Lukas 3:15-20
Thans naderen wij tot den tijd der openbare verschijning van onzen Heere Jezus, niet lang na de morgenster verrijst de zon aan de kim. Er wordt ons hier gezegd:
I. Hoe het volk naar aanleiding van den doop en de bediening van Johannes er toe gebracht werd om aan den Messias te denken, Hem zich voor te stellen als aan de deur, als reeds gekomen. Aldus was de weg des Heeren bereid, en was het volk bereid om Christus welkom te heten, want als de verwachtingen der mensen zijn opgewekt, dan wordt het verwachte dubbel welkom. Toen zij nu bemerkten welk een voortreffelijke leer het was, die Johannes predikte, en van hoe Goddelijke kracht zij vergezeld ging, en welk een strekking zij had om ene hervorming teweeg te brengen in de wereld, begonnen zij te bedenken dat het nu de tijd was, waarop de Messias moest verschijnen. De scepter was van Juda geweken, want zij hadden geen koning dan den keizer, ja, en ook de wetgever was geweken van tussen zijne voeten, want Herodes had nu onlangs het sanhedrin omgebracht. Daniëls zeventig weken liepen ten einde, en daarom waren er nu slechts drie of vier jaren na welke, naar zij dachten, het koninkrijk der hemelen openbaar zou worden, Lukas 19:11. Nooit was voor den verdorven staat der Joden meer behoefte aan ene hervorming, en voor hun ellendig-verdrukten staat meer behoefte aan verlossing, dan nu. En de volgende gedachte, die bij hen opkwam, was: Is deze niet degene, die komen zou? Alle denkende mensen peinsden, overlegden in hun harten van Johannes, of hij niet mogelijk de Christus ware. Wèl had hij niets van de uitwendige pracht en grootheid, waarmee zij over het algemeen den Messias verwachtten, maar zijn leven was nauwgezet en heilig, zijne prediking krachtig en gezaghebbend, en dus: waarom. zouden wij niet mogen denken, dat hij de Messias is en dat hij weldra zijne vermomming zal afwerpen, om dan in meer glans en heerlijkheid op te treden? Hetgeen de mensen doet nadenken en bij zich zelven overleggen, bereidt den weg voor Christus.
II. Hoe Johannes alle aanspraak afwees op de eer van zelf de Messias te zijn, maar hen bevestigde in hun verwachting van Hem, die wezenlijk de Messias was, vers 16, 17. Johannes' ambt als heraut bestond in aan te kondigen, dat het koninkrijk Gods en de koning van dat koninkrijk nabij waren, daarom heeft hij, na aan allerlei mensen ieder afzonderlijk gezegd te hebben wat zij doen moesten- "Gij moet dit doen, en gij moet dat doen" -hen nog gezegd wat zij allen moesten doen: zij moeten verwachten, dat de Messias nu weldra zal verschijnen. En dit dient tot antwoord op hun overleggingen en gesprekken nopens hem zelven. Hoewel hij hun gedachten niet kende, heeft hij toch door hun dit te verklaren, er op geantwoord.
1. Hij verklaart dat het uiterste wat hij voor hen doen kon was: hen te dopen met water. Hij had geen toegang tot den Geest, dien kon hij niet gebieden, of op Hem werken, hij kon hen slechts vermanen om zich te bekeren, en hun verzekeren dat zij op hun bekering vergeving van zonden zouden verkrijgen. Hij kon de bekering niet in hen werken, en hun gene vergiffenis verlenen.
