Prediker 4:1-3
Salomo had een grote ziel, 1 Koningen 4:29 en het blijkt dat hij ook een tedere zorg voor en belangstelling had in het ongelukkige deel van het mensdom, kennis nam van de beproeving van de beproefden. Hij had de verdrukkers bestraft, Hoofdstuk 3:16, 17, en hen herinnerd aan het toekomende oordeel, hier nu let hij op de verdrukten, dit deed hij ongetwijfeld als vorst, om hun recht te doen tegen hun tegenpartij, want hij vreesde God en heeft ook de mensen ontzien. Maar hier doet hij het als prediker, en toont:
1. De ellende van hun toestand, vers 1. Van hen spreekt hij met diep gevoel en medelijden. Het smartte hem:
A. Te zien dat macht de overhand had tegen recht, te zien dat er zoveel verdrukking was onder de zon, te zien dat dienstknechten, arbeiders en arme werklieden verdrukt worden door hun meesters, die misbruik maken van hun nooddruft om hun de voorwaarden op te leggen die zij verkozen, schuldenaars verdrukt te zien door wrede schuldeisers, en ook schuldeisers verdrukt te zien door bedrieglijke schuldenaars, huurders of pachters verdrukt te zien door harde landheren, en wezen door ontrouwe voogden, en het ergste van alles onderdanen verdrukt te zien door willekeurig heersende vorsten en onrechtvaardige rechters. Zulke verdrukkingen geschieden onder de zon, boven de zon heerst een eeuwige gerechtigheid. De wijzen letten op deze verdrukkingen en beramen middelen om de verdrukten te hulp te komen. Welgelukzalig is hij, die acht slaat op de armen, Psalm 41:2.
B. Te zien hoe de verdrukten het onrecht ter harte namen, dat hun aangedaan werd. Hij zag de tranen van de verdrukten, en kon het misschien niet laten om met hen te wenen. De wereld is een plaats van wenenden, waarheen wij ook de blik richten, overal doet zich een treurig toneel voor ons op in de tranen van hen, die op de een of andere wijze verdrukt worden. Zij vinden dat het doelloos is te klagen, en daarom treuren zij in stilte, zoals Job, Hoofdstuk 16:20, 30:28. Maar zalig zijn die treuren.
C. Te zien hoe machteloos zij waren om zichzelf te helpen, aan de zijde van hun verdrukkers was macht, om als zij oprecht gedaan hadden er bij te blijven, zodat de armen met een sterke hand terneer geworpen werden, en geen middel hadden om zich recht te verschaffen. Het is treurig om macht in verkeerde handen te zien, en hetgeen de mens gegeven was om er goed mee te doen, aangewend te zien tot het doen van onrecht.
D. Te zien hoe zij en hun rampen gering geacht werden door hen, die hen omringden. Zij weenden en hadden behoefte aan vertroosting, maar er was niemand, die hun die vriendelijke dienst bewees, zij hadden geen vertrooster. Zij, die hen moesten vertroosten, durfden niet uit vrees van de verdrukkers te mishagen terwijl zij trachtten hun vertroosters te zijn tot hun metgezellen gemaakt te worden, dat is: tot deelgenoten in hun verdrukking. Het is treurig om zo weinig menselijkheid te zien onder de mensen.
2. De verzoekingen van hun toestand. Aldus hard behandeld wordende, zijn zij in verzoeking om het leven te haten en te verachten, en hen te benijden, die dood en begraven zijn, en te wensen dat zij nooit waren geboren, vers, 3 en Salomo is bereid om met hen in te stemmen, want het dient om te bewijzen, dat alles ijdelheid is en kwelling, daar het leven zelf dit dikwijls is, en als wij het in vergelijking met de gunst en de genieting van God zoals Paulus Handelingen 20:24, Filipp. 1:23 niet achten, dan is het onze roem, maar indien het slechts, zoals hier, vanwege de ellende is, die er aan is verbonden, dan is het onze zwakheid, en dan oordelen wij er in naar het vlees, zoals Job en Elia gedaan hebben.
A. Hier acht hij hen gelukkig, die met dit ellendige leven afgedaan hebben, hun rol hebben gespeeld en het toneel hebben verlaten, ik prees de doden, die reeds gestorven waren gedood werden, of een snelle doortocht deden door de wereld, de oceaan des levens langs de kortste weg zijn overgestoken, reeds gestorven voordat zij het leven nog goed begonnen waren, hun lot behaagde mij, en als zij het zelf gekozen hadden, zou ik hun wijsheid geroemd hebben, omdat zij slechts een blik in de wereld geslagen hebben en er zich toen uit terugtrokken, alsof zij er niet van hielden. Ik kwam tot de gevolgtrekking, dat het beter was met hen dan met de levenden, die tot nog toe levend zijn, de lange en zware ketting van het leven met zich mee te slepen en zijn moeizame ogenblikken ten einde brengen. Dit kan vergeleken worden, niet met Job 3:20, 21, maar met Openbaring 14:13, waar in tijden van vervolging, (en de zodanige beschrijft hier Salomo) het niet de hartstocht is van de mens, maar de Geest van God, die zegt: Zalig zijn de doden, die in de Heer sterven, van nu aan. De toestand van de heiligen, die gestorven zijn, heengegaan zijn om te rusten bij God, is in vele opzichten beter en meer begerenswaardig dan de toestand van de levende heiligen, die hun arbeid en hun strijd nog voortzetten.
B. Hij acht hen gelukkig, die nooit dit ellendige leven begonnen zijn, ja, zij zijn het gelukkigst van allen, hij is beter dan die beiden, die nog niet geweest is. Het is beter nooit te zijn geboren, dan geboren te zijn en het boze werk te zien, dat onder de zon geschiedt, zoveel goddeloosheid te zien bedrijven, zoveel onrecht dat geschiedt, en niet slechts niet instaat te zijn om de zaak te verbeteren, maar nog te lijden voor weldoen. Een godvruchtig man heeft, in welke rampspoedige toestand hij zich ook bevindt in deze wereld, toch geen reden om te wensen dat hij nooit ware geboren, daar hij toch de Heer verheerlijkt zelfs in de vuren, en ten laatste voor eeuwig gelukkig zal zijn, ook behoort niemand dit, zolang als hij leeft, te wensen, want zolang er leven is is er hoop, een mens is nooit rampzalig voor hij in de hel is.