Markus 5:1-20
Wij hebben hier een voorbeeld hoe Christus den sterk-gewapende uit de bezitting verdreven heeft, en naar Zijn welbehagen over hem beschikte, ten einde te doen blijken dat Hij sterker was dan hij. Dit deed Hij na Zijne aankomst aan de andere zijde, waar Hij heenging in den storm. Zijn werk aldaar was een armen mens uit de handen van Satan te redden, en toen Hij dat gedaan had keerde Hij terug. Zo kwam Hij van den hemel op aarde, en keerde terug in een storm, om een overblijfsel van het mensdom uit de macht van den duivel te verlossen, hoewel het slechts een klein overblijfsel is, en Hij achtte niet dat Zijn arbeid slecht besteed was. In Mattheus wordt gezegd, dat er twee door den duivel bezeten waren, hier wordt gezegd, dat er een mens met een onreinen geest was. Indien er twee waren, dan was er ook een, en Markus zegt niet dat er slechts een was, zodat dit verschil ons geen gegronde ergernis kan geven. Waarschijnlijk was een van de twee veel opmerkelijker dan de andere, en heeft deze gezegd wat er gezegd werd. Let hier nu op:
I. Den ellendigen toestand, waarin die arme mens zich bevond, hij was onder de macht van een onreinen geest. De duivel had bezit van hem gekregen, en de uitwerking daarvan was niet, zoals bij velen, een stille zwaarmoedigheid, maar een woedende razernij. Zijn toestand scheen erger dan die van de andere bezetenen, die de patiënten van Christus zijn geweest.
1. Hij had zijne woning in de graven, onder de graven der gestorvenen. Hun graven waren buiten de steden, in eenzame, woeste plaatsen, Job 3:14, hetgeen aan den duivel een groot voordeel gaf, want wee hem, die alleen is, . Wellicht heeft de duivel hem naar de graven heen gedreven, om den mensen te doen geloven, dat de zielen der afgestorvenen in demonen waren verkeerd en het kwaad deden, dat er gedaan werd, om aldus de schuld van zich af te werpen. Het aanraken van een graf verontreinigde, Numeri 19:16. De onreine geest voert de mensen in verontreinigend gezelschap, en neemt aldus bezit van hen. Door de zielen uit de macht van Satan te redden, verlost Christus de levenden van uit de doden.
2. Hij was zeer sterk en ontembaar. Niemand kon hem binden, zoals dit nodig is te doen met mensen, die zich in zulk een toestand bevinden, voor hun eigen welzijn, alsmede voor de veiligheid van anderen. Niet slechts koorden konden hem niet houden, maar ook gene ketenen en ijzeren boeien, vers 3, 4. Zeer beklagenswaardig is de toestand van hen, die aldus gebonden moeten worden, van alle ongelukkigen in deze wereld zijn zij het meest te beklagen. Maar zijn toestand was het ergste van allen, in wie de duivel zo sterk was, dat hij niet gebonden kon worden. Dit stelt den treurigen staat voor van die zielen, waarin de duivel heerschappij voert, die kinderen der ongehoorzaamheid, in wie deze onreine geest werkt. Sommige zeer bekende, openlijke zondaren zijn als deze waanzinnige, allen zijn hierin gelijk aan het paard en den muilezel, dat zij gebreideld moeten worden met toom en gebit, maar sommigen zijn als de woudezel, die zich zo niet breidelen laat. De geboden en vervloekingen der wet zijn als ketenen en boeien, om de zondaren terug te houden van hun bozen weg, maar zij verbreken die banden, en dat is een blijk van de macht des duivels in hen.
