Handelingen 21:27-40
Wij zien hier Paulus in ene gevangenschap gebracht, waarvan wij het einde waarschijnlijk níet zien zullen, want voortaan zal hij of van de ene rechtszaal naar de andere voortgedreven worden, of veronachtzaamd nu eens in de ene, en dan weer in de andere gevangenis verblijven en hij kan noch veroordeeld noch op vrije voeten gesteld worden. Als wij het begin zien van ene moeilijkheid, dan weten wij noch hoe lang zij zal duren, noch waar zij op uitlopen zal.
1. Wij zien hier nu Paulus gegrepen in den tempel, toen hij daar de dagen zijner heiliging doorbracht en de plechtige diensten van die dagen bijwoonde. Te voren was hij welbekend in den tempel, maar nu had hij zo langen tijd doorgebracht op zijne reizen buiten `s lands, dat hij er een vreemdeling was geworden. En zo was het niet dan voor dat de zeven dagen bijna ten einde waren dat hij opgemerkt werd door hen, die geen goed oog op hem hadden. In den tempel, waar hij als in ene wijkplaats beschermd had moeten worden, werd hij met geweld gegrepen door hen, die deden wat zij konden om zijn bloed met de offeranden te mengen, in den tempel, waar hij welkom had moeten wezen als een van zijne grootste sieraden, die er ooit in geweest waren sedert de Heere hem had verlaten, in den tempel, waarvoor zij zulk een groten ijver voorwendden, maar zelven hem aldus ontwijdden. Aldus wordt de kerk door niemand meer verontreinigd dan door de pausgezinde vervolgers, onder schijn van de belangen der kerk voor te staan.
2. Die hem aanklaagden waren de Joden van Azië, niet die van Jeruzalem, de Joden uit de verstrooiing, die hem het best kenden, en het meest verbitterd op hem waren. Zij, die slechts zelden naar den tempel opgingen om te aanbidden, maar tevreden waren om op een afstand er van te wonen voor de uitoefening van hun bedrijf tot hun eigen voordeel, schenen het meest voor den tempel te ijveren, als om daardoor hun gewone veronachtzaming er van goed te maken.
3. De methode, die zij daarbij volgden, was het gepeupel op de been te brengen en tegen hem op te zetten. Zij gingen niet naar den hogepriester met hun beschuldiging, of naar de magistraten der stad (waarschijnlijk wel omdat zij niet dachten bij hen steun te vinden,) maar zij beroerden al het volk, dat in dien tijd meer dan ooit tot rumoerigheid en opstand geneigd was. Diegenen zijn het meest geschikt om tegen Christus en het Christendom gebruikt te worden, die zich het minst door rede en verstand, en het meest door hartstocht laten regeren, daarom beschrijft Paulus de Joodse vervolgers niet alleen als goddeloze, maar ook als onzinnige, onredelijke mensen.
4. De argumenten, waarmee zij het volk tegen hem opzetten en verbitterden, waren populair, maar onwaar en onrechtvaardig. "Gij Israëlitische mannen", riepen zij, "komt te hulp! Indien gij waarlijk Israëlitische mannen zijt, echte Joden, aan wie uwe kerk en uw vaderland ter harte gaat, dan is het nu het ogenblik om het te tonen door behulpzaam te zijn in het gevangennemen van iemand, die de vijand is van beiden." Aldus jouwden zij over hem als over een dief Job 30:5, of schreeuwden zij als tegen een dollen hond. Daar de vijanden van het Christendom nooit hebben kunnen bewijzen, dat het ene slechte zaak is, hebben zij zich altijd beijverd om het, terecht of ten onrechte, in een slechten reuk te brengen, en het aldus door hoon en geschreeuw ten onder te brengen. Het zou Israëlitischen mannen betaamd hebben Paulus te hulp te komen, die Hem predikte, die zo zeer de heerlijkheid was van Zijn volk Israël, maar hier zal de volkswoede hun niet toelaten Israëlitische mannen te zijn, tenzij zij hun hulp willen verlenen tegen hem. Dit was gelijk aan het: Houdt den dief, of aan Athalia's uitroep van: Verraad, verraad! wat er aan recht ontbreekt, wordt vergoed door rumoer. 5. Zij leggen hem ene slechte leer en ene slechte praktijk ten laste, en beiden tegen het Mozaïsche rituaal. Zij leggen hem ene slechte leer ten laste, niet alleen, dat hij zelf verdorvene meningen koestert, maar dat hij ze verkondigt en verbreidt wel niet hier in Jeruzalem, maar in andere plaatsen, ja overal, hij leert allen overal, zo listiglijk wordt de misdaad nog door hen verzwaard, alsof, omdat hij reisde, hij alomtegenwoordig was. Hij spant alle krachten in, doet al het mogelijke, om zekere doemwaardige en ketterse denkbeelden te verspreiden."