2. Hij verwijst hen naar, geeft hen als het ware over aan, Jezus Christus, voor wie hij gezonden was om Hem den weg te bereiden, en aan wie hij gaarne bereid was de genegenheid, die het volk voor hem had, over te dragen. Hij wilde hen niet langer onder elkaar laten redetwisten over de vraag of hij al of niet de Messias was, hij verlangde dat zij zouden uitzien naar Hem, die het werkelijk was. a. Johannes erkent dat in den Messias groter voortreffelijkheid was dan hij bezat, dat Hij in alle opzichten boven hem te verkiezen is, Hij is iemand, wiens schoenriem hij zich niet waardig acht te ontbinden, hij acht zich zelven onwaardig om de geringste Zijner dienstknechten te zijn, Hem bij het uit- en aantrekken Zijner schoenen behulpzaam te wezen. Johannes was profeet, ja meer dan een profeet, meer profeet dan een der Oud Testamentische profeten, maar Christus was een Profeet, meerder en groter dan Johannes, want het was beide door den Geest van Christus en de genade van Christus, dat alle profeten geprofeteerd hebben, en Johannes onder hen, 1 Petrus 1:10, 11. Dit was een grote waarheid, die Johannes is komen prediken, maar de wijze, waarop hij het uitdrukt, toont zijne nederigheid, en daarin laat hij den Heere Jezus niet slechts recht wedervaren, maar eert hij Hem tevens. "Hij is iemand, wie is niet waardig ben te naderen, ja zelf niet als een dienstknecht." Het betaamt ons op zo hoog-eerbiedige wijze van Christus te spreken, en met zoveel nederigheid van ons zelven.
b. Hij erkent dat Hij grotere kracht bezit dan hij had: "Hij is sterker dan ik, doet wat ik niet doen kan, zowel voor de vertroosting der gelovigen als voor de verschrikking van de geveinsden." Zij dachten dat er een wonderbare kracht uitging van Johannes, maar wat was die, vergeleken bij de kracht en macht, waarmee Jezus bekleed was! Johannes kan niet meer dan dopen met water, ten teken dat zij zich behoorden te reinigen, maar Christus kan en zal dopen met den Heiligen Geest. Hij kan den Geest geven om het hart te reinigen, niet slechts zoals water het vuil afwast van de buitenzijde, maar zoals vuur het schuim en vuil uitzuivert dat in het binnenste is, en het metaal doet smelten, opdat het in een nieuwen vorm gegoten kan worden. Johannes kan slechts een onderscheidende leer prediken en door woord en teken "het kostelijke van het snode uittrekken", maar Christus heeft Zijne wan in Zijne hand, waarmee Hij de tarwe van het kaf volkomen kan en zal afscheiden. Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, het is de Zijne, en daarom zal Hij hem doorzuiveren, en Hij zal de ongelovige en onboetvaardige Joden uit Zijne kerk werpen, en in Zijne kerk bevestigen allen, die Hem getrouwelijk volgen. Johannes kan slechts van troost spreken tot hen, die het Evangelie aannemen, en, evenals de andere profeten, tot de rechtvaardigen zeggen, dat het hun wel zal gaan, maar Jezus Christus zal hun troost geven. Johannes kan hun slechts beloven, dat zij behouden zullen worden, maar Christus kan hen behouden, kan hen zalig maken: Hij zal de tarwe in Zijne schuur samenbrengen. Goede, ernstige, degelijke mensen zal Hij thans samenbrengen in Zijne kerk op aarde, die uit zulke mensen bestaan zal, en weldra zal Hij hen vergaderen in Zijne kerk in den hemel, waar zij voor altijd beschut zullen zijn. Johannes kan de geveinsden slechts dreigen, en den onvruchtbaren bomen aanzeggen, dat zij uitgehouwen en in het vuur geworpen zullen worden, maar Christus kan die bedreiging ten uitvoer brengen, Hij zal hen, die als kaf zijn, licht en ledig en waardeloos, met onuitblusselijk vuur verbranden. Johannes verwijst hier naar Maleachi 3:18, 4:1, 2. Dan, als de dorsvloer doorzuiverd is, zult gijlieden wederom zien het onderscheid tussen den rechtvaardige en den goddeloze, want ziet, die dag komt, brandende als een oven. De evangelist besluit zijn bericht van Johannes' prediking met een "En zo voort", vers 18.
