Johannes 20:26-31
Wij hebben hier een bericht van nog ene verschijning van Christus aan Zijne discipelen. na Zijne opstanding, toen Thomas nu ook bij hen tegenwoordig was. En hieromtrent kunnen wij opmerken:
I. Wanneer Christus Zijn bezoek aan Zijne discipelen herhaald heeft. Na acht dagen, ene week na Zijne opstanding, zodat het ook toen op den eersten dag der week geweest moet zijn.
1. Zijne volgende verschijning stelde Hij enigen tijd uit, om aan Zijne discipelen te tonen, dat Hij niet was opgestaan tot zulk een leven, als Hij vroeger geleefd heeft, om voortdurend met hen om te gaan, maar was als een, die nu tot ene andere wereld behoorde, en deze wereld slechts bezocht zoals de engelen, nu en dan, als het nodig was. Waar Christus was gedurende deze acht dagen, en gedurende den overigen tijd, dien Hij op aarde doorbracht, weten wij niet, het zou dwaasheid zijn om het te onderzoeken, en verwaandheid om het te bepalen. Wáár het ook moge geweest zijn, ongetwijfeld hebben engelen er Hem gediend. In het begin Zijner bediening is Hij veertig dagen lang ongezien gebleven, verzocht door den bozen geest, Mattheus 4:1,
2. En nu, aan het begin van Zijne heerlijkheid was Hij gedurende veertig dagen, meestal ongezien, en vergezeld door goede geesten. 2. Hij heeft het zeven dagen lang uitgesteld. Waarom?
a. Om Thomas wegens zijne ongelovigheid te bestraffen. De vorige bijeenkomst der discipelen had hij verzuimd, en om hem nu te leren deze middelen van genade voortaan beter op prijs te stellen, kan hij er gedurende verscheidene dagen gene andere gelegenheid voor hebben. Wie een getij laat voorbijgaan, moet ene hele poos wachten naar het volgende. Wij hebben reden te denken, dat het voor Thomas ene zeer treurige week geweest is, het hoofd latende hangen en in grote spanning, terwijl de andere discipelen vol waren van blijdschap, en dit had hij aan zich zelven, aan zijne eigene dwaasheid te danken.
b. Ten einde het geloof en het geduld der overige discipelen op de proef te stellen. Zij hadden reeds zeer veel gewonnen, toen zij de overtuiging hadden verkregen, dat zij den Heere hadden gezien. Toen waren de discipelen verblijd, maar Hij wilde hen op de proef stellen om te zien, of zij den verkregen grond nu ook zouden behouden, ook als zij Hem gedurende enige dagen niet weer zouden zien. En aldus wilde Hij hen langzamerhand spenen van Zijne lichamelijke tegenwoordigheid, waaraan zij al te zeer gehecht waren. en er al te veel op hadden gesteund.
c. Ten einde den eersten dag der week te eren, en duidelijk Zijn wil te doen kennen, dat die dag in Zijne kerk als den Christelijken sabbat zou worden waargenomen, den wekelijksen dag van heilige rust en heilige samenroeping. Dat een van de zeven dagen Godsdienstig waargenomen moest worden was van den beginne aan verordineerd, dit is zo oud als de staat der onschuld, en dat in het koninkrijk van den Messias de eerste dag der week die plechtige dag zou zijn werd duidelijk genoeg aangewezen door dat Christus een en andermaal op zulk een dag Zijne discipelen in ene Godsdienstige samenkomst bezocht heeft. Het is hoogst waarschijnlijk, dat Hij bij Zijn vorig bezoek hun gezegd had, dat zij over acht dagen weer samen moesten komen, en beloofd heeft alsdan tot hen te komen, alsook, dat Hij hun, behalve op nog andere tijden, op elke eersten dag der week verschenen is gedurende de veertig dagen, die Hij op aarde bleef. De Godsdienstige viering van dien dag is ons van toen af door alle eeuwen der kerk overgeleverd. Dit is dus de dag, dien de Heere gemaakt heeft.
II. Waar, en hoe, Christus hun dit bezoek gebracht heeft. Het was te Jeruzalem, want, evenals de vorige maal, waren ook nu de deuren gesloten om de vreze der Joden. Dáár bleven zij, om het feest der ongezuurde broden zeven dagen lang te houden, welke feestweek dus den vorigen dag geëindigd was, maar zij wilden zich toch niet op den eersten dag der week op reis naar Galilea begeven, omdat het de Christelijke sabbat was, en dus bleven zij dien dag nog over. Merk nu op:
1. Dat Thomas met hen was, hoewel hij eenmaal van hen weggebleven was, heeft hij dit de tweede maal toch niet gedaan. Als wij ene gelegenheid verzuimd, of verloren hebben, dan moeten wij des te zorgzamer zijn om de volgende gelegenheid waar te nemen, teneinde het verlorene te herwinnen. Het is een goed teken, als door zulk een verlies onze begeerte des te vuriger wordt, en een slecht teken, als zij er door verflauwt. De discipelen lieten hem onder zich toe, en hebben er niet op aangedrongen, dat hij moest geloven in de opstanding van Christus, zoals zij er in geloofden, omdat zij vooralsnog slechts duister geopenbaard was, zij hebben hem niet aangenomen om met hem te twisten, maar heetten hem welkom, zeiden hem te komen en te zien. Let er echter op, dat Christus niet aan Thomas ter zijner voldoening en overtuiging verschenen is, voor Hij hem in het gezelschap der overige discipelen vond, omdat Hij de bijeenkomsten van Christenen en leraren wilde ondersteunen en wettigen, want daar zal Hij in hun midden wezen. Daarenboven wilde Hij ook, dat al de discipelen getuigen zouden zijn van Zijne bestraffing aan Thomas, en daarbij ook van de tedere zorge, die Hij over hen had.
