Johannes 1:19-28
Wij hebben hier de getuigenis van Johannes, die hij gegeven heeft aan de boden, die van Jeruzalem gezonden waren om hem te ondervragen. Merk hier op:
I. Wie gezonden waren en wie hen zond.
1. Die tot hem zonden, waren "de Joden te Jeruzalem", het grote sanhedrin, of de grote raad, die te Jeruzalem zetelde en de Joodse kerk vertegenwoordigde en kennis nam van alle zaken, den Godsdienst betreffende. Men zou gedacht hebben, dat zij, die de bronnen waren van geleerdheid, de leidslieden der kerk, door hun boeken de tijden zo goed moeten verstaan hebben, dat zij wisten, dat de Messias nabij was, en dus ook terstond Zijn voorloper moesten herkend hebben en hem geredelijk geloof hebben geschonken, maar in plaats hiervan zenden zij boden, die hem een kruisverhoor laten ondergaan. Wereldlijke geleerdheid, eer en macht zullen maar zelden het hart der mensen neigen om het Goddelijk licht te ontvangen.
2. De afgezondenen waren:
a. Priesters en Levieten, waarschijnlijk leden van den raad, mannen van geleerdheid, ernst en gezag. Johannes de Doper was zelf een priester uit het zaad van Aäron, en daarom betaamde het, dat hij alleen door priesters ondervraagd zou worden. Van Johannes' bediening was voorzegd, dat zij de kinderen van Levi zal reinigen. Maleachi 3:3, en daarom waren zij naijverig op hem en op zijne reformatie.
b. Zij waren uit de Farizeeën, trots, eigengerechtig, denkende gene bekering van node te hebben, en dus konden zij den man niet verdragen, die het zich ten taak had gesteld om bekering te prediken.
II. Op welke boodschap zij uitgezonden waren. Het was om een onderzoek in te stellen nopens Johannes en zijn doop. Zij hebben hen niet gezonden om Johannes tot hen te voeren, waarschijnlijk omdat zij het volk vreesden, opdat het volk ter plaatse waar Johannes was niet tot opstand geprikkeld zou worden, of opdat het volk ter plaatse waar zij waren, niet met hem bekend zou worden en onder zijn invloed zou komen, en zo dachten zij het goed om hem te laten waar hij was. Zij stellen een onderzoek bij hem in:
1. Om hun nieuwsgierigheid te bevredigen, zoals de Atheners navraag deden naar de leer van Paulus, Handelingen 17:19, 20. Zij hadden zulk een trotsen eigenwaan, dat de leer der bekering voor hen een vreemde leer was.
2. Om hun gezag te doen gelden. Zij dachten groot en voornaam te zijn, toen zij rekenschap eisten van den man, die door iedereen geacht werd een profeet te zijn, en hem voor hun rechterstoel daagden. Het was met de bedoeling hem te vernietigen, hem tot stilzwijgen te doemen, zo zij er slechts een schijn van reden voor konden vinden, want zij waren afgunstig op zijn toenemenden invloed, en zijne bediening kwam niet overeen met de Mozaïsche bedeling onder welke zij zo lang geleefd hadden, noch met het denkbeeld, dat zij zich van het koninkrijk van den Messias hadden gevormd. III. Het antwoord, dat hij hun gaf, en de rekenschap, die hij aflegde van zich zelven en van zijn doop, en in die beide heeft hij van Christus getuigd.
1. Betreffende zich zelven en wat hij beleed te zijn. Zij vroegen hem- Gij, wie zijt gij ? Johannes' verschijning in de wereld was verrassend. Hij was in de woestijn tot den dag zijner vertoning aan Israël. Er was iets in zijn geest, zijn wandel, zijne leer, dat eerbied afdwong, maar hij heeft zich niet, gelijk verleiders gewoon zijn te doen, voor een grote of machtige uitgegeven. Hij legde er zich meer op toe om goed te doen dan om groot te schijnen, en daarom sprak hij niet van zich zelven, voor hij wettelijk ondervraagd werd. Diegenen spreken het best voor Christus, die het minst over zich zelven spreken, wier werken hen prijzen, en niet hun lippen. Hij antwoordt op hun ondervraging.
