe op de boeken, die Salomo geschreven had, en waarin hij zich wijs had betoond, maar hij wist niet in wiens handen zij zouden vallen, misschien in de handen van een dwaas, die naar de verdorvenheid van zijn hart een slecht gebruik zou maken van hetgeen goed geschreven was. Zodat hij met betrekking tot de gehele zaak vraagt: Wat heem toch de mens van al zijn arbeid? vers 22. Wat heeft hij voor zichzelf en voor zijn eigen gebruik? Wat heeft hij, dat met hem naar een andere wereld zal gaan? IV. Het beste gebruik, dat daarom van de rijkdom van deze wereld gemaakt moet worden, en die bestaat in hem blijmoedig te gebruiken, er het gerieflijke van te genieten, en er goed mee te doen. Daarmee eindigt hij het hoofdstuk, vers 24-26. Er is in deze dingen geen waar geluk te vinden, zij zijn ijdelheid, en indien er geluk van verwacht wordt, dan zal de teleurstelling kwelling van de geest zijn, maar hij zal ons helpen om er het beste van te maken en er het ongerief van te vermijden, dat hij had opgemerkt.
1. Wij moeten ons niet overwerken, zodat wij, om maar meer te verkrijgen ons beroven van het genot van hetgeen wij hebben.
2. Wij moeten niet al te veel vergaren voor later, het genot niet verliezen van hetgeen wij hebben, om maar op te leggen voor hen, die na ons komen zullen, maar onszelf het eerst bedienen.
Merk op:
A. Wat het goede is, dat ons hier wordt aanbevolen, en dat het uiterste genoegen en voordeel is, dat wij uit de zaken en het gewin van deze wereld kunnen verkrijgen, en het uiterste dat wij kunnen doen om het te redden van de ijdelheid en de kwelling, die er in gelegen zijn.
a. Wij moeten er onze plicht mee doen, en er meer in zorg over zijn hoe een bezitting goed te gebruiken voor het doel, waartoe zij ons toevertrouwd werd, dan hoe een bezitting te verkrijgen of te vermeerderen. Dit gordt te kennen gegeven in vers 26, waar alleen diegenen gezegd worden de vertroosting van dit leven te hebben, die goed zijn voor Gods aangezicht, goed zijn in Gods ogen, waarlijk goed zijn, zoals Noach, die God rechtvaardig voor Zijn aangezicht had gezien. Wij moeten God gedurig voor ons stellen, en ons benaarstigen om Hem in alles welbehaaglijk te zijn. De Chaldeeuwse parafrase zegt: Een mens behoort zijn ziel het goede te doen genieten door Gods geboden te onderhouden, en te wandelen in de wegen, die recht zijn voor Zijn aangezicht, en, vers 25 door de woorden van de wet te bestuderen, en in zorg te zijn voor de toekomenden grote dag van het oordeel.
b. Wij moeten er de vertroosting van smaken. Die dingen zullen geen geluk aanbrengen voor de ziel, al het goede dat wij er uit kunnen hebben, is voor het lichaam, en als wij er gebruik van maken voor het aangename onderhoud daarvan, zodat het instaat is om het lichaam te dienen, en er gelijke tred mee te houden in de dienst van God, dan leveren zij voordeel op. Er is dus ten opzichte van deze dingen niets beter voor de mens dan er zich een sober en blijmoedig gebruik van te veroorloven naar zijn rang en omstandigheden zijn, er spijs en drank van te hebben voor zichzelf, zijn gezin, zijn vrienden, en aldus zijn zinnen te verlustigen, en zijn ziel het goede doen genieten, al het goede, dat er uit te krijgen is, laat dat niet teloor gaan in het najagen van het goede, dat er niet uit te krijgen is. Doch merk op: Hij wil niet dat wij de zaken, het werk opgeven en maar ons gemak zullen nemen, dat wij mogen eten en drinken, neen, wij moeten het goede genieten in onze arbeid, wij moeten deze dingen gebruiken, niet om ons vrij te stellen van, maar om ons naarstig en blijmoedig te maken in onze wereldlijke arbeid.
c. Wij moeten hierin God erkennen, wij moeten zien dat het van de hand Gods is.
Ten eerste. De goede dingen zelf, die wij genieten, zijn dit, niet slechts de voortbrengselen van Zijn scheppende macht, maar de gaven van Zijn voorzienige milddadigheid jegens ons. En dan zijn zij ons wezenlijk aangenaam en lieflijk, als wij ze aannemen uit de hand van God als een Vader, als wij Zijn wijsheid zien in ons te geven wat het geschiktst voor ons is, Zijn liefde en goedheid proeven en smaken, en er dankbaar voor zijn.
