5. En nu, opdat ik die vreugde ook voortaan en in steeds rijkere mate moge genieten (
Vers 12) bid ik u, uitverkoren vrouw! (1 Thessalonicenzen 4: v.) houd er toch bij al uw kinderen op aan, dat de band van de Christelijke gemeenschap blijft. Ik vraag u dit, a) niet als u schrijvende een nieuw gebod, zoals de dwaalleraars er altijd op uit zijn, om iets nieuws voort te brengen, ten einde de neigingen van het natuurlijke mensenhart (
Handelingen 17:21) te vleien, maar hetgeen wij als gebod gehad hebben van de beginne (
1 Johannes 2:7;
3:11, namelijk, b) dat wij, die door één geloof in de Zoon van God met elkaar verbonden zijn (
1 Johannes 3:23), elkaar liefhebben (
Johannes 13:34 v.
1 Johannes 4:7,
11).
a) 1 Johannes 2:7 b) Johannes 15:2 Efeze 5:2. 1 Petrus 4:8. 1 Johannes 4:21
Wij willen hier herinneren wat een sterkte en rijpheid in de genade er toe nodig is, als men zich mondeling of schriftelijk in andere omgang met personen van een ander geslacht wil inlaten. Wat een ouderling Johannes past, mogen niet alle jeugdige personen, die nauwelijks de woestijn van de verzoeking zijn binnengetreden, navolgen.
Niet altijd ernst en strengheid, ook zachtmoedigheid en liefde moet een prediker aanwenden, niet juist gebieden, maar bidden om godzalig te worden, vgl. 2 Corinthiërs 8:8. 1 Thessalonicenzen. 4:1