Mattheus 28:1-10
Als bewijs voor Christus' opstanding hebben wij hier het getuigenis van den engel en van Christus zelven betreffende Zijne opstanding. Nu zouden wij kunnen denken, dat het beter zou geweest zijn, indien het zo geschikt ware, dat een genoegzaam aantal getuigen tegenwoordig ware geweest, die den steen door den engel hadden zien afwentelen, het dode lichaam hadden zien herleven, zoals de mensen Lazarus uit het graf zagen komen, dan zou de zaak onbetwistbaar geweest zijn. Maar laat ons aan de oneindige Wijsheid de wet niet willen stellen, die het zo beschikt heeft, dat de getuigen Zijner opstanding Hem opgestaan zagen, maar Hem niet zagen opstaan. Zijne menswording was ene verborgenheid, en ook Zijn tweede menswording (als wij het zo mogen noemen) was ene verborgenheid, het was het nieuwe maken, als het ware, van Christus' lichaam voor Zijn staat van verhoging, en daarom was het in het verborgene gemaakt. Zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben. Christus heeft zulke bewijzen gegeven van Zijne opstanding als bevestigd werden door de Schriften, en door het woord, dat Hij heeft gesproken, Lukas 24:6, 7, 44, Markus 16:7. Want hier beneden moeten wij wandelen door het geloof en niet door aanschouwen. Wij hebben hier:
I. De komst der vrouwen bij het graf. Merk op:
1. Wanneer zij kwamen, na den sabbat, als het begon te lichten, tegen den eersten dag der week, vers 1. Dit bepaalt den tijd van Christus' opstanding.
a. Hij verrees op den derden dag na Zijn dood, dat was het tijdstip, dat Hij dikwijls tevoren er voor bepaald had, en daarbij bleef Hij. Hij werd begraven aan den avond van den zesden dag der week, en Hij stond op aan den morgen van den eersten dag der daarop volgende week, zodat Hij ongeveer zes en dertig of acht en dertig uren in het graf heeft gelegen. Hij lag er zolang om te tonen, dat Hij wezenlijk en werkelijk dood was, en niet langer, opdat Hij de verderving niet zien zou. Hij stond op ten derden dage, om te beantwoorden aan het type van Jona, den profeet, Hoofdstuk 12:40, en de voorzegging te vervullen, Hosea 6:2. Op den derden dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven.
b. Hij stond op na den Joodsen sabbat, en het was de sabbat van het pascha. Dien gansen dag lag Hij in het graf, om de afschaffing aan te duiden van de Joodse feesten en de overige delen der ceremoniële wet, en dat Zijn volk aan de waarneming daarvan gestorven moet zijn, er geen meerdere aandacht aan moet schenken dan Hij gedaan heeft, toen Hij in het graf lag. Op den zesden dag heeft Christus Zijn werk geëindigd, het is volbracht, zei Hij. Op den zevenden dag heeft Hij gerust, en toen heeft Hij op den eersten dag der volgende week als het ware een nieuwe wereld begonnen en een nieuw werk aangevangen. Dat niemand ons dan nu oordele op het stuk des feestdags, of der nieuwe maan, of der Joodse sabbatten, die wel schaduwen geweest zijn der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus. Verder kunnen wij opmerken, dat de tijd, gedurende welken de heiligen in het graf liggen, een sabbat voor hen is (zoals de Joodse sabbat was, welke voornamelijk bestond in rust voor het lichaam), want daar rusten zij van hun arbeid, Job 3:17, en dat zijn zij aan Christus verschuldigd.
c. Op den eersten dag der week is Hij opgestaan. Op den eersten dag der eerste week gebood God dat het licht uit de duisternis zou schijnen, op dien dag dus heeft Hij, die het Licht der wereld zou zijn, geschenen uit de duisternis van het graf, en de zevende-dagsabbat met Christus begraven zijnde, verrees hij in den eersten-dag-sabbat, die genaamd wordt Dag des Heeren, Openbaring 1:10, en van nu voortaan wordt in geheel het Nieuwe Testament van geen anderen dag dan van dezen melding gemaakt, maar deze wordt dikwijls genoemd, als de dag, dien de Christenen Godsdienstig waarnamen in hun plechtige bijeenkomsten, ter ere van Christus, Johannes 20:19, 26, Handelingen 20:7, 1 Corinthiërs 16:2. Indien de verlossing van Israël uit het land van het noorden de herinnering verving van hun bevrijding uit Egypte, Jeremia 23:7, 8, veel meer zal onze verlossing door Christus de heerlijkheid in de schaduw stellen van de vroegere werken Gods. De sabbat werd ingesteld ter gedachtenis van de voltooiing van het werk der schepping, Genesis 2:1. Door zijne rebellie heeft de mens een breuk gemaakt in dat volmaakte werk, een breuk, die nooit volkomen geheeld was, voordat Christus opstond van de doden, en de hemelen en de aarde opnieuw volbracht waren, en het in verwarring gebrachte heir er van opnieuw werd geordend en geregeld, en de dag, waarop dit was geschied, was terecht gezegend en geheiligd. Hij, die op dien dag opstond van de doden, is dezelfde, door wie en tot wie alle dingen werden geschapen, en nu opnieuw werden geschapen.