a. Ontkennenderwijs. Hij was niet die grote, waarvoor sommigen hem hielden. Gods getrouwe getuigen zijn meer op hun hoede tegen onbehoorlijke eerbied dan tegen onrechtvaardige minachting. Paulus schrijft met evenveel warmte tegen hen, die hem overschatten, en zeiden: Ik ben van Paulus, als tegen hen, die hem onderschatten, en zeiden, dat zijn lichamelijke tegenwoordigheid zwak was, en hij scheurde zijne klederen, toen hij een god genoemd werd. Johannes ontkent, dat hij de Christus is, vers 20. Hij beleed: Ik ben de Christus niet, die thans verwacht wordt. De dienstknechten van Christus moeten gedenken, dat zij de Christus niet zijn, en daarom moeten zij zich Zijne macht en kroonrechten niet aanmatigen, noch zich den lof toe-eigenen, die Hem alleen toekomt. Zij zijn Christus niet, en daarom moeten zij over Gods erfdeel niet heersen, noch zich ene heerschappij aanmatigen over het geloof der Christenen. Zij kunnen gene genade en vrede scheppen, zij kunnen niet verlichten en bekeren, niet levend maken en vertroosten, want zij zijn Christus niet. Merk op hoe nadrukkelijk dit hier van Johannes gezegd wordt.
Hij beleed, en loochende het niet, en beleed, het duidt zijne vurigheid en standvastigheid aan om dit te betuigen. Verzoeking tot hoogmoed en ons ene ere aan te matigen, die ons niet toekomt, moet met kracht en ernst worden weerstaan. Toen men Johannes voor den Messias hield, heeft hij dit niet oogluikend toegelaten, of het zich stilzwijgend laten aanleunen, met een "Si populus vult decepi, decipiatur" -indien de lieden bedrogen willen zijn, zo laat hen bedrogen wezen, maar openlijk en plechtig zonder dubbelzinnigheid, beleed hij: "Ik ben de Christus niet'"hoti ouk eimi ego ho Christos -Ik ben niet de Christus, niet ik, een ander is nabij, die het is, maar ik ben het niet. Zijn ontkennen dat hij zelf de Christus is, wordt genoemd zijn belijden en niet loochenen van Christus. Zij, die zich verootmoedigen en zich vernederen, belijden hierdoor Christus en geven Hem ere, maar zij, die zich zelven niet willen verloochenen, verloochenen hierdoor Christus. Hij ontkent, dat hij Elias is, vers 21. De Joden verwachtten, dat de persoon van Elias weer zou keren van den hemel en onder hen zou wonen, en daar stelden zij zich grote dingen van voor. Horende van Johannes' karakter, van zijne leer en zijn doop, en bemerkende dat hij verscheen als iemand, die, als het ware, onverwacht van uit den hemel was neergekomen in hetzelfde deel des lands, vanwaar Elia in den hemel was opgenomen, is het niet te verwonderen, dat zij bereid waren hem voor dezen Elia te houden. Maar ook deze eer wees hij af. Wel was van hem onder den naam van Elia geprofeteerd, Maleachi 4:5, en hij kwam in den geest en de kracht van Elias, Lukas 1:17, en hij was ook de Elias, die komen zou, Mattheus 1 l:14, maar hij was niet de persoon van Elias, niet de Elias, die in den vurigen wagen ten hemel was gevaren, daar deze Christus heeft ontmoet, toen Hij op den berg van gedaante werd veranderd. Hij was de Elias, dien God had beloofd, niet de Elias, van wie zij in hun dwaasheid droomden. Elias is gekomen, en zij hebben hem niet gekend, Mattheus 17:12, ook heeft hij zich niet aan hen bekend gemaakt als de Elias, omdat zij zich een Elias beloofden, dien God hun niet had beloofd. Hij ontkent, dat hij is de profeet. Ten eerste. Hij was niet de profeet, van wie Mozes zei, dat de Heere hem zou verwekken uit het midden hunner broederen, als hij (Mozes). Indien zij dit bedoelden, dan behoefden zij die vraag niet te doen, want die profeet was niemand anders dan de Messias, en hij had reeds gezegd: Ik ben de Christus niet. Ten tweede. Hij was niet zulk een profeet als zij verwachtten en wensten, die gelijk Samuël en Elia en sommigen van de andere profeten, zich met de publieke zaken zou inlaten, en hen van het Romeinse juk zou verlossen. Ten derde. Hij was niet een der oude profeten, opgewekt van de doden, zoals zij er een verwachtten, die voor Elia zou komen, gelijk Elia voor den Messias. Ten vierde. Hoewel Johannes een profeet was, ja meer dan een profeet, had hij zijn openbaringen toch niet door dromen en nachtgezichten, zoals de profeten des Ouden Testaments, zijne opdracht en zijn werk waren van een anderen aard en behoorden toe een andere bedeling. Indien Johannes gezegd had, dat hij Elia was, en een profeet was, dan zou hij zijn zeggen wel hebben kunnen bewijzen, maar de bedienaren van het Evangelie behoren zich ten allen tijde met de grootste voorzichtigheid uit te laten, zowel om het volk niet te bevestigen in hun dwalingen, als ook, en inzonderheid, om aan niemand aanleiding te geven om hoger van hen te denken dan betamelijk is.