a. Tegen het volk der Joden. Hij had geleerd, dat Joden en Heidenen voor God gelijk zijn, dat noch besnijdenis enige kracht heeft, noch voorhuid, ja, hij had tegen de ongelovige Joden geleerd, dat zij verworpen waren, (en had zich daarom afgescheiden van hun synagoge,) en dit wordt verklaard en voorgesteld als een spreken tegen geheel het volk, alsof zij ongetwijfeld het volk waren, en de wijsheid met hen zou sterven, Job 12:2, terwijl God, hoewel Hij hen had laten varen, toch Zijn volk niet had verstoten, Romeinen 11:1. Zij waren Lo-ammi, niet Mijn volk, Hosea 1:9, en toch gaven zij voor Zijn enig volk te zijn. Diegenen zullen gewoonlijk het ijverigst schijnen voor den naam der kerk, die er slechts in naam toe behoren.
b. Tegen de wet. Hij had den mensen geleerd te geloven in het Evangelie als het einde der wet en de vervolmaking er van, en dit werd nu uitgelegd als een prediken tegen de wet, terwijl hij wel verre van de wet te niet te doen, haar bevestigde, Romeinen 3:31.
c. Tegen deze plaats, den tempel. Omdat hij den mensen leerde overal, aan alle plaatsen, te bidden, werd hij gesmaad als een vijand van den tempel, en wellicht ook, omdat hij soms sprak van de verwoesting van Jeruzalem en den tempel, en van den ondergang der Joodse natie, die door zijn Meester waren voorzegd. Paulus zelf was zeer bedrijvig geweest in de vervolging van Stefanus en in zijne terdoodbrenging wegens woorden tegen deze heilige plaats, en nu wordt hem hetzelfde ten laste gelegd. Hij, die toen als het werktuig werd gebruikt van de Joodse volkswoede, werd nu zelf tot het mikpunt er van gesteld. Zij beschuldigden hem van slechte praktijken. Om hun beschuldiging te bewijzen, dat hij den mensen leerde tegen deze heilige plaats, leggen zij hem ten laste, dat hij zelf den tempel had ontheiligd, Hij heeft Grieken (Heidenen) in den tempel gebracht, in het binnenste voorhof van den tempel, waar gene onbesnedenen werden toegelaten. Op den muur, die dezen binnensten voorhof omsloot, stond in het Grieks en Latijn geschreven: Het is aan vreemdelingen op straffe des doods verboden hier binnen te treden, Josephus, Antig. lib. 15 cap. 14. Paulus zelf was een Jood en had het recht den voorhof der Joden binnen te gaan. En zij, ziende dat sommigen zich bij hem hadden gevoegd, zich met hem hadden verenigd in het gebed, dachten, dat Trofinus de Efeziër, die een Heiden was, zich onder hen bevond. Maar hebben zij hem er gezien? Gewis niet, maar zij hadden hem met Paulus in de straten der stad gezien, hetgeen gene misdaad was, en daarom verklaren zij, dat hij met Paulus in den binnensten voorhof des tempels was, dat wèl ene misdaad was. Zij hadden hem in de stad gezien, en daarom onderstellen zij, dat Paulus hem in den tempel gebracht had, hetgeen volstrekt onwaar was. Zie hier:
a. Dat onschuld gene beschutting is tegen den laster en valse beschuldigingen. Het is niets nieuws, dat aan hen, die eerlijke bedoelingen hebben, en geregeld wandelen, dingen ten laste worden gelegd, waarvan zij niets weten, en waaraan zij zelfs nooit gedacht hebben.