d. Hij stond op, toen het tegen dien dag begon te lichten, zodra gezegd kon worden, dat de derde dag was gekomen, op den dag die tevoren voor Zijne opstanding was aangewezen, stond Hij op. Na zijne terugtrekking van Zijn volk, keerde Hij terug met allen bekwamen spoed, en snijdt de zaak af in rechtvaardigheid. Hij had tot Zijne discipelen gezegd, dat zij, hoewel zij Hem in een kleinen tijd niet zien zouden, Hem toch na wederom een kleinen tijd zouden zien, en dienovereenkomstig maakte Hij dien kleinen tijd zo klein mogelijk, Jesaja 54:7, 8. Christus verrees toen de dag begon aan te breken, omdat toen de Opgang uit de hoogte ons wederom bezocht heeft, Lukas 1:78. Zijn lijden begon in den nacht, toen Hij aan het kruis hing werd de zon verduisterd, in de avondschemering werd Hij in het graf gelegd, maar Hij stond op uit het graf toen de zon bijna was opgegaan, want Hij is de blinkende Morgenster, Openbaring 22:16, het ware Licht. Zij, die zich in den vroegen morgenstond van den Christelijken sabbat tot oefening van den Godsdienst begeven, opdat zij den gehelen dag voor zich hebben, volgen hierin het voorbeeld van Christus en van David.
Ik zoek U in den dageraad.
2. Wie zij waren, die bij het graf kwamen, Maria Magdalena en de andere Maria, dezelfden, die bij de begrafenis tegenwoordig waren, en tegenover het graf zaten, zoals zij tevoren tegenover het kruis stonden. Nog altijd bedachten zij hoe zij hare liefde tot Christus zouden kunnen uitdrukken, nog altijd zochten zij Hem. Dan zullen wij kennen, als wij aldus vervolgen te kennen. Gene melding wordt gemaakt van de maagd Maria, dat zij daar tegenwoordig was, het is mogelijk, dat de geliefde discipel, die haar in zijn huis had genomen, haar verhinderd heeft om naar het graf te gaan en er te wenen. Dit blijven bij Christus niet slechts tot aan het graf, maar ook tot in het graf, stelt Zijne zorg voor over de Zijnen, als zij hun bed in de duisternis hebben gespreid. Gelijk Christus in het graf bemind werd door de heiligen, zo zijn de heiligen in het graf de beminden van Christus, want de dood en het graf kunnen den band der liefde tussen Hem en hen niet losmaken.
3. Wat zij daar kwamen doen. De andere evangelisten zeggen, dat zij kwamen om het lichaam te zalven. Mattheus zegt, dat zij kwamen om het graf te bezien, of het nog was zoals zij het gelaten hadden, wellicht gehoord hebbende, zonder dat zij het zeker wisten, dat de overpriesters er ene wacht bij geplaatst hadden. Zij gingen om haar goeden wil, hare liefde, te betonen in nog een bezoek aan de dierbare overblijfselen van haar geliefden Meester, en wellicht ook niet zonder een gedachte te hebben van Zijne opstanding, want zij konden niet alles vergeten hebben, wat Hij daarvan gezegd had. Een bezoek aan het graf kan zeer nuttig zijn voor Christenen, en zal er toe bijdragen om er hen gemeenzaam mede te maken, en er aldus de verschrikking van weg te nemen, inzonderheid aan het graf van onzen Heere Jezus, waar wij de zonde kunnen begraven zien van voor ons aangezicht, en het voorbeeld van onze heiligmaking, en het grote bewijs van verlossende liefde zelfs in dit land der duisternis helder blinkende.
II. De verschijning van een engel des Heeren aan haar, vers 2-4. Wij hebben hier het bericht van hetgeen er voorviel bij de opstanding van Christus voor zoveel het voor ons nodig is dit te weten.
1. Er geschiedde een grote aardbeving. Toen Hij stierf beefde de aarde, die Hem had ontvangen, van vrees, nu Hij is opgestaan is de aarde, daar zij Hem teruggaf, opgesprongen van vreugde wegens Zijne verhoging. Deze aardbeving heeft, als het ware, de banden des doods losgemaakt en de boeien van het graf afgeschud, en den wens aller heidenen ingeleid, Haggai 2:7, 8. Het was het teken van Christus' overwinning, hiermede werd te kennen gegeven dat, wanneer de hemelen zich verblijden, de aarde vrolijk kan zijn. Het was ene voorproef van de schudding, die aan de aarde zal gegeven worden bij de algemene opstanding, als de bergen en de eilanden bewogen zullen worden, opdat de aarde hare doodgeslagenen niet langer bedekt zal houden. Er werd een geluid en ene beroering in de vallei toen de beenderen tot elkaar moesten naderen, elk been tot zijn been, Ezechiël 37:7. Het koninkrijk van Christus, dat nu opgericht stond te worden, deed de aarde beven. Die geheiligd zijn, en daardoor opgewekt zijn tot geestelijk leven, gevoelen in hun eigen gemoed ene schudding als van ene aardbeving, evenals Paulus, die bevende en verbaasd was.