3. Hij was een schrik en kwelling voor zich zelven en voor allen, die hem omringden, vers 5. De duivel is een wreed meester voor hen, die gevangen door hem worden geleid, een volslagen tiran. Deze ongelukkige mens was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de graven, roepende en slaande zich zelven met stenen, hetzij dat hij kermde over zijn eigen treurigen toestand, of dat hij in toorn en woede was ontstoken tegen den hemel, Dikwijls gebeurt het dat de mensen, die in razernij zijn, zich wonden en doden. Wat is de mens, als de rede onttroond is en Satan ten troon is verheven? De Baälaanbidders hebben zich in hun razernij gesneden met messen, zoals deze waanzinnige zich in zijne razernij met stenen sloeg. De stem Gods zegt: Doe uzelven geen kwaad, de stem van Satan zegt: Doe uzelven al het kwaad, dat gij kunt, toch wordt Gods woord veracht en het woord van Satan betracht. Wellicht was dit zich snijden met stenen slechts het snijden van zijne voeten aan de scherpe stenen, waarop hij barrevoets liep.
Il. Hij vervoegde zich tot Jezus, vers 6, Als hij nu Jezus van verre zag, aan land komende, liep hij toe en aanbad Hem. Gewoonlijk liep hij op anderen toe met woede maar op Christus liep hij toe met eerbied. Datgene geschiedde door de onzichtbare hand van Jezus Christus, dat door geen ketenen en boeien kon geschieden, zijne woede was plotseling bedwongen. Zelfs de duivel in dien armen mens was genoodzaakt om voor Christus te sidderen en voor Hem te buigen, of liever, de arme man kwam en aanbad Christus in de bewustheid van de behoefte, die hij had aan Zijne hulp, daar de macht van Satan in en over hem voor het ogenblik tot staan was gebracht.
III. Het woord van bevel van Christus aan den onreinen geest, om van hem uit te gaan, vers 8, Gij, onreine geest, ga uit van den mens! Hij maakte den man verlangend naar verlossing, toen Hij hem in staat stelde toe te lopen en Hem te aanbidden, en toen heeft Hij Zijne macht aangewend ter zijner verlossing. Als Christus in ons werkt, zodat wij van harte bidden om verlossing van Satan, dan zal Hij die verlossing voor ons werken. Hier is een voorbeeld van de macht en het gezag, waarmee Christus de onreine geesten gebood, en zij Hem gehoorzaam waren, Hoofdstuk . 1:27. Hij zei: Ga uit van den mens. Het doel van Christus' Evangelie is onreine geesten uit te werpen van de zielen der mensen. Gij onreine geest, ga uit van den mens, opdat de Heilige Geest inga, en bezit neme van het hart, en er heerschappij over hebbe.
IV. De vrees van den duivel voor Christus. De mens liep toe en aanbad Hem, maar het was de duivel in den mens, die riep met ene grote stem: (gebruik makende van de tong van dien armen mens) Wat heb ik met U te doen? vers 7. Juist zoals die andere onreine geest, Hoofdstuk 1:24.
1. Hij noemt God den Allerhoogste, hoog boven andere goden. Bij den naam Elion -de Allerhoogste, was God bekend onder de Feniciërs, en de andere volken, die aan Israël's grenzen woonden, en bij diezelfden naam noemt Hem de duivel.
2. Hij erkent Jezus te zijn de Zoon van God. Het is niets vreemds om de kostelijkste woorden uit de slechtste monden te horen. Er is ene wijze van dit te zeggen, waartoe niemand komen kan dan door den Heiligen Geest, 1 Corinthiërs 12:3, toch kan het op een zekere manier ook door den onreinen geest gezegd worden. Men kan de mensen niet naar een los gezegde beoordelen, maar aan hun vruchten zult gij ze kennen. Vroomheid van den mond is gemakkelijk. De geveinsde, die het schoonst spreekt, kan nog niets beters zeggen dan dat Jezus de Zoon van God is maar ook de duivel zei dit. `
3. Hij ontkent elke aanslag of slechte bedoeling tegen Christus, Wat heb ik met U te doen? "Ik heb generlei behoefte aan U, ik eis niets van U, ik begeer niets met U van doen te hebben, ik kan niet voor U bestaan, en ik wil niet vallen." 4. Hij bidt Zijn toorn af: Ik bezweer U, dat is: ik smeek U dringend, bij al wat heilig is, ik bid U om Godswil, door wiens toelating ik dezen mens heb bezeten, dat hoewel Gij mij van hem uitdrijft, Gij mij toch niet pijnigt, " dat Gij mij niet weerhoudt van elders kwaad uit te richten, hoewel ik weet dat ik gevonnist ben, zo laat mij toch niet heengezonden worden naar de ketenen der duisternis, of verhinderd worden her- en derwaarts te gaan, rond te gaan om te verslinden."