b. Belialsmannen graven kwaad, en gaan ver om bewijzen te zoeken voor hun valse beschuldigingen, zoals zij hier gedaan hebben, die, omdat zij een Heiden met Paulus in de stad gezien hebben, hieruit afleiden, dat hij met hem in den tempel was. Dit was wel ene zeer gedwongene voorstelling van de zaak, maar door zulke onrechtvaardige influisteringen hebben goddeloze mensen gedacht hun meest barbaarse mishandelingen te kunnen verontschuldigen, die zij de heiligen, de heerlijken, die op aarde zijn, hebben aangedaan.
c. Het is iets gans gewoons voor de boosaardigen om tegen de wijzen en goeden datgene ten kwade te gebruiken, waarmee dezen gedacht hebben hun ter wille te zijn. Paulus heeft gedacht door in den tempel te gaan hun goede mening te zullen winnen, en juist hieruit nemen zij nu aanleiding om hem te beschuldigen. Indien hij meer verre van hen gebleven was, zou hij niet zo door hen mishandeld zijn. Dit is de geest der kwaadwilligheid: Voor mijne liefde, staan zij mij tegen, Psalm 109:4, 69:11.
II. Wij zien nu Paulus in gevaar van in stukken gescheurd te worden door het grauw. Zij willen zich de moeite niet geven om hem voor den hogepriester, of voor het sanhedrin te brengen. Dat duurt te lang. De strafvoltrekking zal even onregelmatig en onwettig zijn als de vervolging. Zij kunnen de misdaad, waarvan zij hem beschuldigen, niet bewijzen, en daarom durven zij hem niet voor het gerecht te brengen, ja zo zeer dorsten zij naar zijn bloed, dat zij het geduld niet hebben om wettig tegen hem te procederen, al zouden zij er ook zeker van zijn geweest het proces tegen hem te winnen, en daarom hebben zij, als degenen, die God niet vreesden en geen mens ontzagen, besloten om hem maar dadelijk dood te slaan.
1. De gehele stad was in beroering, vers 30. Het volk, hoewel er al heel weinig heiligheid in hen was, had toch ene grote verering voor de heilige plaats. Toen zij een geschreeuw uit den tempel hoorden opgaan, waren zij terstond op de been, besloten om hem met hun leven en bezittingen te verdedigen. De gehele stad was beroerd, toen hun van uit den tempel de kreet tegemoet klonk: Gij Israëlitische mannen, komt te hulp, en dat wel met even grote heftigheid, alsof de oude klacht vernieuwd werd: O God! Heidenen zijn gekomen in Uwe erfenis, zij hebben den tempel Uwer heiligheid verontreinigd, Psalm 79:1. De Joden tonen hier juist zulk een ijver voor Gods tempel, als de Efeziërs voor den tempel van Diana, toen Paulus aangeklaagd werd als een vijand van dien tempel, Hoofdstuk 19:29. De gehele stad was vol verwarring. Maar God acht zich volstrekt niet geëerd door hen, wier ijver voor Hem hen tot zulke ongeregeldheden vervoert, en die, terwijl zij voorgeven voor Hem te handelen, zich op zo woeste, barbaarse wijze aanstellen.
