1 Samuël 14:24-35
Wij hebben hier een bericht van de moeilijke omstandigheid, waarin Israël was ten dage van zijn triomf. Aan zulke bijmengsels van smart is iedere aardse vreugde onderhevig! En zulke hinderpalen zal menige goede zaak op haar weg vinden, zelfs als zij het voorspoedigst schijnt, door het verkeerd gebruik van de middelen.
I. Saul verbood het volk, onder straffe van een vloek, om die dag voedsel te nuttigen, vers 24. Hier zullen wij onderstellen:
1. Dat hij als koning de macht had om zijn soldaten onder dit verbod te stellen, en aan dit verbod een vloek te verbinden, en dat zij er zich daarom aan onderworpen hebben, en God heeft er in zoverre Zijn goedkeuring van te kennen gegeven dat Hij door het lot liet ontdekken, dat Jonathan de schuldige was, die (hoewel onwetend) het verbod had overtreden, weshalve God toen niet wilde antwoorden op hun vragen naar Zijn wil.
2. Dat hij het met een goede bedoeling gedaan heeft, opdat het volk, dat misschien gedurende enigen tijd op rantsoen was gesteld, toen zij overvloed van levensmiddelen vonden in het kamp van de Filistijnen, er niet met gulzigheid op zouden aanvallen, en aldus tijd zouden verliezen om de vijand te vervolgen, en sommigen van hen zich zo zouden oververzadigen, dat zij tot verderen dienst op die dag ongeschikt zouden zijn. Om dit te voorkomen, verbood hij hun voedsel te gebruiken en heeft hij zich waarschijnlijk onder hetzelfde bedwang gelegd. En toch was de uitvaardiging van dit strenge bevel:
a. Onstaatkundig en onverstandig, want zo het tijd won. verloor het kracht voor de vervolging.
b. Het was heerszuchtig en onvriendelijk voor het volk, erger dan het muilbanden van de dorsenden os. Hun te verbieden een feestmaal te houden zou prijzenswaardig geweest zijn, maar hun te verbieden voedsel te gebruiken, hoewel zij hongerig waren, was wreed.
c. Het was goddeloos om er een vloek en een eed aan te verbinden. Had hij geen mindere straf dan een anathema, om zijn krijgstucht te handhaven? De doodstraf voor zo'n overtreding was te veel, inzonderheid de doodstraf met een vloek. Zij, die over anderen gesteld zijn, mogen wel berispen en straffen, maar zij mogen hun minderen niet vloeken, onze regel is: Zegen en vloek niet. Toen David sprak van een vijand, die hij had, "die de vloek liefhad," Psalm 109:17, 18, heeft hij misschien Saul bedoeld.
II. Het volk heeft zijn order opgevolgd, maar er was veel ongerief aan verbonden.
1. De soldaten werden getantaliseerd, want bij najagen van de vijand, gebeurde het, dat zij door een woud kwamen, dat zo vol was van wilden honing dat hij van de bomen op de grond afdroop daar de Filistijnen op hun vlucht misschien de honigraten hadden gebroken tot hun eigen verkwikking, en ze toen vloeiende hebben gelaten. Kanaän was vloeiende van honing, en hier hebben wij er een voorbeeld van. Zij zogen honing uit de rots, Deuteronomium 32:13, maar uit vrees voor de vloek, durfden zij niet eens van die honing proeven, vers 25, 26. Diegenen zijn waardig de naam van Israëlieten te dragen, die zich en hun lusten kunnen verloochenen, zelfs als hun begeerte het sterkste is en de genieting van de zinnen het meest verleidelijk, uit vrees voor schuld en een vloek, en dat hun tafel hun tot een strik zal worden. Laat ons nooit ons voeden, en veel minder nog ons weiden, zonder vreze. Judas: 12.
2. Jonathan viel onder de vloek door onwetendheid. Hij had de last niet gehoord die zijn vader gegeven had, want kloekmoedig de liniën geforceerd hebbende, nam hij toen deel aan de vervolging, en dus kon hij beschouwd worden als niet onder de last begrepen en er niet in bedoeld te zijn.
Maar het scheen als aangenomen beschouwd te zijn, en hijzelf heeft er later niets tegen ingebracht, dat de last zich wèl tot hem uitstrekte, al was hij om zo goede redenen afwezig. Niet wetende dat er gevaar in stak, nam hij een stek van een honigraat op het uiterste van zijn staf en zoog de honing uit, vers 27, en was er merkbaar door verkwikt, zijn ogen werden verlicht, die dof begonnen te worden van honger en zwakheid, zijn gelaat werd er lieflijk en vrolijk door, want het was zo merkbaar dat die bij hem stonden het konden zien.