2. Een engel des Heeren daalde neer uit den hemel. De engelen hebben onzen Heere Jezus dikwijls bezocht, bij Zijne geboorte, tijdens Zijne verzoeking, in Zijne doodsbenauwdheid: maar aan het kruis zien wij geen engel bij Hem, toen Zijn Vader Hem verliet, hebben de engelen zich van Hem teruggetrokken, maar nu Hij de heerlijkheid weer op zich heeft genomen, die Hij had van voor de grondlegging der wereld, zie, nu komen de engelen Gods en aanbidden Hem.
3. Hij kwam toe, en wentelde den steen af van de deur, en zat op dezelve. Onze Heere Jezus zou zelf den steen hebben kunnen afwentelen door Zijn eigen kracht: maar Hij wilde het door den engel laten doen, om te kennen te geven dat Hij, op zich genomen hebbende om voor onze zonden, die Hem toegerekend waren, te voldoen, en ingevolge dier toegerekende zonde in hechtenis zijnde, niet uit de gevangenis uitgebroken is, maar dat Hij er wettelijk uit ontslagen is door den hemel. Hij heeft niet uitgebroken uit de gevangenis, maar een beambte werd gezonden om den steen af te wentelen, en aldus de deur der gevangenis te openen, hetgeen nooit geschied zou zijn, indien Hij geen volkomen genoegdoening had gedaan. Maar overgeleverd zijnde voor onze overtredingen, is Hij, ter voltooiing van onze verlossing, opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Hij stierf om onze schuld te betalen, en Hij stond op van de doden om onzen kwijtscheldingsbrief met zich te brengen. De steen van onze zonden was gewenteld voor de deur van het graf van onzen Heere Jezus-en wij bevinden, dat het wentelen van een groten steen de betekenis heeft van het aangaan van schuld, 1 Samuël 14:43- maar om aan te tonen, dat aan de Goddelijke gerechtigheid was voldaan, werd een engel gezonden om den steen af te wentelen, niet alsof de engel Hem heeft opgewekt van de doden, evenmin als zij, die den steen van Lazarus' graf wegnamen, hem van de doden hebben opgewekt, maar hij beduidde hiermede de toe- stemming des hemels tot Zijne bevrijding, alsmede de blijdschap des hemels hierover. De vijanden van Christus hadden den steen verzegeld, evenals Babylon besluitende, hun gevangene niet los te laten gaan, zou ook een machtigen de vangst ontnomen worden? Want dit was hun ure, maar al de machten van den dood en de duisternis staan onder toezicht en bedwang van den God des lichts en des levens. Een engel van den hemel heeft de macht om het zegel te verbreken, al was het ook het grootzegel van Israël, en hij is machtig den steen af te wentelen, als is die ook nog zo groot. Aldus worden de gevangenen des machtigen hem ontnomen. Zeer merkwaardig is het zitten van den engel op den steen, nadat hij hem had afgewenteld, het duidt de stellige overwinning aan over alle beletselen van Christus' opstanding. Daar zat hij, al de machten der hel tartende om den steen weer op het graf te wentelen. Op den tegenstand Zijner vijanden richt Christus Zijn zetel der ruste en Zijn zetel des gerichts op. De Heere heeft gezeten over den watervloed. De engel zat als een wachter bij het graf, des vijands wacht weggeschrikt hebbende, hij zat daar, wachtende op de vrouwen, en gereed om haar het bericht te geven van Christus' opstanding.
4. Zijne gedaante was gelijk een bliksem, en zijne klederen wit gelijk de sneeuw, vers 3. Dit is een zichtbare voorstelling van hetgeen wij glansrijk en doorluchtig noemen in de heerlijkheid der onzichtbare wereld, die geen verschil van kleuren kent. Zijn blik op de wachters was als bliksemstralen, hij bliksemde bliksem en verstrooide hen, Psalm 144:6. De witheid zijner klederen was een zinnebeeld, niet slechts van reinheid, maar ook van vreugde en zegepraal. Toen Christus stierf, ging het hof des hemels in zwaren rouw, aangeduid door de zonsverduistering, maar toen Hij opstond uit het graf, hebben zij wederom het gewaad des lofs aangetogen. De heerlijkheid van dezen engel stelde de heerlijkheid voor van Christus, waartoe Hij thans was opgewekt, want het is dezelfde beschrijving, die van Hem gegeven wordt bij Zijne verheerlijking op den berg, Hoofdstuk 17:2. Maar toen Hij na Zijne opstanding met Zijne discipelen sprak, heeft Hij daar een sluier om heen gedaan. Het betekende ook de heerlijkheid der heiligen in hun opstanding, wanneer zij zullen zijn als de engelen Gods in den hemel.
