Prediker 3:1-10
Het doel van deze verzen is:
1. Aan te tonen dat wij leven in een wereld van veranderingen. Dat de onderscheiden voorvallen van de tijd en de toestanden van het menselijk leven zeer verschillend zijn van elkaar, en toch, als het ware, dooreengemengd voorkomen, en wij er gedurig tussen heen en weer gaan, zoals in de wentelingen van iedere dag en elk jaar. In het rad van onze geboorte, Jakobus 3:6, is soms de ene spaak bovenaan, en dan weer onderaan, er is een gedurige eb en vloed, een toenemen en afnemen, van het een uiterste tot het andere wordt de gedaante van deze wereld veranderd, zo is het altijd geweest en zo zal het altijd zijn.
2. Dat iedere verandering met ons, met de tijd en de gelegenheid ervan onveranderlijk door een hoogste macht is bepaald en vastgesteld, en wij de dingen moeten nemen zoals zij komen, want het staat niet in onze macht om verandering te brengen in hetgeen voor ons bepaald is. En dit komt hier voor als een reden, waarom wij, als wij voorspoedig zijn, gerust maar toch niet zorgeloos moeten wezen, niet zorgeloos, omdat wij leven in een wereld van veranderingen, en dus geen reden hebben om te zeggen: de dag van morgen zal zijn als deze, de diepste dalen palen aan de hoogste bergen, en toch gerust te wezen, zoals hij heeft aangeraden in Hoofdstuk 2:24, het goede van onze arbeid te genieten in nederig vertrouwen op God en Zijn voorzienigheid, noch opgeheven te zijn door hoop, noch terneergeslagen te zijn door vrees, maar in gelijkmoedigheid elke gebeurtenis af te wachten. Wij hebben hier: Een algemene stelling. Alles heeft een bestemden tijd, vers 1.
1. De dingen, die het tegenstrijdigst schijnen, zullen in de wenteling van de dingen allen op hun beurt in werking komen. De dag zal plaats maken voor de nacht, en de nacht zal wederom plaats maken voor de dag. Is het zomer? Het zal winter worden. Is het winter? Wacht een weinig, het zal weer zomer worden. De helderste lucht zal bewolkt worden. "Post gaudia luctus- Blijdschap volgt op smart", en de zwaarst bewolkte lucht zal weer opklaren. "Post nubila Phoebus-De zon zal door de wolken heenbreken."
2. De dingen, die ons het meest toevallig schijnen, zijn naar de raad en de voorkennis Gods nauwkeurig bepaald, en zelfs het uur ervan vastgesteld, dat geen enkel ogenblik vervroegd of vertraagd kan worden.
II. Het bewijs en de toelichting ervan door acht en twintig daarvan afgeleide bijzonderheden, acht en twintig naar de dagen van de omwenteling van de maan, die altijd toeneemt of afneemt tussen haar vol zijn en haar verandering. Sommigen van die veranderingen zijn zuiver en alleen de daad Gods, anderen hangen meer af van de wil van mensen, maar allen zijn bepaald door de raad Gods. Alles onder de hemel is aldus veranderlijk, maar in de hemel heerst een onveranderlijke toestand en een onveranderlijke raad betreffende deze dingen.
1. "Er is een tijd om geboren te worden en een tijd om te sterven", deze zijn door de goddelijke raad bepaald, en, gelijk wij geboren waren, zo moeten wij sterven op de vastgestelde tijd, Handelingen 17:26. "Sommigen merken op dat er een tijd is om geboren te worden en een tijd om te sterven, maar geen tijd om te leven, die is zo kort, dat hij van de moeite niet waard is om vermeld te worden, zodra wij geboren zijn, beginnen wij te sterven". Maar, gelijk er een tijd is om geboren te worden en een tijd om te sterven, zo is er ook een tijd om weer op te staan, een gezette tijd wanneer zij, die in het graf zijn, gedacht zullen worden, Job 14:13. 2. Een tijd voor God, om een natie te planten, zoals Israël in Kanaän en te dien einde de zeven volken uit te roeien, die er geplant waren om plaats voor hen te maken. En eindelijk was er een tijd, toen God ook betreffende Israël sprak om het uit te rukken en af te breken er te verdoen, toen de mate van zijn ongerechtigheid vol was, Jeremia 18:7, 9. Er is voor de mensen een tijd om te planten, een tijd van het jaar, een tijd van hun leven, maar als hetgeen geplant was onvruchtbaar en onnut is geworden, dan is het tijd om het uit te roeien.