V. Het onderzoek, dat Christus instelt naar den naam van dezen onreinen geest. Dit hadden wij niet bij Mattheus. Christus vroeg hem: Wat is uw naam? Niet alsof Christus niet al de gevallen sterren bij hare namen kan noemen, zowel als de morgensterren, maar Hij vraagt dit, opdat de opstanders getroffen zouden worden door het groot aantal van deze boosaardige helse geesten, gelijk zij wèl reden hadden te zijn, toen zij het antwoord hoorden: Mijn naam is Legio, want wij zijn velen. Bij de Romeinen bestond een legioen soldaten uit zesduizend man, volgens anderen uit twaalf duizend vijf honderd, maar, evenals bij ons de regimenten, bestonden bij hen de legioenen niet allen uit een gelijk aantal soldaten. Nu wordt hierdoor aangeduid, dat de duivelen, de helse machten:
1. Militaire machten zijn. Een legioen is een zeker aantal soldaten onder de wapenen. De duivelen voeren krijg tegen God en Zijne eer, tegen Christus en Zijn Evangelie, tegen mensen en hun heiligheid en geluk. Zij zijn de zodanige, die wij hebben te weerstaan, en tegen wie wij moeten strijden, Efeze 6:12.
2. Dat zij talrijk zijn, hij erkent, of liever hij snoeft: Wij zijn velen, alsof hij hoopte dat Christus tegen hun groot aantal niet bestand zou zijn. Welk een menigte van afvallige geesten zijn er, en die allen vijanden van God en den mens, als er hier een legioen was om garnizoen te houden tegen Christus in een enkel ongelukkig schepsel! Er zijn er velen, die tegen ons opstaan.
3. Dat zij zijn eenstemmig, het zijn vele duivelen, en toch maar een legioen in dienst van dezelfde boze zaak, en daarom was het bedenksel der Farizeeën, dat Satan den Satan uitwierp, en dus tegen zich zelven verdeeld is, zo onzinnig en van allen grond ontbloot. Het was niet een van dit legioen, die de overigen verried, want zij allen zeiden, eenstemmig: Wat heb ik met U te doen?
4. Dat zij machtig zijn: wie is bestand tegen een legioen? In onze eigen kracht zijn wij niet opgewassen tegen onze geestelijke vijanden, maar in den Heere en in de sterkte Zijner macht zullen wij tegen hen bestand zijn, al zijn er ook legioenen van hen.
5. Dat er orde onder hen heerst, zoals in een legioen. Er zijn overheden en machten, en geweldhebbers der duisternis dezer eeuw, hetgeen veronderstelt, dat er onder zijn van een lageren rang, de duivel en zijne engelen, de draak en de zijnen, de overste der duivelen en zijne onderdanen, hetgeen deze vijanden des te geduchter maakt.