5. En uit vrees van hem zijn de wachters zeer verschrikt geworden, en werden als doden, vers 4. Het waren soldaten, die dachten gehard te zijn tegen vrees, toch heeft de blote aanblik van een engel hen verschrikt. Zo zijn, toen de Zone Gods opstond ten oordeel, de stouthartigen beroofd geworden, Psalm 76:6, 10. De opstanding van Christus is ene blijdschap voor Zijne vrienden, en ene verschrikking en verbijstering voor Zijne vijanden. Zij sidderden, het woord eseisthêsan is hetzelfde woord, dat in vers 2 gebruikt is voor de aardbeving seismos. Toen de aarde beefde, hebben deze kinderen der aarde, die daarin hun deel hebben, ook gebeefd, terwijl zij, die hun heil vinden in de dingen, die boven zijn, niet vrezen, al wordt ook de aarde bewogen. De wachters werden als doden toen Hij, dien zij bewaakten, tot het leven terugkeerde, en zij, tegen wie zij moesten waken, met Hem herleefden. Zij werden door verschrikking getroffen, toen zij zich teleurgesteld zagen in hetgeen zij hier te doen hadden. Zij waren daar op post gezet, om een dode in zijn graf te houden-een werk zo gemakkelijk, als hun voorzeker nooit te doen was gegeven, en toch bleek het te moeilijk voor hen. Hun werd gezegd op hun hoede te zijn tegen een gezelschap van flauwhartige discipelen, die uit vreze voor hen spoedig zouden beven en als doden worden, maar zij worden zelven verbaasd, nu zij zich door een engel zien aangevallen, dien zij niet durven aanzien. Aldus vernietigt God Zijne vijanden door hun vrees aan te jagen, Psalm 9:21.
III. De boodschap, die deze engel aan de vrouwen gaf, vers 5-7. 1. Hij bemoedigt haar en zegt haar niet te vrezen, vers 5. Er is iets angstwekkends in om zo dicht tot graven te naderen, inzonderheid in stilte en eenzaamheid. Veel meer was dit dan nu het geval voor deze vrouwen, nu zij een engel aan het graf vinden: maar hij stelt haar spoedig gerust met het woord: Vreest niet. De wachters sidderden en werden als doden, maar gij: vreest niet. Laat de zondaren in Zion vrezen, want zij hebben er reden toe, maar, vrees niet, Abraham, noch iemand uit het gelovig zaad van Abraham. Waarom zouden de dochters van Sara, als zij wel doen, vrezen voor enige verschrikking? 1 Petrus 3:6.
Vreest niet. Laat de tijding, die ik u breng, u gene verrassing of verwondering baren, want het was u tevoren gezegd, dat uw Meester van de doden zou opstaan. Laat dit u geen verschrikking zijn, want Zijn opstanding zal uwe vertroosting wezen. Vreest niet, dat ik u enig leed zal doen, of dat ik u een slechte tijding te brengen heb. Vreest niet, want ik weet dat gij zoekt Jezus, ik weet dat gij de zaak liefhebt. Ik kom niet om u te verschrikken, maar om u te bemoedigen. Zij, die Jezus zoeken, hebben gene reden om bevreesd te zijn, want indien zij Hem naarstiglijk zoeken, zullen zij Hem vinden, en zullen bevinden, dat Hij hun een milde beloner is. Al ons gelovig zoeken van den Heere Jezus wordt opgemerkt in den hemel.
Ik weet dat gij zoekt Jezus en het zal, evenals dezen dit waren, beantwoord worden met goede woorden, troostrijke woorden. Gij zoekt Jezus, die gekruisigd was. Hij maakt melding van Zijn gekruisigd zijn, om hare liefde tot Hem nog des te meer te loven. Gij zoekt Hem nog, ofschoon Hij gekruisigd was, gij behoudt desniettegenstaande uwe liefde voor Hem. Ware gelovigen beminnen en zoeken Christus niet alleen hoewel Hij gekruisigd was, maar omdat Hij gekruisigd was.
2. Hij geeft haar de verzekering van Christus' opstanding, en dat was genoeg om hare vrees tot zwijgen te brengen, vers 6. Hij is hier niet, want Hij is opgestaan. Te vernemen, dat Hij niet hier is, zou geen welkome tijding geweest zijn voor hen, die Hem zochten, indien er niet was bijgevoegd: Hij is opgestaan. Het is voor hen die Christus zoeken en Hem niet vinden waar zij Hem dachten te vinden, ene vertroosting, dat Hij is opgestaan. Indien wij Hem niet vinden in een voelbare vertroosting, toch is Hij opgestaan. Wij moeten niet luisteren naar hen, die zeggen: Ziet, hier is de Christus, of daar, want Hij is hier niet, Hij is daar niet, Hij is opgestaan. Bij al ons zoeken van Christus moeten wij ons herinneren, dat Hij is opgestaan, en wij moeten Hem zoeken als den Verrezene. Niet met vleselijke gedachten nopens Hem. Er waren de zodanige, die Christus naar het vlees gekend hebben, maar nu voortaan kennen wij Hem niet meer naar het vlees, 2 Corinthiërs 5:16. Het is waar, Hij had een lichaam, maar het is nu een verheerlijkt lichaam. Zij, die schilderijen en beelden van Christus maken, vergeten dat Hij hier niet is, maar dat Hij is opgestaan. Onze gemeenschap met Hem moet geestelijk wezen, door geloof in Zijn woord, Romeinen 10:6, 9. Wij moeten Hem zoeken met groten eerbied en ootmoed, met een gewaarwording van ontzag voor Zijne heerlijkheid, want Hij is opgestaan. God heeft Hem uitermate verhoogd en Hem een naam gegeven, die boven allen naam is, daarom moet alle knie en iedere ziel zich voor Hem buigen. Wij moeten Hem zoeken met een hemelsgezind hart, als wij van deze wereld ons tehuis willen maken en zeggen: Het is goed hier te zijn, zo laat ons gedenken, dat onze Heere Jezus hier niet is, Hij is opgestaan, zo laat dan ook ons hart hier niet zijn, maar zich ook verheffen en de dingen zoeken, die boven zijn, Colossenzen 3:1-3, Filippenzen 3:20. Ter bevestiging van haar geloof betreffende Christus' opstanding, wijst de engel deze vrouwen op twee dingen. a. Op Zijn woord, dat nu vervuld is, en dat zij zich kunnen herinneren.