2. Dat Jezus kwam, en stond in het midden van hen, en dat zij allen Hem kenden, want Hij toonde zich nu, zoals Hij zich te voren getoond had, vers 19, nog dezelfde, geen ander. Let op de neerbuigendheid van onzen Heere Jezus. De poorten des hemels stond en voor Hem geopend te worden, en dáár zou Hij zich te midden van ene aanbiddende wereld van engelen hebben bevonden, maar ten nutte van de kerk verwijlde Hij op aarde en bezocht de kleine bijzondere bijeenkomsten van Zijne arme discipelen, en is in hun midden.
3. Hij groette hen allen op vriendelijke wijze, evenals Hij hen te voren begroet had met: Vrede zij ulieden. Dit was gene ijdele herhaling, maar betekent den overvloedigen, wèl verzekerden vrede, dien Christus geeft, en het voortdurende van Zijne zegeningen over Zijn volk, want zij falen niet, maar zijn elke morgen nieuw, nieuw ook in elke bijeenkomst.
III. Wat er op deze bijeenkomst tussen Christus en Thomas voorviel. Dat alleen wordt hier vermeld, schoon wij kunnen onderstellen, dat Hij nog zeer veel tot de anderen gezegd heeft.
Hier is:
1. Christus' genadige neerbuigendheid jegens Thomas, vers 27. Hij koos hem uit van de overigen en wendde zich inzonderheid tot hem: Breng uwen vinger hier -en daar gij dit zo wenst -zie Mijne handen, bevredig uwe nieuwsgierigheid tot het uiterste omtrent de tekenen der nagelen, en breng uwe hand -en zo gij door niets minder overtuigd kunt worden-steek ze in Mijne zijde. Hier hebben wij: a. Ene bestraffing van Thomas' ongeloof in de duidelijke verwijzing naar hetgeen Thomas gezegd had, het woord voor woord beantwoordende, want hoewel Hij ongezien was, had Hij het gehoord, en wij kunnen ons voorstellen, hoe Thomas beschaamd geweest moet zijn, toen hij Hem aldus zijne eigene woorden hoorde herhalen. Er is nooit een ongelovig woord op onze lippen, ja gene ongelovige gedachte in ons hart, of het is den Heere Jezus bekend, Psalm 78:21. b. Ene tegemoetkoming in zijne zwakheid, welke blijkt in twee dingen: a. Dat Hij zich door hem laat voorschrijven wat geschieden moet. Grote mannen laten zich door hun minderen de wet niet stellen, inzonderheid niet voor hun daden van gunst of genade, maar hier behaagt het Christus om zich zelfs naar de gril te schikken van Thomas voor iets dat onnodig is, liever dan met hem te breken, en hem in zijn ongeloof te laten volharden. Hij wil het gekrookte riet niet verbreken, maar, als ene goede herder, brengt Hij het weggedrevene weer, Ezechiël 34:16. Aldus behoren wij de zwakheden der onsterken te dragen, Romeinen 15:1,
2. b. Hij laat wroeten in Zijne wonden, Hij laat zelfs toe, dat Thomas de hand steekt in Zijne zijde, indien hij aldus ten laatste zal willen geloven. Zo heeft Hij ook tot bevestiging van ons geloof ene inzetting gegeven met h et doel Zijn dood in gedachtenis te houden, hoewel het een schandelijke, smadelijke dood was, die, naar men zou menen, veeleer vergeten had moeten worden, en nooit meer ter sprake gebracht. Omdat er echter zulk een groot bewijs Zijner liefde in was gelegen, dat ons geloof er door aangemoedigd en versterkt kan worden, heeft Hij er de gedachtenisviering van verordineerd. En in deze inzetting, waarin wij den dood des Heeren verkondigen, worden wij, als het ware, geroepen, om onzen vinger in het teken der nagelen te steken. Breng uwe hand tot Hem, die Zijne helpende, uitnodigende, gevende hand uitstrekt tot u. Het is een aandoenlijk woord, waarmee Christus besluit hetgeen Hij aan Thomas te zeggen had: zijt niet ongelovig, maar gelovig, mê ginou apistos -word geen ongelovige, alsof hij, indien hij zich nu niet had onderworpen, onder het ongeloof besloten zou geweest zijn. Deze waarschuwing is tot ons allen gericht: Wees niet ongelovig, want, zo wij ongelovig zijn, dan zijn wij zonder Christus en zonder genade, zonder hope en zonder blijdschap, zo laat ons dan zeggen: Ik geloof, Heere, kom mijne ongelovigheid te hulp. 2. Thomas' gelovige instemming met Jezus Christus. Hij schaamt zich nu over zijn ongeloof, en roept: Mijn Heere en mijn God, vers 28. Er wordt ons niet gezegd, dat hij zijn' vinger in het teken der nagelen gestoken heeft, hij schijnt het niet gedaan te hebben, want Christus zegt, vers 29, omdat gij Mij gezien hebt, zo hebt gij geloofd. Het zien was dus voldoende voor hem. En nu, na ene worsteling met het ongeloof, is het geloof overwinnaar gebleven.
a. Thomas is nu ten volle overtuigd van de waarheid van Christus' opstanding, overtuigd, dat dezelfde Jezus, die gekruist was, nu levend is, en dat Hij het is. Zijne traagheid en onwilligheid om te geloven, kan ons ene hulpe zijn om ons geloof te versterken, want hieruit blijkt, dat de getuigen van Christus opstanding, die haar voor de wereld betuigd hebben, en er hun leven voor hebben verpand, gene lichtgelovige, gemakkelijk te overreden mannen zijn geweest, dat zij, integendeel, zeer voorzichtig waren, en hun geloven er aan hebben opgeschort, totdat zij er alle blijken en bewijzen van gezien hebben, die zij konden begeren. Zo is er uit den eter spijze uitgegaan.