VI. Het verzoek van dit legioen, dat Christus hun zou toelaten om in ene kudde zwijnen te varen, die weidende was aan de bergen, vers 11, die bergen, waar de bezetenen rondwaarden, vers 5. Hun bede was:
1. Dat Hij hen buiten het land niet wegzond, vers 10, niet slechts dat Hij hen niet in hun helse gevangenis zou opsluiten, en hen aldus zou pijnigen voor den tijd, maar dat Hij hen niet uit dat land zou bannen, gelijk Hij rechtvaardiglijk zou kunnen, omdat zij er in dezen armen mens zulk een schrik voor geweest zijn en er zoveel kwaad hadden gedaan. Zij schijnen een bijzondere voorliefde voor dat land gehad te hebben, of liever een bijzondere kwaadwilligheid er tegen, en de vrijheid te hebben om om te trekken op het overige deel der aarde, Job 1:7, was hun niet genoeg, zij moeten ook de bergen tot hun weide hebben, Job 39:11. Maar waarom wilden zij in dat land blijven? Hugo de Groot zegt: Omdat in dat land veel afvallige Joden waren, die zich buiten het verbond hadden gesteld, en dus aan Satan macht zich hadden overgegeven. Sommigen opperen het denkbeeld, dat zij, door ervaring de gezindheid en de manieren des volks hebbende leren kennen, hun des te meer kwaad konden doen door hun verzoekingen.
2. Dat Hij hun zou toelaten in de zwijnen te varen, daar zij hoopten door dezen te doden, nog meer kwaad te kunnen doen aan de zielen van al de lieden in het land, dan zij doen konden wanneer zij in het lichaam van een enkelen mens voeren, daarom vroegen zij dit niet, en zij wisten ook, dat Christus hun dit niet zou toestaan.
VII. Het verlof, dat Christus hun gaf om in die zwijnen te varen, en de onmiddellijke vernieling der ganse kudde hierdoor, Jezus liet het hun terstond toe, vers 13. Hij verbood het hun niet, en Hij weerhield hen niet, maar gaf hun hierin hun zin. Aldus wilde Hij de Gadarenen doen zien hoe machtige en kwaadaardige vijanden duivelen zijn, om hen daardoor te bewegen Hem tot hun vriend te begeren, die alleen instaat was ze te bedwingen en ten onder te brengen, en hiervan blijk had gegeven. Onmiddellijk voeren de onreine geesten in de zwijnen, die volgens de wet onreine dieren waren en van nature zich gaarne in het slijk wentelen, dat dan ook de geschiktste plaats voor hen is. Zij, die gelijk de zwijnen behagen scheppen in het slijk der zinnelijke lusten, zijn geschikte woningen voor Satan, en zijn, evenals Babylon, ene bewaarplaats van alle onreine geesten, en ene bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte, Openbaring 18:2, gelijk reine geesten ene woonstede zijn van den Heiligen Geest. Het gevolg van het ingaan der duivelen in de zwijnen was, dat zij allen terstond dol werden en zich hals over kop in de naburige zee stortten, waar zij, ten getale van bij de twee duizend, verdronken. De man, dien zij bezeten hadden, had zich zelven slechts geslagen of gesneden, want God had gezegd: hij is in uwe hand, doch verschoon zijn leven. Maar hieruit blijkt, dat indien hij niet aldus onder bedwang ware geweest, de arme man zich verdronken zou hebben. Zie, hoeveel wij aan Gods voorzienigheid zijn verschuldigd, en aan den dienst der goede engelen, om ons tegen den bozen geest te bewaren en te beschermen.