b. Bevestigenderwijs. Die afgezonden waren om hem te ondervragen drongen aan op een bepaald antwoord, vers 22, zich beroepende op het gezag van hen, door wie zij gezonden waren, en waaraan hij, naar zij verwachtten, eerbied zou betonen. "Zeg ons, wie zijt gij? Niet opdat wij u geloven en door u gedoopt zullen worden, maar opdat wij antwoord geven mogen degenen, die ons gezonden hebben, en het niet van ons gezegd kan worden, dat wij, als dwazen, van een vergeefse reis t, huiskomen." Johannes werd voor een oprecht man gehouden, en daarom geloofden zij, dat hij hun geen ontwijkend antwoord zou geven, maar open en rondborstig zou zijn, een duidelijk antwoord zou geven op een duidelijke vraag: Wat zegt gij van uzelven? En dat deed hij dan ook. Hij zei: Ik ben de stem des roependen in de woestijn. Merk op: Dat hij zijn antwoord geeft in de woorden der Schrift, om te tonen, dat de Schrift in hem vervuld was, en dat zijn ambt steunde op Goddelijk gezag. Hetgeen de Schrift zegt van het ambt der Evangeliebediening, moet dikwijls overdacht worden door hen, die deze hoge roeping hebben, en zich zelven moeten beschouwen als alleen datgene te zijn wat het Woord Gods hen maakt. Hij geeft zijn antwoord in zeer ootmoedige, bescheidene en zelf-verloochenende uitdrukkingen. Hij verkoos die Schrift op zich toe te passen, die niet zijne waardigheid, maar zijn plicht en zijne afhankelijkheid te kennen geeft, die hem aanduidt als klein en gering: Ik ben de stem, alsof hij vox et praeterea nihil -bloot ene stem, was. Wat hij omtrent zich zelven zegt zou hun nuttig kunnen wezen, hen kunnen opwekken om naar hem te luisteren, want hij was de stem, zie Jesaja 40:3, ene stem om te ontstellen en te ontroeren, een duidelijke stem, om te onderwijzen. Leraren zijn slechts de stem, het voertuig, waarvan het Gode behaagt zich te bedienen om Zijn wil kenbaar te maken. Wat zijn Paulus en Apollos anders dan boodschappers? Hij was een menselijke stem. Het volk was bereid om de wet te ontvangen door de stem van donderslagen en een zeer luide bazuin, die hen deden sidderen, maar om het Evangelie te ontvangen werden zij bereid door de stem van een mens, gelijk als wij, een zachte, liefelijke stem, zo als die waarin God kwam tot Elia, 1 Koningen 19:12. Hij was de stem eens roependen, hetgeen aanduidt:.