b. Daarom geloofde hij Hem Heere en God te zijn, en ook wij moeten dit van Hem geloven. Wij moeten geloven in Zijne Godheid-dat Hij God is, niet een mens, die God gemaakt, of geworden is, maar God, die Mens is geworden, gelijk deze evangelist reeds bij het begin die stelling heeft uitgesproken, Hoofdstuk 1:1. Hij, die de Auteur en het Hoofd is van onzen heiligen Godsdienst, heeft de wijsheid, macht, soevereiniteit en onveranderlijkheid van God, hetgeen noodzakelijk was, omdat Hij er niet slechts de Stichter van is, maar ook het Fondament tot voortdurenden steun, en de Fontein des levens tot gestadige voorziening er van. b. Zijn Middelaarschap-dat Hij is de Heere, de enige Heere, 1 Corinthiërs 8:6, 1 Timotheus 2:5. Hij is de Gevolmachtigde, om alle de grote belangen, die er hangende zijn tussen God en den mens, te regelen en te vereffenen, den twist bij te leggen, die anders op ons verderf had moeten uitlopen, en de overeenstemming te bewerken, die nodig is voor ons geluk. Zie Handelingen 2:36, Romeinen 14:9.
c. Hij stemde Hem toe als zijn Heere en zijn God. Er moet in het geloof de instemming zijn van den wil met de Evangelie-voorwaarden, zowel als de instemming van het verstand met evangelie- waarheden. Wij moeten Christus aannemen om datgene voor ons te zijn, waartoe de Vader Hem verordineerd heeft. Mijn Heere heeft betrekking op Adonai -mijn fundament en mijn steun, mijn God op Elohiem -mijn Vorst en Rechter. Daar God Hem tot Scheidsman heeft aangesteld, moeten wij die keuze goedkeuren, en ons geheel in Zijne handen overgeven. Dat is de levensdaad van het geloof, Hij is de mijne, Hooglied 2:16.
d. Hij heeft openlijk belijdenis hiervan afgelegd in de tegenwoordigheid van hen, die getuigen waren geweest van zijn ongelovigen twijfel. Hij zegt het tot Christus, en om den zin te vervolledigen moeten wij hem lezen: Gij zijt mijn Heere en mijn God, of wel, sprekende tot zijne broederen: Deze is mijn Heere en mijn God. Nemen wij Christus aan als onzen Heere en God? Wij moeten tot Hem gaan en het tot Hem zeggen, zoals David, Psalm 16:2, Hem onze onderwerping aan bieden, en het aan anderen mededelen, het hun te kennen geven juichende in on ze betrekking tot Christus. Dit is mijn Welbeminde. Thomas spreekt met vurigheid van liefde, als Christus aangrijpende uit al zijne macht: Mijne Heere en mijn God.
3. Het oordeel van Christus omtrent dit alles, vers 29, Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas! zo hebt gij geloofd -en het is goed, dat gij hiertoe gekomen zijt, maar-zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben. Hier erkent:
a. Christus Thomas als een gelovige. Grondige en oprechte gelovigen zullen, hoewel zij traag en zwak geweest zijn, genadiglijk door den Heere Jezus aangenomen worden. Zij, die lang weerstaan hebben, zullen, zo zij zich ten laatste gewonnen geven, Hem bereid vinden, om hun vergiffenis te schenken. Niet zodra heeft Thomas met Christus ingestemd, of Christus geeft er hem de vertroosting van, en laat hem weten, dat hij gelooft.
b. Hij verwijt hem zijn vorig ongeloof. Wèl mocht hij beschaamd wezen, als hij bedacht: a. Dat hij zo onwillig was om te geloven, en zo langzaam tot zijne vertroosting is gekomen. Zij, die zich in oprechtheid met Christus verbinden, zien in, dat zij grotelijks reden hebben om het te betreuren, dat zij dit niet eerder gedaan hebben. b. Dat het niet zonder veel moeite was, dat hij er eindelijk toe gekomen is om te geloven. "Indien gij Mij niet levend gezien had, gij zoudt niet hebben geloofd", maar indien geen ander bewijs of getuigenis moet toegelaten worden dan het getuigenis onzer zinnen, als wij niets moeten geloven dan hetgeen, waarvan wij zelven ooggetuigen zijn, dan is ook alle omgang en alle gesprek met mensen aan een einde. Als dit de enige methode van bewijs moet zijn, hoe zal dan de wereld tot het geloof van Christus bekeerd worden? Hij wordt er daarom terecht om gelaakt, dat hij daar zo groten nadruk op legt. c. Hij beveelt het geloof aan van hen, die op minder zware voorwaarden geloven. Als gelovige, was Thomas in waarheid zalig, maar toch: zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben. Dat wordt niet bedoeld van de voorwerpen van geloof (want deze zijn onzichtbaar, Hebreeën 11:1, 2 Corinthiërs 4:18), maar van de beweegoorzaken van geloof- Christus' wonderen, en inzonderheid Zijne opstanding, zalig zijn zij, die dezen niet gezien hebben, en nochtans in Christus geloven. Dit kan of terugzien op de Oud-Testamentische heiligen, die de dingen niet gezien hebben, welke zij zagen, en toch de belofte geloofd hebben, gedaan aan de vaderen, en uit dat geloof hebben geleefd, of vooruit zien op hen, die naderhand zullen geloven, de Heidenen, die nooit, zoals de Joden, Christus in het vlees hebben gezien. Dat geloof is meer prijzenswaardig dan het geloof van hen, die zagen en geloofden, want: a. het geeft blijk van ene betere gemoedsgesteldheid in hen, die geloven. Niet te zien en nochtans te geloven bewijst grotere naarstigheid in het zoeken naar waarheid, en grotere oprechtheid van hart in het aannemen er van. In hem, die gelooft, na gezien te hebben, is de tegenstand door ene soort van geweld overwonnen, maar hij, die gelooft, zonder te zien, is, evenals de Bereërs, edeler. b. Het is een groter voorbeeld van de macht der Goddelijke genade. Hoe minder zichtbaar of tastbaar het bewijs is, hoe duidelijker het blijkt, dat het geloof het werk des Heeren is. Petrus is zalig in zijn geloof, omdat vlees en bloed het hem niet hebben geopenbaard, Mattheus 16:17. Vlees en bloed dragen meer bij tot het geloof van hen, die zien en geloven, dan tot dat van hen, die niet zien en nochtans geloven. Dr. Lightfoot haalt het gezegde aan van een der rabbijnen, dat een proseliet Gode meer welbehaaglijk is dan al de duizenden van Israël, die aan den berg Sinaï stonden, want zij zagen en ontvingen de wet, maar een proseliet ziet niet, en ontvangt nochtans de wet.