Hij dacht aan geen kwaad, en vreesde geen kwaad, totdat iemand uit het volk hem bekend maakte met de order, en toen zag hij zich in een strik. Menige goede zoon is aldus op meer dan een wijze, verstrikt en benauwd door de roekeloosheid van een onbezonnen vader. Zo heeft Jonathan de kroon verloren, waarvan hij erfgenaam was, door de dwaasheid zijns vaders, en dit was hier misschien een boos voorteken van.
3. De soldaten waren mat en verflauwden in het vervolgen van de Filistijnen. Jonathan voorzag dat dit er het gevolg van zijn zou hun moed zou wankelen, hun kracht hen begeven uit gebrek aan voedsel. Zodanig is de gesteldheid van ons lichaam, dat het spoedig ongeschikt wordt voor de dienst, indien er geen nieuwe krachten aan worden toegevoerd.
Het dagelijks werk kan niet verricht worden zonder het dagelijks brood, dat onze hemelse Vader ons daarom genadiglijk schenkt. Het is brood, dat het hart des mensen sterkt, daarom heeft Jonathan zeer goed geredeneerd: indien het volk vrijelijk had gegeten, de slachting onder de Filistijnen zou veel groter zijn geweest, maar nu waren zij zeer moede en mat en al te veel vermoeid, zoals de Chaldeeër het heeft, en begonnen zij meer te denken aan hun spijs dan aan hun werk.
4. Het ergste gevolg was, dat het volks des avonds, toen het verbod was opgeheven, en zij weer spijze namen, er zo gulzig op aanvielen, dat zij het vlees aten met het bloed, in lijnrechten strijd met de wet van God, vers 32.
Twee hongermaaltijden, zegt het spreekwoord maken de derden tot een maaltijd van gulzigaards, en zo was het hier.
Zij wilden niet wachten totdat de dieren behoorlijk geslacht waren, want zij slachtten ze op de grond en hingen ze niet op, zoals zij plachten te doen opdat al het bloed er zou uitlopen, noch totdat zij behoorlijk toebereid waren, maar vielen er gulzig op aan, vóór het vlees half gekookt en gebraden was, vers 32. Saul, hiervan verwittigd zijnde, bestrafte hen wegens de zonde vers 33. Gij hebt trouwelooslijk gehandeld, maar hij heeft niet zichzelf beschuldigd, zoals hij had behoren te doen, daar hij het volk des Heeren heeft doen overtreden. Om een einde te maken aan deze onregelmatigheid, gaf Saul bevel om een groten steen tot hem te doen wentelen, en allen, die vee hadden te slachten voor hun dadelijk gebruik, moesten tot hem komen, om het onder zijn oog op die steen te slachten, vers 33, en het volk deed alzo, vers 34,
Zo gemakkelijk werden zij bedwongen en van het verkeerde teruggebracht, als hun vorst zorg droeg het zijne te doen.
Als de overheden hun macht wilden gebruiken, zoals zij het moeten en kunnen, zij zouden dikwijls een goede verandering onder het volk teweegbrengen, en dat wel gemakkelijker dan men denkt.
Eindelijk. Bij deze gelegenheid bouwde Saul een altaar, vers 35, hetzij om offeranden te offeren bij wijze van erkentelijkheid voor de overwinning, die zij hadden verkregen, of bij wijze van verzoening voor de zonde, waaraan zij zich hadden schuldig gemaakt. Dat was het eerste altaar, dat hij de Heere bouwde, en misschien heeft het heenwentelen naar hem van de groten steen, om er het vee op te slachten, het hem in de gedachte gebracht om hem in een altaar te verkeren, want anders zou hij er niet aan gedacht hebben.
Saul keerde zich ter zijde af van God, en toch begint hij nu altaren te bouwen, het ijverigst zijnde voor de gedaante van de Godzaligheid, toen hij de kracht er van verloochende. Zie Hosea 8:14. "Israël heeft zijn Maker vergeten en tempelen gebouwd". Sommigen lezen de zin: Hij begon dat altaar te bouwen, hij legde er de eerste steen van, maar was zo in haast om zijn overwinning te vervolgen, dat hij niet kon wachten, totdat het voltooid was.