Hij is opgestaan gelijk Hij gezegd heeft. Dit verklaart hij voor het gepaste, degelijke voorwerp des geloofs. Hij heeft gezegd, dat Hij zal opstaan, en gij weet dat Hij de Waarheid zelf is, daarom hebt gij reden te verwachten, dat Hij zou opstaan. Waarom zoudt gij aarzelen te geloven wat Hij zelf u gezegd heeft, dat Hij doen zal? Laat ons nooit vreemd vinden hetgeen het woord van Christus ons heeft gegeven te verwachten, hetzij het lijden dezes tegenwoordigen tijds, of de heerlijkheid, die geopenbaard staat te worden. Indien wij gedenken wat Christus tot ons heeft gezegd, zullen wij minder verwonderd wezen over hetgeen Hij met ons doet. Deze engel heeft, toen hij zei: Hij is hier niet, Hij is opgestaan, getoond dat hij geen ander Evangelie predikt dan hetwelk zij reeds hadden ontvangen, want hij beroept zich op het woord van Christus als genoegzaam bewijs van zijn beweren, Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft.
b. Op Zijn thans ledig graf, waarin zij kunnen zien. Komt herwaarts, ziet de plaats waar de Heere gelegen heeft. Vergelijkt wat gij gehoord hebt met hetgeen gij ziet, en die twee samenvoegende, zult gij geloven. Gij ziet, dat Hij hier niet is, en gedenkende wat Hij gezegd heeft, kunt gij er van overtuigd wezen, dat Hij is opgestaan. Komt herwaarts, ziet de plaats, en gij zult zien, dat Hij hier niet is. Gij zult zien, dat Hij niet weggestolen kan zijn, en daarom moet gij tot de gevolgtrekking komen, dat Hij is opgestaan. Het kan een invloed ten goede op ons hebben, als wij komen en met het oog des geloofs zien de plaats, waar de Heere gelegen heeft. Zie de tekenen van Zijne liefde, die Hij daar heeft achtergelaten door zich tot zulk ene diepte voor ons neer te buigen. Zie hoe gemakkelijk Hij dat bed voor ons gemaakt heeft en hoe licht, door er zelf in gelegen te hebben. Als wij in het graf zien, waarin wij verwachten neer te liggen, zo laat ons, om er de verschrikking van weg te nemen, in het graf zien, waar de Heere gelegen heeft, de plaats waar onze Heere gelegen heeft, zoals in de Syrische overzetting staat. De engelen erkennen Hem als hun Heere, zowel als wij, want al het geslacht in de hemelen en op de aarde is naar Hem genoemd.
3. Hij zegt haar de tijding hiervan te brengen aan de discipelen, vers 17. Gaat haastelijk heen, en zegt Zijnen discipelen. Waarschijnlijk zouden zij wel gaarne nog gebleven zijn om zich te verlustigen in den aanblik van het ledige graf en om met de engelen te spreken. Het was goed daar te zijn, maar er wordt haar ander werk opgedragen, dit is een dag van goede boodschap, en hoewel zij het eerst in het bezit zijn der vertroosting, haar het eerst gesmaakt hebben, moeten zij er toch niet alleen het genot van hebben, moeten zij er niet van zwijgen, evenmin als die melaatsen, 2 Koningen 9:7. Zij moeten heengaan en het den discipelen zeggen. Openbare diensten voor anderen moeten den voorrang hebben boven het genot van verborgen gemeenschapsoefening met God voor ons zelven, want het is zaliger te geven dan te ontvangen. Die tijding moet het eerst den discipelen van Christus gebracht worden. Het is niet: Gaat heen, zegt den overpriesters en Farizeeën, opdat zij beschaamd zullen zijn, maar: Zegt den discipelen, opdat zij vertroost zullen zijn. God verhaast de blijdschap Zijner vrienden meer dan de schande Zijner vijanden, hoewel van beiden de vervollediging bewaard wordt voor hiernamaals. Zegt Zijnen discipelen, zij zullen wellicht uw bericht geloven, maar hoe dit zij, zegt het hun, om hen te bemoedigen onder hun tegenwoordige droefheid en verstrooiing. Het was een sombere, treurige tijd voor hen, een tijd van droefheid en vrees. Welk ene hartsterking zal het hun dan zijn te horen, dat hun Meester is opgestaan! Zegt het hun, opdat zij nu zelven de zaak zullen onderzoeken. Dit sein werd hun gezonden, om hen op te wekken uit die vreemde stompzinnigheid, die hen had bevangen, en hun hoop te verlevendigen. Dit spoorde hen aan om Hem te zoeken, en zich voor te bereiden op Zijne verschijning. Wenken in het algemeen leiden tot nader onderzoek. Zij zullen nu van Hem horen, maar zeer spoedig zullen zij Hem zien. Christus openbaart zich trapsgewijze.