VIII. Het gerucht hiervan verspreidde zich door het land. Zij, die de zwijnen weidden, haastten zich naar de eigenaars, om bericht te brengen van hetgeen er geschied was, vers 14. Dit bracht het volk samen en:
1. Toen zij zagen hoe wonderbaarlijk de arme man genezen was, werd hierdoor eerbied bij hen opgewekt voor Christus, vers 15. Zij zagen den bezetene, en kenden hem zeer goed, daar zij menigmaal verschrikt waren geworden op zijn gezicht, en nu waren zij even verbaasd om hem te zien zittende, gekleed en wel bij zijn verstand. Nadat Satan uitgeworpen was, kwam de man terstond tot zich zelven. Zij, die ernstig en sober zijn en een geregeld leven leiden, geven hierdoor blijk, dat door de macht van Christus de macht des duivels in hun ziel is verbroken. Op het gezicht daarvan werden zij bevreesd, het verbaasde hen en dwong hen de macht van Christus te erkennen, en dat Hij waardig is gevreesd te worden. Maar: 2. Als zij bevonden dat hun zwijnen verloren waren, vatten zij misnoegen op tegen Christus, en wilden zij liever Zijne plaats dan Zijn gezelschap hebben, zij begonnen Hem te bidden dat Hij van hun landpalen wegging, want zij denken niet, dat het goed, dat Hij hun doen kan, ook maar in het minst opweegt tegen het verlies van zo vele zwijnen, vette zwijnen wellicht, en goed om naar de markt te brengen. Nu hadden de duivelen hun zin, want er is niets, dat aan deze geesten zoveel macht geeft over zondige zielen, als liefde tot de wereld. Zij waren bevreesd voor nog meer straf, indien Christus onder hen verwijlde, terwijl Hij, indien zij slechts afstand wilden doen van hun zonde, leven en gelukzaligheid voor hen zou gehad hebben, maar ongenegen om hetzij van hun zonden of van hun zwijnen afstand te doen, verkozen zij liever afstand te doen van hun Zaligmaker. Zo doen ook zij, die liever dan een bozen lust op te geven, hun deel in Christus en hun verwachting van Hem wegwerpen. Zij hadden beter gedaan met aldus te redeneren: "Indien Hij zulk ene macht heeft over duivelen en alle schepselen, dan is het goed voor ons om Hem tot vriend te hebben. Indien de duivelen verlof hebben om in ons land te blijven, zo laat ons Hem smeken ook te blijven, die alleen hen in bedwang kan houden." Maar in plaats van dit, wensten zij Hem verder weg. Zodanige verkeerde uitlegging wordt door vleselijk- gezinde harten aan de rechtvaardige oordelen Gods gegeven, in plaats van er door uitgedreven te worden tot Hem, plaatsen zij Hem op zoveel te groter afstand, hoewel Hij gezegd heeft: Vertoornt mij niet, opdat Ik u geen kwaad doe, Jeremia 25:6.
IX. Het gedrag van den man na zijne verlossing.
1. Hij wenste dat hij met Christus mocht zijn, vers 18, wellicht uit vrees dat de boze geest hem weer in zijne macht zou krijgen, of liever, ten einde door Hem onderwezen te worden, ongenegen zijnde om onder die heidense lieden te verblijven, die Hem weg wensten. Zij, die van den bozen geest bevrijd zijn, kunnen niet anders dan bekendheid en gemeenschap met Christus begeren.
2. Christus wilde hem niet toelaten om met Hem te zijn, opdat dit den schijn niet zou hebben van vertoning te willen maken, alsmede om hem te doen weten, dat Hij hem ook op een afstand kon beschermen en onderwijzen. En behalve dat: Hij had ander werk voor hem te doen, hij moet heengaan naar zijne bloedverwanten en vrienden, en hun zeggen wat grote dingen de Heere voor hem gedaan heeft, de Heere Jezus voor hem gedaan heeft, opdat Christus geëerd, en zijne naburen en vrienden gesticht, en uitgenodigd zouden worden om in Christus te geloven. Hij moet inzonderheid meer acht geven op Christus' ontferming dan op Zijne macht, want inzonderheid daarin roemt Hij, hij moet hun zeggen, hoe Hij zich over hem ontfermd heeft in zijne ellende.
3. In vervoering van vreugde verkondigde de man in het gehele land, wat grote dingen Jezus hem gedaan had, vers 20. Dit zijn wij verschuldigd aan Christus en aan onze broederen, opdat Hij verheerlijkt, en zij gesticht worden. En zie het gevolg hiervan: zij verwonderden zich allen, maar weinigen gingen verder dan dat. Er zijn velen, die niet anders kunnen dan zich over de werken van Christus verwonderen, maar die niet, zoals zij behoorden, naar Hem vragen.