2. Zij trokken Paulus buiten den tempel, en sloten de deuren tussen het buitenste en het binnenste voorhof van den tempel, of misschien de deuren van den buitensten voorhof. Door hem buiten den tempel te trekken toonden zij hem te verfoeien als iemand, die niet in den tempel geduld moest worden, niet waardig was aldaar te aanbidden, of als een lid der Joodse natie beschouwd te worden, alsof zijne offerande een verfoeisel was. Zij wendden eerbied voor voor den tempel, zoals die van den Godvruchtigen Jojada, die niet wilde, dat Athalia in het huis des Heeren zou gedood worden, 2 Koningen 11:15. Zie hoe onzinnig deze boze mannen waren, zij laakten Paulus omdat hij mensen van den tempel aftrok, en toch hebben zij hem zelven, toen hij er zeer eerbiedig aanbad, er uit weggetrokken. De beambten des tempels sloten de deuren, hetzij, omdat Paulus wellicht gelegenheid zou vinden om terug te komen, om dan de hoornen des altaars te grijpen, en zich aldus tegen hun woede te beveiligen, of liever, opdat de menigte door de komst van anderen, die zich bij haar voegden, in den tempel terug gedrongen wordende, er wellicht geweld gepleegd zou worden, waardoor de tempel verontreinigd zou worden. Zij, die geen gewetensbezwaar er in vonden om zulk een kwaad te doen, als het vermoorden van zo Godvruchtig een man om zijn weldoen, vonden er wèl een gewetensbezwaar in om het in de heilige plaats te doen, of op een heiligen tijd, niet in den tempel, zoals niet in het feest.
3. Zij zochten hem te doden, vers 31, want zij sloegen hem, vers 32, besluitende hem door talloze slagen te doden, ene straf, die in sommige gevallen door de Joodse leraren toegestaan werd, (volstrekt niet tot eer van hun volk) en die zij het slaan der rebellen noemden. Nu was Paulus als een lam in een leeuwenkuil geworpen en tot ene gemakkelijke prooi voor hen gemaakt, en ongetwijfeld was hij nog van hetzelfde gevoelen als toen hij zei: Ik ben bereid niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem, zo groot een dood te sterven.
III. Wij zien nu hoe Paulus door een Romeinsen vijand uit de handen zijner Joodse vijanden verlost werd.
1. Het gerucht van dit tumult en dat het grauw was opgestaan, kwam tot den overste der bende, den gouverneur van het kasteel, of de burcht, of wie hij ook was, die nu de opperbevelhebber was van de Romeinse legermacht in Jeruzalem. Iemand, die bezorgd was, niet voor Paulus, maar voor de openbare veiligheid en vrede, bracht dit bericht aan den kolonel, die altijd een waakzaam en wantrouwend oog had op die onstuimige Joden, en hij is de man, die het werktuig moet wezen, om Paulus' leven te redden, toen hij geen vriend had, die in staat was hem van enigerlei dienst te zijn.
2. De tribuun, of opperbevelhebber, bracht in allerijl zijne krijgsmacht op de been om het grauw te bedwingen, hij nam krijgsknechten en hoofdmannen over honderd, en liep naar hen toe. Op dit feest, evenals bij andere dergelijke plechtige gelegenheden, was de wacht en ook de andere soldaten onder de wapenen en spoediger tot uittrekken gereed dan op andere tijden, en zo had hij ze dan bij de hand, en liep hij toe op de menigte, want in zulke omstandigheden is dralen of uitstellen gevaarlijk. Den opstand moet terstond de kop ingedrukt worden, opdat hij niet hardnekkig en onbedwingbaar worde.
3. Reeds op den aanblik van den Romeinsen krijgsoverste werden zij afgeschrikt van Paulus te slaan, want zij wisten wel, dat zij wat zij deden niet konden verantwoorden, en dus gevaar liepen om van oproer verklaagd te worden om den dag van heden, zoals de stadsschrijver tot de Efeziërs heeft gezegd. Zij werden nu door de Romeinse legermacht teruggehouden, van hetgeen waarvan zij door de gerechtigheid Gods en de vrees voor Zijn toorn teruggehouden hadden moeten worden. God laat dikwijls de aarde de vrouw te hulp komen, Openbaring 12:16, en diegenen tot beschermers optreden van Zijn volk, die voor Zijn volk toch generlei genegenheid hebben, zij hebben slechts medelijden met hen, die lijden, en zijn bezorgd voor den openbaren vrede. Tot bescherming van zijne schapen maakt de herder zelfs van zijne honden gebruik. Het is Streso die deze vergelijking maakt. Zie hier nu hoe deze boze lieden op het blote gezicht van den overste der bende verschrikt worden, want een koning, zittende op den troon des gerichts verstrooid alle kwaad met zijne ogen.