b. De vrouwen werden gezonden om het hun te zeggen, en zo werden zij, als het ware, tot apostelen van de apostelen gemaakt. Dit was ene eer, die haar werd aangedaan, ene beloning, die haar geschonken werd voor haar trouwe aanhankelijkheid aan Hem, aan het kruis en in het graf, en ene bestraffing voor de discipelen, die Hem verlieten. Nog verkiest God het zwakke der wereld om het sterke te beschamen, en legt den schat niet slechts in aarden vaten, maar hier in de zwakkere vaten. Gelijk de vrouw verleid zijnde door de inblazing van een bozen engel, de eerste is geweest in overtreding, 1 Timotheus 2:14, zo zijn deze vrouwen, door het onderricht van een goeden engel, de eersten geweest in het geloof aan de verlossing der overtreding door Christus' opstanding, opdat die smaad van hare sekse afgewenteld worde, door er dit tegen te laten opwegen, hetwelk tot haar altijddurenden lof is.
c. Haar werd gelast om haastelijk heen te gaan ter volvoering van deze boodschap. Maar waartoe deze haast? Zou die boodschap hun dan niet ook later en ten allen tijde welkom wezen? O ja, maar zij waren thans overstelpt van smart, en Christus wilde hun die hartsterking spoedig doen toekomen. Toen Daniël zich verootmoedigde voor God vanwege de zonde, kwam de engel Gabriël snellijk gevlogen met ene boodschap der vertroosting, Daniël 9:21. Wij moeten altijd gereed en bereid zijn om aan de geboden Gods te gehoorzamen, Psalm 119:60. Om goed te doen aan onze broederen en hun vertroosting te brengen. (Zeg niet: "Ga heen en kom weer, en morgen zal ik geven", maar nu en haastelijk.)
d. Haar werd bevolen aan de discipelen te zeggen Hem te ontmoeten in Galilea. Er waren andere verschijningen van Christus aan hen nog voor deze ontmoeting in Galilea, die plotseling en verrassend waren, maar Hij wilde een plechtige openbare ontmoeting met hen hebben, en hiervan wordt hun vooraf kennis gegeven. Die algemene ontmoeting moest plaats hebben in Galilea, op tachtig à honderd mijlen afstand van Jeruzalem. Uit vriendelijkheid voor diegenen van Zijne discipelen, die in Galilea gebleven waren en niet (wellicht omdat zij niet konden) naar Jeruzalem waren opgegaan. In die landstreek wilde Hij gaan, om er zich aan Zijne vrienden te openbaren. Ik weet uwe werken en waar gij woont. Christus weet waar Zijne discipelen wonen, en zal er hen bezoeken. De verhoging van Christus doet Hem niet de armere en mindere van Zijne discipelen vergeten, maar zelfs aan hen, die ver zijn van de overvloedige middelen van genade, zal Hij zich genadiglijk openbaren. Uit aanmerking van de zwakheid Zijner discipelen, die nu te Jeruzalem waren, en nog bevreesd waren voor de Joden, en dus niet in het openbaar durfden verschijnen, en daarom was deze samenkomst verdaagd om in Galilea gehouden te worden. Christus kent onze angsten, Hij weet wat maaksel wij zijn, en daarom trof Hij Zijne beschikkingen waar het minste gevaar van stoornis was.
Eindelijk. De engel verzekert plechtig de waarheid van hetgeen hij haar had meegedeeld.
Ziet, ik heb het ulieden gezegd, gij kunt er van verzekerd wezen, er staat op maken, ik heb het u gezegd, die gene onwaarheid zou durven zeggen. Het woord door de engelen gesproken is vast geweest, Hebreeën 2:2. Tevoren had God Zijn wil aan Zijn volk te kennen gegeven door den dienst der engelen, zoals bij de wetgeving, daar Hij echter voornemens was in Evangelietijden deze wijze van mededeling te doen niet meer te gebruiken, -want Hij heeft aan de engelen niet onderworpen de toekomende wereld, noch hen aangesteld als predikers van het Evangelie-is deze engel nu gezonden om aan de discipelen de opstanding van Christus te getuigen, en het aan hen over te laten om haar aan de wereld te verkondigen. Door te zeggen: Ziet, ik heb het ulieden gezegd, ontlast hij zich, als het ware, van de schuld van haar ongeloof, indien zij zijn bericht niet zouden aannemen, om ze op haar te werpen, Ik heb aan mijne opdracht voldaan, ik heb getrouwelijk mijne boodschap overgegeven, ziet nu toe, het is voor uwe verantwoording, of gij haar al of niet wilt aannemen, ik heb het ulieden gezegd. Die boden Gods, die zich getrouwelijk kwijten van hun last, kunnen dien troost voor zich hebben, wat ook de uitslag van hun pogingen zijn moge, Handelingen 20:26, 27.
