20. Daarom keerde ik mij om, mijn hart te doen wanhopen, mijn hart verloren te geven, over al den arbeid, al de moeite, dien ik met inspanning van al mijne krachten bearbeid heb onder de zon, zonder in staat geweest te zijn ene gelukkige en duurzame uitkomst voor dit leven te verkrijgen. 21. Want er is een mens, wiens arbeid in wijsheid, en in wetenschap, met overleg (
Spreuken 18:15 ) en in geschikkelijkheid, de gelijkheid is; nochtans zal hij dien overgeven tot zijn deel, aan enen mens, die daaraan niet gearbeid heeft. Dit is ook ijdelheid en een groot kwaad, een groot ongeluk.