4. De overste neemt hem in hechtenis, hij verloste hem, niet uit zorgvolle belangstelling in hem, omdat hij hem onschuldig geloofde, maar uit bezorgdheid voor het recht, omdat hij niet zonder gerechtelijk verhoor ter dood gebracht moet worden, en omdat hij niet wist of er gene zeer gevaarlijke gevolgen voor het Romeinse bewind uit konden voortkomen, indien zulk onstuimig geweld niet intijds onderdrukt werd, noch waartoe zulke geweldenaars niet in staat zouden zijn, als zij hun kracht leren kennen, daarom neemt hij Paulus weg uit de handen van het grauw, en stelt hem in de handen der wet, vers 33. Hij greep hem, en beval dat men hem met twee ketenen zou binden, opdat het volk er van overtuigd zou zijn, dat hij niet voornemens was hem in vrijheid te stellen, maar hem rechterlijk te ondervragen, want hij vroeg hun, die zo heftig tegen hem waren, wie hij was en wat hij gedaan had. En dat hij hem aldus met geweld aan de handen der menigte heeft ontrukt, werd hem, den overste, -hoewel er alle redenen voor waren, dat hij dit doen zou-tot ene misdaad aangerekend, Hoofdstuk 24:7. Lycias, de overste, daarover komende, heeft hem met groot geweld uit onze handen weggebracht, hetgeen betrekking heeft op deze bevrijding, zoals blijkt uit de vergelijking met Hoofdstuk 23:27, 28, waar de overste der bende een verslag er van geeft aan Felix.
IV. De maatregelen, die de overste der bende met grote moeite genomen heeft, om Paulus voor zich zelven te laten spreken. Men zou schier evengoed ene worsteling met winden en golven kunnen beginnen als met zulk ene volksmenigte als hier bijeen was, en toch heeft Paulus het gedaan gekregen om hun toe te spreken.
1. Het was niet mogelijk het gevoelen des volks te weten te komen, want toen de overste der bende navraag deed naar Paulus, daar hij misschien nooit te voren zijn naam had horen noemen (zo onbekend zijn de groten met de heiligen en heerlijken, die op aarde zijn, of het veinzen te zijn, riep de een dit, de ander wat anders, zodat het den overste onmogelijk was te weten wat hun gevoelen nu eigenlijk was, daar zij het ook eigenlijk zelf niet wisten, en niet van elkaar wisten, terwijl ieder voorgaf het gevoelen van allen te zeggen. Zij, die naar het geschreeuw der menigte wíllen luisteren, zullen niets met zekerheid te weten komen, evenmin als de torenbouwers van Babel iets met zekerheid wisten, toen hun spraak verward werd.
2. De toorn en woede van het volk was niet tot bedaren te brengen, want toen de overste der bende beval dat men Paulus in de legerplaats, den burcht van Antonia, nabij den tempel, waar het Romeinse krijgsvolk in garnizoen lag, zou brengen, hadden de soldaten zelven grote moeite om hem uit het gedrang en rumoer daarheen te brengen, daar het volk zo heftig was, vers 35. Als hij aan de trappen gekomen was, die naar den burcht voerden, waren de soldaten genoodzaakt hem in hun armen te dragen, (hetgeen hun gemakkelijk viel, want hij was klein van persoon) om hem te beschutten tegen het volk, die hem-zo zij gekund hadden-verscheurd zouden hebben. Toen zij hem met hun wrede handen niet konden bereiken, volgden zij hem met hun scherpe pijlen, hun bittere woorden, volgden zij hem met den kreet: Weg met hem! vers 36. Zie hoe de voortreffelijkste personen en zaken dikwijls door volksgeschreeuw ter neer worden geworpen! Zo werd Christus zelf ter neer geworpen met den kreet: Kruis hem! kruis hem! hoe wel zij niet konden zeggen welk kwaad Hij gedaan heeft. Neem hem weg uit het land der levenden (zo verklaren het de ouden) jaag hem de wereld uit.