IV. Het weggaan der vrouwen van het graf, om het bericht te brengen aan de discipelen. Merk op:
1. In welke gemoedsgesteldheid zij heengingen. Zij gingen met vrees en grote blijdschap, een vreemd mengsel, vrees en grote blijdschap op hetzelfde ogenblik en in dezelfde ziel. Te horen dat Christus was opgestaan was ene oorzaak van blijdschap, maar in Zijn graf geleid te worden en een engel te zien, en met hem daarover te spreken, kon niet anders dan vrees bij haar verwekken. Het was een goede tijding, maar zij vreesden dat zij te goed was om waar te zijn, maar merk op: van hare blijdschap wordt gezegd, dat zij groot was, maar dat wordt niet gezegd van hare vrees. Heilige vreze gaat gepaard met blijdschap. Zij, die den Heere dienen met vreze, dienen Hem met blijdschap. Geestelijke blijdschap gaat gepaard met beving, Psalm 2:11. Het is slechts de volmaakte liefde en blijdschap, die alle vrees zullen uitwerpen.
2. Hoe zij zich haastten. Zij liepen henen. Vrees en blijdschap tezamen verhaastten hare schreden en verleenden vleugelen aan hare voelen. De engel zei haar haastelijk heen te gaan en zij liepen. Zij, die op Gods boodschap worden uitgezonden, moeten niet talmen, moeten geen tijd verliezen. Als het hart verwijd is door de blijde boodschap van het Evangelie, zullen de voeten den weg van Gods geboden lopen.
3. Op welke boodschap zij uitgingen, zij liepen om het Zijnen discipelen te boodschappen. Niet twijfelende of het zou een blijde tijding voor hen zijn, liepen zij henen om hen te vertroosten met dezelfde vertroostingen, waarmee zij door God vertroost waren geworden. De discipelen van Christus moeten zich beijveren om elkaar hun lieflijke ervaringen van gemeenschap met den hemel mede te delen, zij behoren aan anderen te ver- halen wat God aan hun ziel gedaan heeft. Evenals de olie der rechterhand zal blijdschap in Christus Jezus roepen, en alle plaatsen binnen de linie van hare mededelingen met hare geuren vervullen. Toen Simson honing vond, bracht hij hem aan zijne ouders.
V. Christus' verschijning aan de vrouwen, om het getuigenis van den engel te bevestigen, vers 9, 10. Deze ijverige Godvrezende vrouwen hebben niet slechts het eerst tijding van Hem gehoord, maar Hem ook het eerst na Zijne opstanding gezien. De engel verwees hen, die Hem wilden zien, naar Galilea, maar voordat die tijd daar was, hebben zij uitgezien naar Hem, die leeft en hen ziet. Jezus Christus doet dikwijls meer dan Hij beloofd heeft, maar nooit minder, dikwijls komt Hij ons voor, maar nooit stelt Hij ons teleur in onze gelovige verwachtingen van Hem. Hier is: 1. Christus' verrassende verschijning aan de vrouwen. Als zij heengingen, om Zijn discipelen te boodschappen, ziet, Jezus is haar ontmoet. De genaderijke bezoekingen Gods ontvangen wij gewoonlijk in den weg des plichts, en aan hen, die wat zij hebben gebruiken tot welzijn van anderen, zal meer gegeven worden. Die ontmoeting met Christus was onverwacht, eer zij het wisten, Hooglied 6:12. Christus is dichter bij Zijn volk dan zij denken. Zij behoefden niet in den afgrond neer te dalen om Christus vandaar op te brengen, Hij was daar niet, Hij was opgestaan, noch op te klimmen in den hemel, want Hij was nog niet opgevaren, maar Christus was nabij haar, en nog is het woord nabij ons.
2. De groetenis, waarmee Hij haar aansprak, -chairete, Heil. Wij gebruiken de aloude wijze van begroeten, gezondheid, welvaren, alle heil wensende aan hen, die wij ontmoeten, en zij is verwant aan den Grieksen vorm van groeten, die hier gebruikt is, en deze beantwoordt aan het Hebreeuwse Vrede zij u. En hieruit spreekt
a. Christus' welwillendheid voor ons en ons geluk sinds Hij inging tot Zijn staat van verhoging. Hoewel Hij nu zo hoog verheven is, is Hij ons even welgezind als ooit tevoren, en laat Hij zich evenveel gelegen liggen aan ons heil en welzijn.
b. Het vrije, de heilige gemeenzaamheid, die Hij gebruikt in den omgang met Zijne discipelen, want Hij noemde hen Vrienden. Maar het Griekse woord betekent Verheugt u. Zij waren aangedaan door vrees en blijdschap, wat Hij hun nu zei strekte om haar aan te moedigen in hare blijdschap, vers 9, Verheugt u, en hare vrees te doen zwijgen, vers 10, Vreest niet. Het is de wil van Christus, dat Zijn volk een blijmoedig volk zijn zal, en Zijne opstanding geeft hun overvloedig reden tot verheuging.