IV. De opmerking, die de evangelist maakt op zijn verhaal, als een geschiedschrijver, die tot het slot, of einde, is genaderd, vers 30, 31. En hier:
1. Verzekert hij ons, dat nog vele andere dingen plaats hadden, die allen waardig waren om te worden vermeld, maar niet zijn geschreven in dit boek, vele tekenen. Sommigen achten, dat dit betrekking heeft op al de tekenen, die Jezus in geheel Zijn leven gedaan heeft, al de wonderbare woorden, die Hij heeft gesproken. Maar het schijnt veeleer beperkt te zijn tot de tekenen, die Hij gedaan heeft na Zijne opstanding, want dezen werden alleen in de tegenwoordigheid der discipelen gedaan, van wie hier gesproken wordt, Handelingen 10:41. Van verscheidenen Zijner verschijningen is geen melding gemaakt, zoals blijkt uit 1 Corinthiërs 15:5-7, zie Handelingen 1:3. Nu kan dit algemene getuigenis, dat er andere tekenen waren, vele andere tekenen, dienen tot bevestiging van ons geloof, en gevoegd zijnde bij de bijzondere verhalen, wordt het bewijs er grotelijks door versterkt. Zij, die de opstanding van Christus hebben opgetekend, behoefden naar de bewijzen er van niet te zoeken, zij bevonden zich niet in de noodzakelijkheid om enkele brokstukken van bewijzen bij elkaar te brengen en het overige aan te vullen door gissingen. Neen zij hadden bewijzen te over, en meer getuigen er van dan zij behoefden. De discipelen, in wier tegenwoordigheid deze andere tekenen gedaan werden, moesten predikers van Christus' opstanding zijn voor anderen, en daarom was het een vereiste, dat zij er de bewijzen van hadden ex abundanti - in overvloed, opdat zij die er hun leven, hun al, voor op het spel zetten, ene sterke vertroosting zouden hebben.
b. Wij behoeven niet te vragen, waarom zij niet allen geschreven waren, of waarom niet meer, of niet anderen dan dezen, want het is ons genoeg, dat het aldus den Heiligen Geest goed gedacht heeft, door wiens ingeving dezen ons gegeven zijn. Indien deze geschiedenis een bloot menselijk verhaal ware geweest, het zou vermeerderd zijn met ene menigte van beëdigde verklaringen om de bestreden waarheid van Christus' opstanding te bewijzen, men zou er lange redeneringen in gevonden hebben, om er de waarheid van in het licht te stellen, daar het echter ene Goddelijke geschiedenis is, schrijven de opstellers er van met ene edele vastheid en verzekerdheid, verhalende hetgeen een geschikt en afdoend bewijs oplevert, voldoende om diegenen te overtuigen, die zich wilden laten onderwijzen, en diegenen te veroordelen, die hardnekkig aan hun ongeloof vasthielden, en zo dit nu niet volstaat, zal meer evenmin kunnen volstaan. De mensen brengen alles te berde wat zij te zeggen hebben, om geloof te verkrijgen, maar God doet dat niet, want Hij kan geloof geven. Indien dit verhaal ware omschreven tot vermaak der nieuwsgierigen, dan zou het uitvoeriger geweest zijn, want het verhaal zou met elke bijzonderheid verlevendigd en versierd zijn, maar het werd geschreven om de mensen tot het geloof te brengen, en voor dat doel is er genoeg gezegd, hetzij de mensen willen horen of niet willen horen.
2. Hij onderricht ons omtrent het doel van dit verhaal, vers 31:Deze zijn in dit en in het volgende hoofdstuk geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods, daar Hij door Zijne opstanding krachtiglijk is bewezen dit te zijn.
a. Hier is het doel van hen, die het Evangelie geschreven hebben. Sommigen schrijven boeken voor hun vermaak, of ontspanning, en geven ze uit om er voordeel of wel roem door te verkrijgen, anderen om aan den Atheensen luim toe te geven door iets nieuws te vertellen, nog anderen om de mensen in kunsten of wetenschappen te onderrichten tot hun werelds voordeel, maar de evangelisten schreven zonder tijdelijk nut of voordeel voor hen zelven of voor anderen er mede op het oog te hebben, maar om de mensen tot Christus en naar den hemel te brengen, en te dien einde de mensen tot het geloof te brengen. Daartoe volgden zij de meest geschikte methode, zij brachten ene Goddelijke openbaring tot de wereld, ondersteund en beproefd door afdoende bewijzen.