3. Eindelijk verzocht Paulus den overste om tot hem te mogen spreken, vers 37. Als Paulus nu in de legerplaats zou geleid worden, zei hij, met grote kalmte en zachtmoedigheid, en met groten eerbied voor hen, die hem omringden, tot den overste: " Is het mij geoorloofd tot u wat te spreken? Zal het niet als ene overtreding der reglementen beschouwd worden, zo ik u enig bericht geef omtrent m ij zelven, daar toch mijne vervolgers geen bericht van mij kunnen geven?" Welk een ootmoedig, bescheiden verzoek! Paulus wist hoe tot de aanzienlijkste personen te spreken, en had menigmaal tot zijne meerderen gesproken, en nu vraagt hij verlof om tot dezen bevelhebber te mogen spreken, en zal niet tot hem spreken voor hij er vergunning toe gekregen heeft. Is het mij geoorloofd tot u wat te spreken? 4. De overste zegt hem wat hij van hem denkt. Kent gij Grieks? Het verwondert mij u in die taal te horen spreken, want, zijt gij dan niet de Egyptenaar, die voor deze dagen oproer verwekte? De Joden maakten het oproer, en toen wilden zij het doen voorkomen, alsof Paulus er hun aanleiding toe had gegeven, door het eerst te beginnen, want waarschijnlijk heb- ben sommigen dit den overste toegefluisterd. Zie wat verkeerde denkbeelden van goede mensen en vrome leraren door sommigen opgevat worden, zonder dat zij zich de moeite geven om zich beter te laten inlichten! Er schijnt kort te voren in dat land een opstand te hebben plaats gehad onder aanvoering van een Egyptenaar, die zich uitgaf voor een profeet. Josephus verhaalt, "dat een Egyptenaar ene oproerige partij heeft gevormd, beloofd had, hun van den Olijfberg den val der muren van Jeruzalem te tonen, en dat zij dan op de puinhopen er van de stad zouden binnentrekken." De overste zegt hier, dat hij, nl. de Egyptenaar, vierduizend moordenaars naar de woestijn uitleidde, moordenaars, rovers, plunderaars, bloeddorstigen. Welk ene ontaarding was er in de Joodse natie, als er zo velen gevonden werden van zulk een karakter, tot zulk ene kleinachting konden komen van den openbaren vrede! Maar Josephus zegt, dat Felix, de Romeinse stadhouder, tegen hen optrok, vier honderd van hen heeft gedood, en twee honderd gevangen nam, en dat de overigen verstrooid werden. Antiq. 20, 6. De Bello, Judas 2, 12. Ook Eusebius spreekt er van, Hist. 2, 20. Het had plaats in het dertiende jaar van Claudius, een weinig voor deze dagen, ongeveer drie jaren te voren. De aanvoerder van dien opstand schijnt gevlucht te zijn, en de overste dacht dat iemand, die onder zulk een blaam scheen te liggen als Paulus, en tegen wie zulk een geweldig geschreeuw opging, geen mindere misdadiger kon zijn dan deze Egyptenaar. Zie hoe Godvruchtige mensen door vergissing aan kwaadwilligheid blootgesteld kunnen zijn!