3. Een tijd om te doden, als de oordelen Gods uitgaan in een land, maar als Hij wederkeert in wegen van genade, dan is het een tijd om te genezen wat Hij heeft verscheurd, Hosea 6:1, 2, om een volk te vertroosten naar de dagen in dewelke Hij het gedrukt had, Psalm 90:15. Er is een tijd, wanneer het de wijsheid is van heersers om streng te handelen maar er is ook een tijd, wanneer het evenzeer hun wijsheid is om een zachtere methode te volgen, en verzachtende, geen scherpe of bijtende middelen aan te wenden.
4. Een tijd om een gezin, een bezitting, een koninkrijk af te breken, als het rijp geworden is voor het verderf, maar God zal een tijd vinden, als zij berouw hebben en tot Hem weerkeren, om weer op te bouwen wat Hij afgebroken heeft. Er is een tijd, een gezette tijd voor de Heer om Zion te bouwen, Psalm 102:147-17. Er is voor de mensen een tijd om huis en nering te doen ophouden, en aldus af te breken, en zij, die bezig zijn met te bouwen, moeten dit verwachten en er zich op bereiden.
5. Een tijd, wanneer Gods voorzienigheid roept om te wenen en rouw te bedrijven, en als van de mensen wijsheid en genade gehoor geeft aan die roepstem, als zij wenen en rouw bedrijven, zoals in tijden van openbare rampen en gevaar, dan is het zeer ongerijmd om te lachen en op te springen, en vrolijk te zijn. Jesaja 22:12, 13, : Ezechiël 21:l0 :.Maar van de anderen kant, er is een tijd, wanneer God roept tot blijmoedigheid, een tijd om te lachen en op te springen, en dan verwacht Hij dat wij Hem zullen dienen met blijdschap en vrolijkheid des harten.
Merk op: de tijd van treuren en wenen wordt het eerst genoemd, voor die van lachen en opspringen, want wij moeten eerst zaaien met tranen en dan met gejuich maaien.
6. "Een tijd om stenen weg te werpen", door vestingen af te breken, wanneer God vrede geeft in de landpalen, en zij dus niet nodig zijn, maar er is een lijd om stenen te vergaderen, om vestingen te bouwen, vers 5. Een tijd voor oude torens om te vallen, zoals die van Siloam Lukas 13:4, en voor de tempel zelf, die zo verwoest zal zijn, dat niet een steen op de anderen gelaten zal worden, maar ook een tijd om torens en trofeeën op te richten, als de zaken van de natie voorspoedig zijn.
7. Een tijd om een vriend te omhelzen, als wij hem getrouw bevinden, maar een tijd om verre te zijn van omhelzen, wanneer wij hem onbillijk of ontrouw bevinden, wanneer wij reden hebben om hem te verdenken, dan doen wij voorzichtig met ons op een afstand te houden. Dit wordt gewoonlijk toegepast op omhelzingen tussen man en vrouw en verklaard in 1 Corinthiers 7:3- 5, Joël 2:16.
8. Een tijd om te verkrijgen, vers 6, geld te verkrijgen, bevordering te verkrijgen, goede lonen en goede rente te verkrijgen, als de gelegenheid er toe gunstig is, een tijd, wanneer een wijs man zal zoeken, zo luidt het oorspronkelijke, als hij uitgaat in de wereld en een aangroeiend gezin heeft, als hij inden bloei van zijn jaren is, als hij voorspoedig is in zijn zaken, dan is het tijd voor hem om bezig te zijn, om te hooien terwijl de zijn schijnt. Er is een tijd om wijsheid te verkrijgen, en kennis en genade, maar er zal ook een tijd komen om uit te geven, wanneer alles wat wij hebben nog weinig genoeg zal zijn voor hetgeen wij nodig hebben. Ja er zal een tijd komen om te verliezen, wanneer hetgeen snel verkregen werd even snel verstrooid zal worden en niet vastgehouden zal kunnen worden.
9. Een tijd om te bewaren, als wij gelegenheid hebben om hetgeen wij verkregen hebben, te gebruiken en het kunnen behouden zonder gevaar te lopen van een goede consciëntie te verliezen, maar er kan een tijd komen om weg te werpen, als liefde tot God ons verplicht om weg te werpen wat wij hebben, omdat wij, om het te kunnen behouden, Christus zouden moeten verloochenen en ons geweten geweld aandoen, Mattheus 10:37, 38 en dus liever alles willen verliezen dan schipbreuk te lijden van het geloof, ja wanneer liefde tot ons zelf ons noopt om alles weg te werpen ten einde ons leven te kunnen redden, zoals het was met Jona's zeelieden toen zij hun lading in de zee wierpen.