b. Den plicht van hen, die het Evangelie lezen en horen. Het is hun plicht de leer van Christus te geloven en aan te nemen, alsmede de getuigenis die van Hem gegeven is, 1 Johannes 5:11. a. Er wordt ons hier gezegd wat de grote Evangeliewaarheid is, die wij hebben te geloven-dat Jezus is de Christus, de Zone Gods. Ten eerste. Dat Hij is de Christus, de Persoon, die onder den titel van Messias aan de Oud-Testamentische heiligen was beloofd en door hen werd verwacht, en die, overeenkomstig de betekenis van den naam, door God gezalfd is, om een Vorst en Zaligmaker te zijn. Ten tweede. Dat Hij is de Zone Gods, niet slechts als Middelaar (want dan zou Hij niet groter zijn dan Mozes, die een profeet een voorspraak en wetgever is geweest), maar voorafgaand aan Zijn Middelaarschap, want indien Hij geen Goddelijk Persoon was, bekleed met de macht van God, en rechthebbende op de heerlijkheid Gods, Hij zou niet bevoegd en in staat zijn geweest tot de onderneming-niet geschikt om het werk des Verlossers te doen, of de kroon des Verlossers te dragen. b. Wat de grote Evangeliezaligheid is, waarop wij hebben te hopen-opdat wij, gelovende, het leven hebben in Zijn Naam. Dat is, Ten eerste. Om de richting van ons geloof aan te wijzen, in het geloof moeten wij het oog hebben op het leven, de kroon des levens, den boom des levens. Leven in Christus' naam, het leven voorgesteld in het verbond, dat in Christus met ons gemaakt is, dat is het wat wij ons moeten voorstellen als de volheid van onze blijdschap en het ruime, overvloedige loon van al onzen dienst en al ons lijden. Ten tweede. Om ons aan te moedigen tot geloof en er ons toe op te wekken. Het vooruitzicht op een groot voordeel zal de mensen zeer veel doen wagen, en groter voordeel bestaat niet dan hetgeen ons aangeboden wordt door de woorden des levens, zoals het Evangelie genoemd wordt, Handelingen 5:20. Het bevat geestelijk leven in gelijkvormigheid met God en gemeenschap met Hem, en ook eeuwig leven in het zien en genieten van Hem. Beiden zijn in Christus' naam, door Zijne verdienste en macht, en onfeilbaar zeker voor alle ware gelovigen. Johannes 20:26-31
Wij hebben hier een bericht van nog ene verschijning van Christus aan Zijne discipelen. na Zijne opstanding, toen Thomas nu ook bij hen tegenwoordig was. En hieromtrent kunnen wij opmerken:
I. Wanneer Christus Zijn bezoek aan Zijne discipelen herhaald heeft. Na acht dagen, ene week na Zijne opstanding, zodat het ook toen op den eersten dag der week geweest moet zijn.
1. Zijne volgende verschijning stelde Hij enigen tijd uit, om aan Zijne discipelen te tonen, dat Hij niet was opgestaan tot zulk een leven, als Hij vroeger geleefd heeft, om voortdurend met hen om te gaan, maar was als een, die nu tot ene andere wereld behoorde, en deze wereld slechts bezocht zoals de engelen, nu en dan, als het nodig was. Waar Christus was gedurende deze acht dagen, en gedurende den overigen tijd, dien Hij op aarde doorbracht, weten wij niet, het zou dwaasheid zijn om het te onderzoeken, en verwaandheid om het te bepalen. Wáár het ook moge geweest zijn, ongetwijfeld hebben engelen er Hem gediend. In het begin Zijner bediening is Hij veertig dagen lang ongezien gebleven, verzocht door den bozen geest, Mattheus 4:1,
2. En nu, aan het begin van Zijne heerlijkheid was Hij gedurende veertig dagen, meestal ongezien, en vergezeld door goede geesten. 2. Hij heeft het zeven dagen lang uitgesteld. Waarom?
a. Om Thomas wegens zijne ongelovigheid te bestraffen. De vorige bijeenkomst der discipelen had hij verzuimd, en om hem nu te leren deze middelen van genade voortaan beter op prijs te stellen, kan hij er gedurende verscheidene dagen gene andere gelegenheid voor hebben. Wie een getij laat voorbijgaan, moet ene hele poos wachten naar het volgende. Wij hebben reden te denken, dat het voor Thomas ene zeer treurige week geweest is, het hoofd latende hangen en in grote spanning, terwijl de andere discipelen vol waren van blijdschap, en dit had hij aan zich zelven, aan zijne eigene dwaasheid te danken.
b. Ten einde het geloof en het geduld der overige discipelen op de proef te stellen. Zij hadden reeds zeer veel gewonnen, toen zij de overtuiging hadden verkregen, dat zij den Heere hadden gezien. Toen waren de discipelen verblijd, maar Hij wilde hen op de proef stellen om te zien, of zij den verkregen grond nu ook zouden behouden, ook als zij Hem gedurende enige dagen niet weer zouden zien. En aldus wilde Hij hen langzamerhand spenen van Zijne lichamelijke tegenwoordigheid, waaraan zij al te zeer gehecht waren. en er al te veel op hadden gesteund.
c. Ten einde den eersten dag der week te eren, en duidelijk Zijn wil te doen kennen, dat die dag in Zijne kerk als den Christelijken sabbat zou worden waargenomen, den wekelijksen dag van heilige rust en heilige samenroeping. Dat een van de zeven dagen Godsdienstig waargenomen moest worden was van den beginne aan verordineerd, dit is zo oud als de staat der onschuld, en dat in het koninkrijk van den Messias de eerste dag der week die plechtige dag zou zijn werd duidelijk genoeg aangewezen door dat Christus een en andermaal op zulk een dag Zijne discipelen in ene Godsdienstige samenkomst bezocht heeft. Het is hoogst waarschijnlijk, dat Hij bij Zijn vorig bezoek hun gezegd had, dat zij over acht dagen weer samen moesten komen, en beloofd heeft alsdan tot hen te komen, alsook, dat Hij hun, behalve op nog andere tijden, op elke eersten dag der week verschenen is gedurende de veertig dagen, die Hij op aarde bleef. De Godsdienstige viering van dien dag is ons van toen af door alle eeuwen der kerk overgeleverd. Dit is dus de dag, dien de Heere gemaakt heeft.
