1 Kronieken 8:1-32
In al deze verzen komt weinig of geen geschiedenis voor, wij hebben er dus niet veel over op te merken.
1. Wat betreft de moeilijkheden, die in dit en de vorige geslachtsregisters voorkomen: het is niet nodig ons er over te kwellen. Ik vermoed dat Ezra ze heeft overgenomen uit "het boek van de koningen van Israël en Juda", Hoofdstuk 9:1, naardat zij door de onderscheidene stammen ingeleverd werden, iedere stam de methode daarbij volgende, die hem goeddocht.
Vandaar dat sommigen opklimmen, anderen afdalen, bij sommigen zijn `getallen', bij anderen `plaatsen' gevoegd. Bij sommigen zijn historische aantekeningen ingelast, bij anderen niet, sommigen zijn korter, anderen langer, sommigen komen overeen met andere registers, anderen verschillen ervan, sommigen waren waarschijnlijk gescheurd, uitgewist en gevlekt, anderen waren meer leesbaar.
Die van Dan en Ruben zijn geheel verloren geraakt. Deze heilige man schreef, van de Heiligen Geest gedreven zijnde maar er bestond geen noodzakelijkheid om het gebrekkige aan te vullen, neen, zelfs niet om door ingeving de vergissingen te herstellen van deze geslachtsregisters.
Het was voldoende dat hij ze afschreef zoals zij hem in handen kwamen, of zoveel er van als voor het tegenwoordige doel vereist werd, hetwelk was: de terugkerende ballingen te leiden bij hun vestiging, zoveel zij konden bij hun eigen geslacht en in hun vroegere woonplaatsen.
Wij kunnen onderstellen dat veel in deze geslachtsregisters dat ons ingewikkeld en verward schijnt, duidelijk genoeg was voor hen, (die het ontbrekende wel wisten aan te vullen), en volkomen beantwoordde aan het doel, waarmee zij in het licht werden gegeven.
2. Er waren nu vele grote en machtige volken op aarde, en tot die volken behoorden vele doorluchtige mannen, wier namen in eeuwigdurende vergetelheid zijn begraven, terwijl de namen van menigten van het Israël Gods hier zorgvuldig ter eeuwige gedachtenis bewaard zijn. Zij zijn "Jasher, Jeshurun", oprechten, rechtvaardigen, en "de gedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn".
Wij hebben reden om te vrezen dat velen van deze de eeuwige eer niet deelachtig werden (want zelfs de goddeloze koningen van Juda komen voor in deze geslachtsregisters), maar de vereeuwiging van hun namen hier was een type van het schrijven van de namen van geheel Gods geestelijk Israël in het boek des levens des Lams.
3. Deze stam van Benjamin was eens tot een zeer lage ebbe gebracht. Het was in de tijd van de richteren bij gelegenheid van de ongerechtigheid van Gibea, toen slechts zes honderd man aan het zwaard van de gerechtigheid ontkwamen, en toch maakt hij in deze geslachtsregisters een even goed figuur als schier iedere andere stam, want het is de eer van God de zwakken te helpen, en hen op te heffen, die het meest verminderd en verlaagd zijn.
4. Hier wordt melding gemaakt van Ehud vers 6. In het voorgaande vers van een Gera, vers 5, en in vers 8 van een, die van hem afstamde, en "kinderen gewon in het land Moab" wat mij neigt om te denken dat het de Ehud was, die de tweede richter van Israël is geweest, want hij wordt gezegd "de zoon te zijn van Gera, een Benjaminiet", Richteren 3:15, en hij verloste Israël van de verdrukking van de Moabieten, door de koning van Moab te doden, wat hem meer macht en invloed in het land van Moab gegeven kan hebben, dan waarvan wij de blijken vinden in zijn geschiedenis, en aanleiding geweest kan zijn dat sommigen van zijn nakomelingen zich daar gevestigd hebben.
5. Hier wordt melding gemaakt van sommigen van de Benjamieten, die de inwoners van Gath verdreven hebben, vers 13, misschien wel hen, die de Efraïmieten hadden gedood. Hoofdstuk 7:21, of misschien hun nakomelingen bij wijze van weerwraak, en een van hen, die deze daad van gerechtigheid deed, heette ook Beria, die naam, waarin de gedachtenis aan dat kwaad bewaard werd.
6. Er wordt bijzonder nota genomen van hen die "in Jeruzalem woonden", vers 28, en wederom in vers 32, opdat zij, wier voorouders daar hun woning hadden, bewogen zouden worden om na hun terugkeer uit de ballingschap zich daar ook te vestigen, wat, voorzoveel blijkt, slechts weinigen bereid waren te doen, omdat het een plaats van gevaar was, en daarom zien wij Nehemia 11:2, dat "het volk alle mannen zegende, die vrijwillig aanboden in Jeruzalem te wonen", daar de meesten aan andere steden van Juda de voorkeur gaven. Zij wier Godvruchtige ouders hun wandel hadden in het nieuwe Jeruzalem, behoren hierdoor opgewekt te worden om hun aangezicht daarheen te richten en hun weg daarheen te vervolgen, hoe duur dit hun ook te staan moge komen.