Hij dan ook nog vele andere dingen vermanende, die niet vermeld worden, verkondigde den volke het Evangelie. Ten eerste: Johannes was een liefdevol prediker, hij was parakaloon-vermanende, smekende, hij legde zijnen hoorders de zaken aan het hart, hij hield zich aan zijne leer, als iemand wie het ernst is. Ten tweede: Hij was een praktisch prediker. Veel van zijne prediking bestond in vermanen, hen opwekkende tot hun plicht, hen hieromtrent den weg wijzende, en hen met geen bespiegelingen bezighoudende. Ten derde: Hij was een populair prediker, een prediker dus, die gaarne gehoord werd door het volk. Hoewel hij schriftgeleerden en Farizeeën, mannen van beschaving en geleerdheid, onder zijn gehoor had, en ook Sadduceeën, mannen van de vrije gedachte, zoals zij zich gaarne noemden, richtte hij zich toch tot het volk, pros ton laon -de leken, en schikte zich naar hun bevatting, daar hij zich onder hen den meesten voorspoed beloofde. Ten vierde, Hij was een Evangelisch prediker, want dat is de betekenis van het woord eueggelizeto. -Hij predikte den volke het Evangelie, in al zijne vermaningen wees hij de mensen op Christus, wekte hij hun verwachtingen van Hem op en moedigde hen aan. Als wij de mensen aansporen tot plichtsbetrachting, dan moeten wij hen op Christus wijzen voor gerechtigheid en voor kracht. Ten vijfde, Hij was een overvloedig prediker, polla men kai hetera -vele en verschillende dingen. Hij predikte veel, liet niet na den gehelen raad Gods te verkondigen, en hij bracht afwisseling, verscheidenheid in zijne prediking, zodat zij, die door de ene waarheid niet werden getroffen, of er geen indruk van ontvingen, onder den invloed ener andere konden komen.
III. Hoe aan Johannes' prediking voor goed een einde werd gemaakt. Temidden van zijn nuttigen, zo veelbelovenden arbeid werd hij door de boosaardigheid van Herodes in den kerker geworpen, vers 19, 20. Als Herodes, de viervorst, van hem bestraft werd, niet slechts wegens zijn leven in bloedschande met de huisvrouw van zijn broeder Filippus, maar ook over alle boze stukken, die Herodes deed - want zij, die slecht zijn in het ene, zijn het gewoonlijk ook in vele andere dingen. Herodes kon de bestraffing niet verdragen, hij vatte een tegenzin tegen hem op wegens zijne oprechtheid en zo heeft hij bij al zijne goddeloosheid nog daartoe gedaan, hetgeen inderdaad boven alles was, dat hij Johannes in de gevangenis gesloten heeft, die brandende en lichtende kaars onder een korenmaat heeft gezet. Omdat hij zijne bestraffingen niet kon verdragen, moeten anderen van het voorrecht beroofd worden van zijn onderwijs en raad te ontvangen. Een weinig goed zal hij nog kunnen doen aan hen, die toegang tot hem hadden in de gevangenis, maar dit was niets, in vergelijking met hetgeen hij had kunnen doen, indien hij, evenals vroeger, vrij het land door had kunnen gaan. Wij kunnen niet denken aan deze daad van Herodes zonder het grootste medelijden, noch aan Gods toelating er van zonder de diepte te bewonderen van de Goddelijke raadsbesluiten, waarvan wij de reden niet kunnen bevroeden. Moet hem het zwijgen worden opgelegd, die. de stem des roependen is in de woestijn? Moet zulk een prediker in de gevangenis worden opgesloten, dien men in de voorhoven des tempels had moeten laten optreden? Maar aldus moet het geloof zijner discipelen beproefd worden, aldus moet het ongeloof worden gestraft van hen, die hem verwierpen, aldus moet hij, in lijden, zowel als in prediking, Christus' voorloper zijn, en aldus moet hij, na ongeveer anderhalf jaar het volk te hebben bereid voor Christus, nu plaats voor Hem maken. De Zon opgegaan zijnde, moet de morgenster natuurlijk verdwijnen.