Bijbelstudie
Boeken
Prediker 2
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
1
IK zeide in mijn hart:
1
Nu welaan,
2
ik zal u beproeven door vreugde; derhalve
3
a
zie het goede aan. Maar zie,
4
ook dat was ijdelheid.
2
5
Tot het lachen zeide ik: Gij zijt onzinnig; en tot
6
de vreugde:
7
Wat maakt deze?
3
Ik heb
8
in mijn hart
9
nagespeurd om
10
mijn vlees
11
op te houden in den wijn
12
(nochtans leidende mijn hart in wijsheid) en om de dwaasheid vast te houden, totdat ik zou zien wat den kinderen der mensen het best ware, dat zij doen zouden onder den hemel,
gedurende
het getal der dagen huns levens.
4
13
Ik maakte mij grote
14
werken, ik bouwde mij huizen, ik plantte mij
15
wijngaarden.
5
Ik maakte mij
16
hoven en
17
lusthoven, en ik plantte bomen in dezelve, van
18
allerlei vrucht.
6
Ik maakte mij
19
vijvers van wateren, om daarmede te bewateren het woud dat met bomen groende.
7
20
Ik kreeg knechten en maagden, en ik had
21
kinderen des huizes; ook had ik een groot bezit van
22
runderen en
22
schapen, meer dan allen die vóór mij te Jeruzalem geweest waren.
8
23
Ik vergaderde mij ook zilver en goud, en kleinodiën
24
der koningen en der landschappen;
25
ik bestelde mij zangers en zangeressen, en wellustigheden der mensenkinderen,
26
snarenspel, ja, allerlei snarenspel.
9
En ik werd groot en nam toe, meer dan iemand die vóór mij te Jeruzalem geweest was; ook
27
bleef
28
mijn wijsheid mij bij.
10
En al wat mijn ogen begeerden, dat onttrok ik ze niet; ik wederhield mijn hart niet van enige blijdschap, maar mijn hart was verblijd
29
vanwege al mijn arbeid; en
30
dit was mijn deel van al mijn arbeid.
11
Toen wendde ik mij tot al mijn werken, die mijn handen gemaakt hadden, en tot den arbeid dien ik werkende gearbeid had; zie, het was al ijdelheid en
31
kwelling des geestes, en daarin was geen voordeel
32
onder de zon.
12
33
b
Daarna wendde ik mij
34
om te zien wijsheid, ook onzinnigheden en dwaasheid; want
35
hoe zou een mens die
36
den koning nakomen zal,
doen
hetgeen dat alrede gedaan is?
13
37
Toen zag ik dat de wijsheid uitnemendheid heeft boven de dwaasheid, gelijk het licht uitnemendheid heeft boven de duisternis.
14
38
De ogen des wijzen zijn in zijn hoofd, maar de zot
39
wandelt in de duisternis. Toen bemerkte ik ook
40
dat enerlei geval
41
hun allen bejegent.
15
42
Dies zeide ik in mijn hart: Gelijk het den dwaze bejegent,
43
zal het ook mijzelven bejegenen;
44
waarom heb ik dan toen meer naar wijsheid gestaan? Toen sprak ik in mijn hart, dat ook hetzelve ijdelheid was.
16
45
Want er zal in eeuwigheid niet meer gedachtenis van een wijze dan van een dwaas zijn, aangezien hetgeen dat nu is, in de toekomende dagen altemaal vergeten wordt; en
46
hoe sterft de wijze
47
met den zot?
17
Daarom
48
haatte ik dit leven, want dit werk
49
docht mij kwaad,
50
dat onder de zon geschiedt; want het is al ijdelheid en kwelling des geestes.
18
51
Ik haatte ook al
52
mijn arbeid, dien ik bearbeid had onder de zon, dat ik dien zou achterlaten aan een mens
53
die na mij wezen zal.
19
Want
54
wie weet of hij wijs zal zijn of dwaas? Evenwel zal hij heersen
55
over al mijn arbeid, dien ik bearbeid heb en dien ik wijselijk beleid heb onder de zon. Dat is ook ijdelheid.
20
Daarom
56
keerde ik mij om, om mijn hart te doen wanhopen over al den arbeid dien ik bearbeid heb onder de zon.
21
Want
57
er is een mens wiens arbeid in wijsheid en in wetenschap en in geschiktheid is; nochtans zal hij
58
dien overgeven tot zijn deel aan een mens die daaraan niet gearbeid heeft. Dit is ook ijdelheid en een groot
59
kwaad.
22
c
Wat heeft toch die
60
mens van al zijn arbeid en van de kwelling zijns harten, dien hij is bearbeidende onder de zon?
23
Want al zijn dagen
61
zijn smarten en zijn bezigheid is verdriet; zelfs des nachts rust zijn hart niet. Datzelve is ook ijdelheid.
24
d
62
Is het
dan
63
niet goed voor den mens,
64
dat hij ete en drinke, en dat hij
65
zijn ziel
66
het goede doe genieten
67
in zijn arbeid? Ik heb ook gezien
68
dat zulks van de hand Gods is.
25
(Want
69
wie zou ervan eten of wie zou zich
70
daartoe
haasten, meer dan ik zelf?)
26
Want
71
Hij geeft wijsheid en wetenschap en vreugde den mens die
72
goed is voor Zijn aangezicht; maar
73
den zondaar geeft Hij bezigheid om
74
te verzamelen en te vergaderen,
e
opdat Hij het geve dien die goed is
75
voor Gods aangezicht.
76
Dit is ook ijdelheid en kwelling des geestes.