10. Een tijd om de kleren te scheuren, zoals bij gelegenheid van een grote smart, en een tijd om ze weer toe te naaien ten teken, dat de smart voorbij is. Een tijd om hetgeen wij gedaan hebben ongedaan te maken, en een tijd om wat wij ongedaan hebben gemaakt, wederom te doen. Hiëronymus past dit toe op het scheuren van de Joodse kerk en het toenaaien daarna van de Evangeliekerk.
11. Een tijd, wanneer het ons betaamt en het onze wijsheid en onze plicht is om te zwijgen als het een boze lijd is, Amos 5:13, als ons spreken een werpen van paarlen voor de zwijnen zou zijn, of als wij in gevaar zijn van verkeerd te spreken, Psalm 39:3, maar er is ook een tijd om te spreken tot eer en heerlijkheid van God en tot stichting van anderen, als zwijgen ontrouw zou zijn aan een rechtvaardige zaak en wanneer men met de mond belijdenis moet doen ter zaligheid, en het maakt een groot deel uit van de christelijke wijsheid om te weten wanneer te spreken en wanneer te zwijgen.
12. Een tijd om lief te hebben en ons vriendschappelijk te betonen, open en blijmoedig te zijn, en het is een zeer aangename tijd, maar er kan een tijd komen om te haten, als wij reden zullen zien om alle gemeenzaamheid af te breken met sommigen van wie wij zeer veel gehouden hebben, en ons van hen op een afstand te houden, daar wij reden hebben tot een vermoeden, dat de liefde niet gaarne voor waarheid houdt.
Eindelijk. Een tijd van oorlog, als God het zwaard trekt ten oordeel en er de opdracht aan geeft om te verteren, als de mensen het zwaard trekken voor gerechtigheid en ter handhaving van hun rechten, als er een neiging tot strijd is in de volken, maar wij kunnen hopen op een tijd van vrede, als het zwaard van de Heer in de schede terugkeert, en Hij de oorlogen doet ophouden, Psalm 46:10, als het doel van de oorlog bereikt is en er van alle zijden een begeerte is naar vrede. De oorlog zal niet altijd duren, en er is ook geen vrede duurzaam te noemen, aan deze zijde van de eeuwige vrede. Zo heeft God in al deze veranderingen het een tegenover het andere gesteld, opdat wij blij zijn als niet blij zijnde en wenen als niet wenende.
III. De gevolgtrekkingen, welke uit die opmerkingen worden afgeleid. Indien onze tegenwoordige toestand onderhevig is aan zulke wisselvalligheden:
1. Dan moeten wij daar ons deel, ons geluk niet in verwachten, want van het goede erin is geen zekerheid, geen duurzaamheid, vers 9. Wat voordeel heeft hij, die werkt? Wat kan iemand zich beloven of voorstellen van zijn planten en bouwen, als hetgeen hij denkt tot volkomenheid gebracht te hebben, zo spoedig kan en zo zeker zal uitgeroeid en afgebroken worden? Al onze moeite en zorg zal noch de veranderlijke aard van de dingen zelf, noch de onveranderlijke raad Gods betreffende die dingen veranderen.
2. Dan moeten wij op onszelf zien als zijnde in onze proefstaat. Er is ook werkelijk geen voordeel in hetgeen wij bearbeiden, de zaak zelf zal, als wij haar hebben, weinig goed doen, maar als wij een recht gebruik maken van de beschikkingen van de voorzienigheid dan zal daar voordeel in zijn, vers 10. Ik heb gezien de bezigheid, die God de kinderen van de mensen gegeven heeft, niet om daarin hun geluk te vinden, maar om er door geoefend te worden, geoefend te worden in onderscheidene genadegaven, door de verschillende gebeurtenissen, om hun vertrouwen op God te beproeven door iedere verandering, en er toe opgevoed te worden, en te leren overvloed te hebben en gebrek te lijden, Filipp. 4:12. Er is zeer veel arbeid en moeite te zien onder de kinderen van de mensen, arbeid en smart vervullen de wereld.
Deze arbeid en deze moeite zijn wat God over ons beschikt heeft, Hij heeft nooit bedoeld dat deze wereld onze rust zal zijn, en ons daarom nooit bevolen er onze rust en gemak in te nemen. Voor velen blijkt dit een gave, God geeft haar aan de mensen zoals de arts een medicijn geeft aan zijn patiënt, om hem goed te doen. Deze bezigheid is ons gegeven om ons de wereld moede te doen zijn en ons te doen verlangen naar de rust, die overblijft voor Gods volk. Zij is ons gegeven om ons altijd wat te doen te laten hebben, want niemand van onze is in de wereld gezonden om lui en ledig te zijn. Elke verandering bezorgt ons nieuw werk, waarvoor wij meer in zorg moeten zijn dan over de uitkomst ervan.