3. Den liefdevollen eerbied, dien zij Hem bewezen, Zij, tot Hem komende, grepen Zijne voeten en aanbaden Hem. Hiermede gaven zij uitdrukking
a. Aan den eerbied, dien zij voor Hem koesterden. Zij wierpen zich aan Zijne voeten, namen de houding aan der aanbidding, en aanbaden Hem met ootmoed en Godvruchtige vreze, als den Zone Gods, die nu verhoogd was.
b. De genegenheid en liefde, die zij voor Hem koesterden, zij hielden Hem vast, en wilden Hem niet laten gaan. Hooglied 3:4. Hoe lieflijk waren haar de voeten van den Heere Jezus, Jesaja 62:7.
4. De vervoering van vreugde, waarin zij zich bevonden, nu zij deze nadere verzekering hadden van Zijne opstanding. Zij verwelkomden haar met open armen. Aldus moeten wij Jezus Christus omhelzen, die ons in het Evangelie wordt aangeboden, moeten wij ons met eerbied aan Zijne voeten werpen, door het geloof Hem vasthouden, en Hem met liefde en blijdschap in ons hart ontvangen.
5. De bemoedigende woorden, die Christus tot haar sprak, vers 10. Wij bevinden niet, dat zij iets tot Hem gezegd hebben, haar liefdevolle omhelzing en aanbidding spraken genoeg, en Hij zei niets anders tot haar dan wat de engel haar reeds gezegd had, vers 5, 7, want Hij bevestigt het woord Zijns knechts, Jesaja 44:26, en Hij vertroost Zijn volk door hetgeen zij van Zijne engelen, de Evangeliedienaars, gehoord hebben, opnieuw tot hun hart te laten spreken door Zijn Geest. Merk hier nu op a. Hoe Hij hun vrees bestraft.
Vreest niet. Zij moeten niet vrezen misleid te worden door deze herhaalde berichten van Zijne opstanding, ook niet vrezen, dat haar enigerlei leed zou geschieden door de verschijning van enen uit de doden, want de tijding, hoewel wonderbaar, was waar en goed. Christus is opgestaan van de doden om de vrees Zijns volks tot zwijgen te brengen.
b. Hoe Hij hare boodschap herhaalt, gaat heen, boodschapt Mijnen broederen, dat zij zich moeten bereiden op ene reis naar Galilea, en daar zullen zij Mij zien. Indien er gemeenschap is tussen onze ziel en Christus, dan is Hij het, die de samenkomst bepaalt, en Hij zal getrouw zijn aan de afspraak. Jeruzalem had de eer verbeurd van Christus' tegenwoordigheid, het was een oproerige stad, daarom laat Hij de samenkomst in Galilea plaatshebben.
Kom, mijn liefste, laat ons uitgaan, Hooglied 7:11. Maar wat hier inzonderheid opmerkelijk is, is dat Hij Zijne discipelen Zijne broederen noemt. Gaat heen, boodschapt Mijnen broederen, niet slechts hun, die aan Hem verwant waren, maar ook aan al de overigen, Hoofdstuk 12:50, maar nooit heeft Hij hen aldus genoemd dan na Zijne opstanding, hier en Johannes 20:17. Zelf door de opstanding krachtelijk bewezen zijnde te zijn de Zoon van God, worden alle kinderen Gods hiermede verklaard Zijne broederen te zijn. De Eerstgeborene zijnde uit de doden, is Hij de Eerstgeborene geworden onder vele broederen, namelijk onder allen, die met Hem ene plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding. Christus heeft nu niet zo voortdurend en zo gemeenzaam met Zijne discipelen gesproken, als voor Zijn dood, maar opdat zij niet zouden denken, dat Hij hun nu vreemd is geworden, geeft Hij hun dezen lieflijken en liefdevollen titel. Gaat heen tot Mijne broederen, opdat de Schrift vervuld worde, die sprekende van Zijn ingaan tot Zijn verhoogden staat, zegt: Ik zal uwen naam mijnen broederen vertellen. In Zijn lijden hadden zij Hem schandelijk verlaten, maar om te tonen dat Hij kon vergeven en vergeten, en ons dit te leren, blijft Hij niet slechts bij Zijn voornemen hen te ontmoeten, maar noemt Hij hen broederen. Allen Zijne broederen zijnde, waren zij ook elkanders broederen, en moeten zij elkaar als broederen liefhebben. Zijne erkenning van hen als broederen heeft hen grotelijks geëerd, maar zij was hun daarbij ook een voorbeeld van nederigheid temidden van deze eer.