1. Zijn ernst en aandrang in zijn roepen van het volk tot bekering, hij riep uit de keel en hield niet in. Evangeliedienaren moeten prediken als degenen wie het ernst is, die zelven bewogen zijn door de dingen, door welke zij anderen willen bewegen. Woorden, die als het ware bevriezen op de lippen des sprekers, zullen het hart der hoorders niet ontdooien. 2. Zijn openlijke bekendmaking van de leer, die hij predikte, hij was de stem eens roependen, zodat allerlei mensen hem konden horen en letten op hetgeen hij zei: Roept de wijsheid niet? Spreuken 8:1. Het was in de woestijn, dat deze stem riep, in ene plaats der stilte en der eenzaamheid, buiten het gedruis en het gewoel der wereld en der wereldse zaken. Hoe meer wij ons terugtrekken uit het gewoel der wereldse zaken, hoe meer wij bereid zijn om van God te horen. Wat hij riep was: Maakt den weg des Heeren recht, dat is: hij kwam om de vergissingen der mensen betreffende Gods weg te herstellen. Het is zeker, dat Gods weg recht is, maar de schriftgeleerden en Farizeeën hebben hem door hun verdorven uitleggingen van de wet krom en verdraaid gemaakt. Nu riep Johannes de mensen om tot den oorspronkelijken regel terug te keren. Hij kwam om de mensen te bereiden en geneigd te maken om Christus en Zijn Evangelie aan te nemen. Het is ene toespeling op de voorlopers van een vorst of een grote der aarde, die riepen: Maakt plaats. Als God tot ons komt, moeten wij bereid zijn Hem te ontmoeten, en aan het woord des Heeren vrijen loop te laten. Zie Psalm 24:7.
3. Zijn getuigenis betreffende zijn doop.
a. De vraag der afgezondenen luidde: Waarom doopt gij, indien gij de Christus niet zijt, noch Elias, noch de profeet? vers 25. Zij hebben geredelijk verstaan, dat de doop zeer gepast gebruikt wordt, als een heilige plechtigheid, want de Joodse kerk had er nevens de besnijdenis gebruikt van gemaakt voor de toelating van proselieten, om aan te duiden, dat zij nu van hun vroegeren staat gereinigd waren. Daarna is dit teken ook in de Christelijke kerk aangenomen, want Christus stond naar gene nieuwigheden, en dat moeten Zijne dienstknechten ook niet. Zij verwachtten, dat er in de dagen van den Messias gebruik van gemaakt zou worden, omdat beloofd was, dat alsdan ene fontein geopend zou worden, Zacheria 13:1, en rein water op hen gesprengd zou worden, Ezechiël 36:25. Algemeen werd aangenomen dat Christus, en Elias en de profeet zouden dopen, als zij kwamen om een verontreinigde wereld te reinigen. De Goddelijke gerechtigheid heeft de oude wereld doen verdrinken in hare onreinheid, maar de Goddelijke genade heeft er in voorzien dat de nieuwe wereld van hare onreinheid gereinigd zou worden. Daarom wilden zij weten door wat macht of gezag Johannes doopte. Zijne ontkenning, dat hij Elias was of de profeet, deed hen dan nu deze vraag stellen: Waarom doopt gij dan? Het is niets nieuws, dat iemands nederigheid of bescheidenheid als een wapen tegen hem wordt gebruikt, en ten zijnen nadele, maar het is beter dat de mensen van de geringe gedachten, die wij van ons zelven koesteren, gebruik maken om ons te vertreden, dan dat de duivel gebruik maakt van onze hoge gedachten omtrent ons zelven, om ons te verleiden tot hoogmoed en ons in zijn oordeel te doen vallen.