II. Waar, en hoe, Christus hun dit bezoek gebracht heeft. Het was te Jeruzalem, want, evenals de vorige maal, waren ook nu de deuren gesloten om de vreze der Joden. Dáár bleven zij, om het feest der ongezuurde broden zeven dagen lang te houden, welke feestweek dus den vorigen dag geëindigd was, maar zij wilden zich toch niet op den eersten dag der week op reis naar Galilea begeven, omdat het de Christelijke sabbat was, en dus bleven zij dien dag nog over. Merk nu op:
1. Dat Thomas met hen was, hoewel hij eenmaal van hen weggebleven was, heeft hij dit de tweede maal toch niet gedaan. Als wij ene gelegenheid verzuimd, of verloren hebben, dan moeten wij des te zorgzamer zijn om de volgende gelegenheid waar te nemen, teneinde het verlorene te herwinnen. Het is een goed teken, als door zulk een verlies onze begeerte des te vuriger wordt, en een slecht teken, als zij er door verflauwt. De discipelen lieten hem onder zich toe, en hebben er niet op aangedrongen, dat hij moest geloven in de opstanding van Christus, zoals zij er in geloofden, omdat zij vooralsnog slechts duister geopenbaard was, zij hebben hem niet aangenomen om met hem te twisten, maar heetten hem welkom, zeiden hem te komen en te zien. Let er echter op, dat Christus niet aan Thomas ter zijner voldoening en overtuiging verschenen is, voor Hij hem in het gezelschap der overige discipelen vond, omdat Hij de bijeenkomsten van Christenen en leraren wilde ondersteunen en wettigen, want daar zal Hij in hun midden wezen. Daarenboven wilde Hij ook, dat al de discipelen getuigen zouden zijn van Zijne bestraffing aan Thomas, en daarbij ook van de tedere zorge, die Hij over hen had.
2. Dat Jezus kwam, en stond in het midden van hen, en dat zij allen Hem kenden, want Hij toonde zich nu, zoals Hij zich te voren getoond had, vers 19, nog dezelfde, geen ander. Let op de neerbuigendheid van onzen Heere Jezus. De poorten des hemels stond en voor Hem geopend te worden, en dáár zou Hij zich te midden van ene aanbiddende wereld van engelen hebben bevonden, maar ten nutte van de kerk verwijlde Hij op aarde en bezocht de kleine bijzondere bijeenkomsten van Zijne arme discipelen, en is in hun midden.
3. Hij groette hen allen op vriendelijke wijze, evenals Hij hen te voren begroet had met: Vrede zij ulieden. Dit was gene ijdele herhaling, maar betekent den overvloedigen, wèl verzekerden vrede, dien Christus geeft, en het voortdurende van Zijne zegeningen over Zijn volk, want zij falen niet, maar zijn elke morgen nieuw, nieuw ook in elke bijeenkomst.
III. Wat er op deze bijeenkomst tussen Christus en Thomas voorviel. Dat alleen wordt hier vermeld, schoon wij kunnen onderstellen, dat Hij nog zeer veel tot de anderen gezegd heeft. Hier is:
1. Christus' genadige neerbuigendheid jegens Thomas, vers 27. Hij koos hem uit van de overigen en wendde zich inzonderheid tot hem: Breng uwen vinger hier -en daar gij dit zo wenst -zie Mijne handen, bevredig uwe nieuwsgierigheid tot het uiterste omtrent de tekenen der nagelen, en breng uwe hand -en zo gij door niets minder overtuigd kunt worden-steek ze in Mijne zijde. Hier hebben wij:
a. Ene bestraffing van Thomas' ongeloof in de duidelijke verwijzing naar hetgeen Thomas gezegd had, het woord voor woord beantwoordende, want hoewel Hij ongezien was, had Hij het gehoord, en wij kunnen ons voorstellen, hoe Thomas beschaamd geweest moet zijn, toen hij Hem aldus zijne eigene woorden hoorde herhalen. Er is nooit een ongelovig woord op onze lippen, ja gene ongelovige gedachte in ons hart, of het is den Heere Jezus bekend, Psalm 78:21. b. Ene tegemoetkoming in zijne zwakheid, welke blijkt in twee dingen: a. Dat Hij zich door hem laat voorschrijven wat geschieden moet. Grote mannen laten zich door hun minderen de wet niet stellen, inzonderheid niet voor hun daden van gunst of genade, maar hier behaagt het Christus om zich zelfs naar de gril te schikken van Thomas voor iets dat onnodig is, liever dan met hem te breken, en hem in zijn ongeloof te laten volharden. Hij wil het gekrookte riet niet verbreken, maar, als ene goede herder, brengt Hij het weggedrevene weer, Ezechiël 34:16. Aldus behoren wij de zwakheden der onsterken te dragen, Romeinen 15:1,
2. b. Hij laat wroeten in Zijne wonden, Hij laat zelfs toe, dat Thomas de hand steekt in Zijne zijde, indien hij aldus ten laatste zal willen geloven. Zo heeft Hij ook tot bevestiging van ons geloof ene inzetting gegeven met h et doel Zijn dood in gedachtenis te houden, hoewel het een schandelijke, smadelijke dood was, die, naar men zou menen, veeleer vergeten had moeten worden, en nooit meer ter sprake gebracht. Omdat er echter zulk een groot bewijs Zijner liefde in was gelegen, dat ons geloof er door aangemoedigd en versterkt kan worden, heeft Hij er de gedachtenisviering van verordineerd. En in deze inzetting, waarin wij den dood des Heeren verkondigen, worden wij, als het ware, geroepen, om onzen vinger in het teken der nagelen te steken. Breng uwe hand tot Hem, die Zijne helpende, uitnodigende, gevende hand uitstrekt tot u. Het is een aandoenlijk woord, waarmee Christus besluit hetgeen Hij aan Thomas te zeggen had: zijt niet ongelovig, maar gelovig, mê ginou apistos -word geen ongelovige, alsof hij, indien hij zich nu niet had onderworpen, onder het ongeloof besloten zou geweest zijn. Deze waarschuwing is tot ons allen gericht: Wees niet ongelovig, want, zo wij ongelovig zijn, dan zijn wij zonder Christus en zonder genade, zonder hope en zonder blijdschap, zo laat ons dan zeggen: Ik geloof, Heere, kom mijne ongelovigheid te hulp. 2. Thomas' gelovige instemming met Jezus Christus. Hij schaamt zich nu over zijn ongeloof, en roept: Mijn Heere en mijn God, vers 28. Er wordt ons niet gezegd, dat hij zijn' vinger in het teken der nagelen gestoken heeft, hij schijnt het niet gedaan te hebben, want Christus zegt, vers 29, omdat gij Mij gezien hebt, zo hebt gij geloofd. Het zien was dus voldoende voor hem. En nu, na ene worsteling met het ongeloof, is het geloof overwinnaar gebleven.