Ten tweede. Een hart om ze te genieten is dit, dat is de gave van Gods genade. Tenzij Hij ons wijsheid geeft om recht gebruik te maken van hetgeen Hij ons in Zijn voorzienigheid geschonken heeft en daarbij vrede van het gemoed, zodat wij Gods gunst zien in het vriendelijke van de wereld, kunnen wij onze ziel het goede ervan niet doen genieten.
B. Waarom wij dit op het oog moeten hebben in het bestuur van onszelf ten opzichte van deze wereld, en er tot God voor moeten opzien.
a. Omdat Salomo zelf met al zijn bezittingen niets meer kon beogen, en niets beters kon begeren, vers 25. Wie zou zich daartoe haasten meer dan ik zelf? Dat is het waarnaar mijn eerzucht uitging, niets meer heb ik begeerd, en zij, die slechts weinig hebben in vergelijking met wat ik heb, kunnen er toe komen om tevreden te zijn met wat zij hebben en er het goede van te genieten. Maar Salomo kon het niet verkrijgen door zijn eigen wijsheid, zonder de bijzondere genade van God, en daarom leidt hij er ons toe om het te verwachten van de hand Gods, en er Hem om te bidden.
b. Omdat rijkdom een zegen of een vloek is voor de mens, naar hij een hart heeft of niet heeft, om er een goed gebruik van te maken.
Ten eerste. God maakt hem tot een beloning voor een godvruchtige, als Hij hem met de rijkdom wijsheid en kennis en blijdschap geeft om er zelf goedsmoeds van te genieten, en er liefderijk aan anderen van mee te delen. Aan hen, die goed zijn voor Gods aangezicht, die van een goede gezindheid zijn, eerlijk en oprecht zijn, eerbied betonen aan hun God, en een tere zorg hebben voor geheel het mensdom, zal God wijsheid en kennis geven in deze wereld, en blijdschap met de rechtvaardigen In de toekomende wereld, aldus de Chaldeeër. Of Hij zal die wijsheid en kennis in natuurlijke zedelijke, politieke en goddelijke dingen geven, die een bestendige blijdschap en genoegen voor hen zijn zal.
Ten tweede. Hij maakt hem tot een straf voor een slecht mens, als Hij hem een hart onthoudt om er het aangename van te genieten, want hij is slechts tandtergend voor hem en tiranniseert hem. De zondaar geeft Hij bezigheid door hem aan zichzelf over te laten en aan zijn dwaze beraadslagingen, om te verzamelen en te vergaderen hetgeen wat hemzelf betreft, niet slechts dik slijk op hem laadt, Habakuk 2:6, maar hem tot een getuigenis zal zijn en zijn vlees als een vuur zal verteren, Jakobus 5:3, terwijl God het door een allesbesturende voorzienigheid zal geven aan hem, die goed is voor Zijn aangezicht, want het vermogen des zondaars is voor de rechtvaardige weggelegd, en vergaderd voor hem die zich ontfermt over de arme. De godzaligheid met vergenoegdheid is een groot gewin en alleen zij hebben ware vreugde, die goed zijn voor Gods aangezicht, en het van Hem en in Hem hebben. (goddeloosheid wordt gewoonlijk gestraft met ontevredenheid en een onverzadelijke begeerlijkheid of hebzucht, welke zonden zijn, die haar eigen straf meebrengen. Als God overvloed geeft aan goddeloze mensen, dan is het met de bedoeling om hen tot een afstand te dwingen ten gunste van Zijn eigen kinderen, als zij meerderjarig en er geschikt voor zijn, zoals de Kanaänieten bezit hielden van het goede land tot de bestemde tijd, wanneer Israël er toe zou ingaan.
Eindelijk. Het refrein van het lied is nog hetzelfde: Dit is ook ijdelheid en kwelling van de geest. Het is ijdelheid, op zijn best, zelfs voor de godvruchtige, als hij alles heeft wat de zondaar bijeengeschraapt heeft, zal het hem, zonder iets anders, niet gelukkig maken, maar het is kwelling van de Meester voor de zondaar om te zien dat een ander het genot heeft van hetgeen hij bijeenvergaderd heeft, dat hij het genot er van heeft, die goed is voor Gods aangezicht, en dus kwaad is in zijn ogen, kwaad is voor zijn aangezicht. Zodat, van welke zijde men het ook beschouwt, de slotsom blijft: Het is al ijdelheid en kwelling van de geest.