5. Paulus herstelt deze vergissing door hem te kennen te geven wie en wat hij was: niet zulk een landloper en schelm als die Egyptenaar. Neen, ik ben een Joods man, en geen Egyptenaar, een Jood naar geboorte en Godsdienst. Ik ben van Tarsen, ene stad in Cilicië, heb achtenswaardige ouders, die mij ene goede, beschaafde opleiding hebben gegeven, (Tarsen was ene academiestad.) En behalve dat, ik ben een burger von ene niet onvermaarde stad, of hij Tarsen bedoelt, of Rome, is niet zeker , geen van beiden was onvermaard, en van beiden had hij het burgerrecht. Hoewel de overste hem onder de hatelijke verdenking hield van die Egyptenaar te zijn, bleef hij toch kalm, barstte hij niet los in hartstochtelijke verwensingen van den tijd, waarin hij leefde, of van de mensen met wie hij te doen had, heeft hij geen schelden voor schelden vergolden, maar kalm en zachtmoedig de beschuldiging afgewezen, en verklaard wie en wat hij was.
6. Hij vroeg den overste, wiens gevangene hij nu was, nederig om verlof om tot het volk te mogen spreken. Hij eist dit niet als een recht, hoewel hij dit had kunnen doen, maar verzoekt het als ene gunst, waarvoor hij dankbaar zal zijn: ik bid u, laat mij toe tot het volk te spreken. De overste had hem met geen ander doel gered, dan om hem onpartijdig gehoor te verlenen, om hem nu te tonen dat zijne zaak gene kunstelijk bedachte verdediging behoefde om er een schoon aanzien aan te geven, begeert Paulus terstond zijne verdediging te mogen voordragen, want zij behoefde slechts in het ware licht gesteld te worden. Hij heeft er ook niet alleen op gesteund, dat zijne zaak goed was, maar wèl steunde en betrouwde hij op de goedheid en getrouwheid van zijn Beschermer, zijn Meester, en op zijne belofte aan allen, die voor Hem spreken, Zijne zaak verdedigen, dat het hun te dier ure gegeven zal worden wat zij spreken zullen. Eindelijk. Hij ontving verlof om zijne zaak te bepleiten, want hij had het niet nodig, dat hem rechtskundigen bijstand gegeven werd, als toch de Geest des Vaders in hem spreken zal, Mattheus 10:20. De overste liet het hem toe, vers 40, zodat hij nu met gemakkelijkheid zowel als met kloekmoedigheid spreken kon. Hem werd door den overste-ik wil niet zeggen die gunst verleend-maar het recht gedaan, dat hij van zijne landslieden, de Joden, niet verkrijgen kon, want zij weigerden hem te horen, maar de overste heeft dit niet geweigerd, hij wilde hem wel horen, al was het maar om zijne eigene nieuwsgierigheid te bevredigen. Dit verlof toegestaan zijnde:
1. Was het volk nu aandachtig om te horen. Paulus stond op de trappen, hetgeen aan een man van ene kleine statuur, zoals Zacheus, enig voordeel gaf, en bijgevolg ook vrijmoedigheid in het spreken. Het was wel een armzalige kansel, doch beter dan er in het geheel geen te hebben, hij beantwoordde aan het doel, ofschoon hij niet zoals Ezra's hoge houten stoel voor dat doel vervaardigd was. Daar wenkte hij met de hand tot het volk, maakte hun tekenen, dat zij stil moesten zijn, en een weinig geduld moesten hebben, omdat hij hun iets te zeggen had, en in zo verre heeft hij zijn doel bereikt, dat iedereen zijn naaste tot stilzwijgen aanmaande, zodat er ene grote stilte geworden was. Waarschijnlijk heeft ook de overste aan allerlei mensen om zich heen stilte geboden, want indien van het volk niet geëist ware gehoor te verlenen, zou het nergens toe gediend hebben om aan Paulus verlof tot spreken te hebben gegeven. Als er voor Christus en Zijn Evangelie gesproken moet worden, dan behoort er grote stilte te zijn, opdat wij ons te meer zullen houden aan hetgeen door ons gehoord is.
2. Paulus richtte zich nu om te spreken, wel verzekerd zijnde, dat hij even waarlijk en krachtig de belangen van Christus' koninkrijk diende, als toen hij in de synagoge predikte. Hij sprak hen aan in de Hebreeuwse taal, dat is: in hun eigene landstaal, waarmee hij dus zijne blijvende betrekking tot, en zijn voortdurenden eerbied voor, die taal te kennen gaf.