a. Thomas is nu ten volle overtuigd van de waarheid van Christus' opstanding, overtuigd, dat dezelfde Jezus, die gekruist was, nu levend is, en dat Hij het is. Zijne traagheid en onwilligheid om te geloven, kan ons ene hulpe zijn om ons geloof te versterken, want hieruit blijkt, dat de getuigen van Christus opstanding, die haar voor de wereld betuigd hebben, en er hun leven voor hebben verpand, gene lichtgelovige, gemakkelijk te overreden mannen zijn geweest, dat zij, integendeel, zeer voorzichtig waren, en hun geloven er aan hebben opgeschort, totdat zij er alle blijken en bewijzen van gezien hebben, die zij konden begeren. Zo is er uit den eter spijze uitgegaan.
b. Daarom geloofde hij Hem Heere en God te zijn, en ook wij moeten dit van Hem geloven. Wij moeten geloven in Zijne Godheid-dat Hij God is, niet een mens, die God gemaakt, of geworden is, maar God, die Mens is geworden, gelijk deze evangelist reeds bij het begin die stelling heeft uitgesproken, Hoofdstuk 1:1. Hij, die de Auteur en het Hoofd is van onzen heiligen Godsdienst, heeft de wijsheid, macht, soevereiniteit en onveranderlijkheid van God, hetgeen noodzakelijk was, omdat Hij er niet slechts de Stichter van is, maar ook het Fondament tot voortdurenden steun, en de Fontein des levens tot gestadige voorziening er van. b. Zijn Middelaarschap-dat Hij is de Heere, de enige Heere, 1 Corinthiërs 8:6, 1 Timotheus 2:5. Hij is de Gevolmachtigde, om alle de grote belangen, die er hangende zijn tussen God en den mens, te regelen en te vereffenen, den twist bij te leggen, die anders op ons verderf had moeten uitlopen, en de overeenstemming te bewerken, die nodig is voor ons geluk. Zie Handelingen 2:36, Romeinen 14:9.
c. Hij stemde Hem toe als zijn Heere en zijn God. Er moet in het geloof de instemming zijn van den wil met de Evangelie-voorwaarden, zowel als de instemming van het verstand met evangelie- waarheden. Wij moeten Christus aannemen om datgene voor ons te zijn, waartoe de Vader Hem verordineerd heeft. Mijn Heere heeft betrekking op Adonai -mijn fundament en mijn steun, mijn God op Elohiem -mijn Vorst en Rechter. Daar God Hem tot Scheidsman heeft aangesteld, moeten wij die keuze goedkeuren, en ons geheel in Zijne handen overgeven. Dat is de levensdaad van het geloof, Hij is de mijne, Hooglied 2:16.
d. Hij heeft openlijk belijdenis hiervan afgelegd in de tegenwoordigheid van hen, die getuigen waren geweest van zijn ongelovigen twijfel. Hij zegt het tot Christus, en om den zin te vervolledigen moeten wij hem lezen: Gij zijt mijn Heere en mijn God, of wel, sprekende tot zijne broederen: Deze is mijn Heere en mijn God. Nemen wij Christus aan als onzen Heere en God? Wij moeten tot Hem gaan en het tot Hem zeggen, zoals David, Psalm 16:2, Hem onze onderwerping aan bieden, en het aan anderen mededelen, het hun te kennen geven juichende in on ze betrekking tot Christus. Dit is mijn Welbeminde. Thomas spreekt met vurigheid van liefde, als Christus aangrijpende uit al zijne macht: Mijne Heere en mijn God.
3. Het oordeel van Christus omtrent dit alles, vers 29, Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas! zo hebt gij geloofd -en het is goed, dat gij hiertoe gekomen zijt, maar-zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben. Hier erkent:
a. Christus Thomas als een gelovige. Grondige en oprechte gelovigen zullen, hoewel zij traag en zwak geweest zijn, genadiglijk door den Heere Jezus aangenomen worden. Zij, die lang weerstaan hebben, zullen, zo zij zich ten laatste gewonnen geven, Hem bereid vinden, om hun vergiffenis te schenken. Niet zodra heeft Thomas met Christus ingestemd, of Christus geeft er hem de vertroosting van, en laat hem weten, dat hij gelooft.