b. Wat Johannes getuigde van zijn doop. Hij erkende, dat hij slechts de bedienaar was van het uitwendig teken: Ik doop met water, en dat is alles. Ik ben niets meer, en doe niets meer dan wat gij ziet, ik heb geen anderen titel dan Johannes de Doper, de geestelijke genade, waarvan de doop het teken is, kan ik niet mededelen. Paulus was in zorge, dat toch niemand van hem zou denken boven hetgeen men zag, dat hij was, 2 Corinthiërs 12:6, en ook Johannes de Doper vreesde hiervoor. Dienaren moeten zich niet voordoen als meesters. Hij wees hen op Enen, die meerder was dan hij, en, zo zij het toelieten, datgene voor hen zou doen, dat hij niet kon: "Ik doop u met water, en dat is het uiterste van mijne opdracht, ik heb niets anders te doen. dan u hierdoor heen te leiden naar Enen, die na mij komt, en u aan Hem over te geven". Het grote werk van Christus' dienstknechten is alle mensen tot Hem te leiden. Wij prediken niet ons zelven, maar Christus Jezus den Heere. Johannes zei aan deze afgezondenen hetzelfde wat hij aan het volk gezegd heeft, vers 15. Deze was het, van wie ik zei. Johannes was standvastig en eenvormig in zijne getuigenis, niet als een riet, dat door den wind heen en weer wordt bewogen. Het sanhedrin was naijverig op zijn invloed op het volk, maar hij vreest niet hun te zeggen, dat er Een nabij is, die hem ver zal overtreffen. Ten eerste. Hij spreekt hun van Christus' tegenwoordigheid onder hen, dat Hij thans onder hen tegenwoordig is: Hij staat midden onder ulieden, dien gij niet kent. Christus stond onder het gewone volk, en was als een hunner. Er ligt veel ware grootheid verborgen in deze wereld, onbekendheid is dikwijls het lot van wezenlijke voortreffelijkheid. De heiligen zijn Gods verborgenen, daarom kent de wereld hen niet. God zelf is ons dikwijls meer nabij dan wij weten. De Heere is aan deze plaats, en ik heb het niet geweten. Zij bleven staren in hun verwachting van den Messias en zeiden: Zie Hij is hier. of, zie Hij is daar, toen het koninkrijk Gods reeds onder hen lieden was, Lukas 17:21. Ten tweede. Hij spreekt hun van Christus' uitnemendheid boven hem, Hij komt na mij, en is toch voor m ij geworden. Dat had hij tevoren reeds gezegd. nu voegt hij er bij: wie ik niet waardig ben, dat ik Zijn schoenriem zou ontbinden. Ik kan niet op een dag met Hem genoemd worden, het is een te grote eer voor mij, om in den geringsten post van dienst bij Hem geplaatst te worden, 1 Samuël 25:41. Zij, aan wie Christus dierbaar is, achten Zijn dienst, ook zelfs tot in de geringste en meest geminachte bijzonderheden er van, als een grote eer, Psalm 84:11. Indien zo groot een man als Johannes zich de eer onwaardig achtte om in Christus' nabijheid te zijn, hoe onwaardig moeten wij ons zelven dan niet achten! Nu zou men denken, dat deze overpriesters en Farizeeën, toen hun de nadering van den Messias te kennen werd gegeven, terstond zouden vragen, wie en waar deze voortreffelijke Persoon was, en wie zou dan meer instaat zijn geweest het hun te zeggen dan hij, die hun reeds deze algemene inlichting had verstrekt? Maar neen, zij dachten niet, dat zij iets hier mede van doen hadden, zij kwamen om Johannes lastig te vallen, niet om onderricht van hem te ontvangen, zodat hun onwetendheid moedwillig was, zij zouden met Christus bekend hebben kunnen worden, maar zij wilden niet.
Eindelijk. Er wordt ook nota genomen van de plaats, waar dit alles geschied was: in Bethabara, over den Jordaan, vers 28. Beth-abara betekent huis van den overtocht. Sommigen denken, dat het aan die plaats was, waar Israël door den Jordaan trok, om onder aanvoering van Jozua in het Beloofde Land te komen, dáár werd dan ook de weg geopend naar den Evangeliestaat door Jezus Christus. Het was op een groten afstand van Jeruzalem, over den Jordaan, waarschijnlijk omdat hetgeen hij daar deed, het minst aanstoot zou geven aan de regering. Amos moest naar buiten, op het land, gaan om te profeteren, niet in de nabijheid van het hof, maar het was treurig, dat Jeruzalem hetgeen tot haren vrede diende zo ver van zich weg deed. Hij heeft deze belijdenis afgelegd terzelfder plaatse, waar hij doopte, opdat allen, die tot zijn doop kwamen, er getuigen van zouden zijn, en niemand zou kunnen zeggen, dat zij niet wisten wat zij van Hem denken zouden.