b. Hij verwijt hem zijn vorig ongeloof. Wèl mocht hij beschaamd wezen, als hij bedacht: a. Dat hij zo onwillig was om te geloven, en zo langzaam tot zijne vertroosting is gekomen. Zij, die zich in oprechtheid met Christus verbinden, zien in, dat zij grotelijks reden hebben om het te betreuren, dat zij dit niet eerder gedaan hebben. b. Dat het niet zonder veel moeite was, dat hij er eindelijk toe gekomen is om te geloven. "Indien gij Mij niet levend gezien had, gij zoudt niet hebben geloofd", maar indien geen ander bewijs of getuigenis moet toegelaten worden dan het getuigenis onzer zinnen, als wij niets moeten geloven dan hetgeen, waarvan wij zelven ooggetuigen zijn, dan is ook alle omgang en alle gesprek met mensen aan een einde. Als dit de enige methode van bewijs moet zijn, hoe zal dan de wereld tot het geloof van Christus bekeerd worden? Hij wordt er daarom terecht om gelaakt, dat hij daar zo groten nadruk op legt.
c. Hij beveelt het geloof aan van hen, die op minder zware voorwaarden geloven. Als gelovige, was Thomas in waarheid zalig, maar toch: zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben. Dat wordt niet bedoeld van de voorwerpen van geloof (want deze zijn onzichtbaar, Hebreeën 11:1, 2 Corinthiërs 4:18), maar van de beweegoorzaken van geloof- Christus' wonderen, en inzonderheid Zijne opstanding, zalig zijn zij, die dezen niet gezien hebben, en nochtans in Christus geloven. Dit kan of terugzien op de Oud-Testamentische heiligen, die de dingen niet gezien hebben, welke zij zagen, en toch de belofte geloofd hebben, gedaan aan de vaderen, en uit dat geloof hebben geleefd, of vooruit zien op hen, die naderhand zullen geloven, de Heidenen, die nooit, zoals de Joden, Christus in het vlees hebben gezien. Dat geloof is meer prijzenswaardig dan het geloof van hen, die zagen en geloofden, want: a. het geeft blijk van ene betere gemoedsgesteldheid in hen, die geloven. Niet te zien en nochtans te geloven bewijst grotere naarstigheid in het zoeken naar waarheid, en grotere oprechtheid van hart in het aannemen er van. In hem, die gelooft, na gezien te hebben, is de tegenstand door ene soort van geweld overwonnen, maar hij, die gelooft, zonder te zien, is, evenals de Bereërs, edeler. b. Het is een groter voorbeeld van de macht der Goddelijke genade. Hoe minder zichtbaar of tastbaar het bewijs is, hoe duidelijker het blijkt, dat het geloof het werk des Heeren is. Petrus is zalig in zijn geloof, omdat vlees en bloed het hem niet hebben geopenbaard, Mattheus 16:17. Vlees en bloed dragen meer bij tot het geloof van hen, die zien en geloven, dan tot dat van hen, die niet zien en nochtans geloven. Dr. Lightfoot haalt het gezegde aan van een der rabbijnen, dat een proseliet Gode meer welbehaaglijk is dan al de duizenden van Israël, die aan den berg Sinaï stonden, want zij zagen en ontvingen de wet, maar een proseliet ziet niet, en ontvangt nochtans de wet.
IV. De opmerking, die de evangelist maakt op zijn verhaal, als een geschiedschrijver, die tot het slot, of einde, is genaderd, vers 30, 31. En hier:
1. Verzekert hij ons, dat nog vele andere dingen plaats hadden, die allen waardig waren om te worden vermeld, maar niet zijn geschreven in dit boek, vele tekenen. Sommigen achten, dat dit betrekking heeft op al de tekenen, die Jezus in geheel Zijn leven gedaan heeft, al de wonderbare woorden, die Hij heeft gesproken. Maar het schijnt veeleer beperkt te zijn tot de tekenen, die Hij gedaan heeft na Zijne opstanding, want dezen werden alleen in de tegenwoordigheid der discipelen gedaan, van wie hier gesproken wordt, Handelingen 10:41. Van verscheidenen Zijner verschijningen is geen melding gemaakt, zoals blijkt uit 1 Corinthiërs 15:5-7, zie Handelingen 1:3. Nu kan dit algemene getuigenis, dat er andere tekenen waren, vele andere tekenen, dienen tot bevestiging van ons geloof, en gevoegd zijnde bij de bijzondere verhalen, wordt het bewijs er grotelijks door versterkt. Zij, die de opstanding van Christus hebben opgetekend, behoefden naar de bewijzen er van niet te zoeken, zij bevonden zich niet in de noodzakelijkheid om enkele brokstukken van bewijzen bij elkaar te brengen en het overige aan te vullen door gissingen. Neen zij hadden bewijzen te over, en meer getuigen er van dan zij behoefden. De discipelen, in wier tegenwoordigheid deze andere tekenen gedaan werden, moesten predikers van Christus' opstanding zijn voor anderen, en daarom was het een vereiste, dat zij er de bewijzen van hadden ex abundanti - in overvloed, opdat zij die er hun leven, hun al, voor op het spel zetten, ene sterke vertroosting zouden hebben.
b. Wij behoeven niet te vragen, waarom zij niet allen geschreven waren, of waarom niet meer, of niet anderen dan dezen, want het is ons genoeg, dat het aldus den Heiligen Geest goed gedacht heeft, door wiens ingeving dezen ons gegeven zijn. Indien deze geschiedenis een bloot menselijk verhaal ware geweest, het zou vermeerderd zijn met ene menigte van beëdigde verklaringen om de bestreden waarheid van Christus' opstanding te bewijzen, men zou er lange redeneringen in gevonden hebben, om er de waarheid van in het licht te stellen, daar het echter ene Goddelijke geschiedenis is, schrijven de opstellers er van met ene edele vastheid en verzekerdheid, verhalende hetgeen een geschikt en afdoend bewijs oplevert, voldoende om diegenen te overtuigen, die zich wilden laten onderwijzen, en diegenen te veroordelen, die hardnekkig aan hun ongeloof vasthielden, en zo dit nu niet volstaat, zal meer evenmin kunnen volstaan. De mensen brengen alles te berde wat zij te zeggen hebben, om geloof te verkrijgen, maar God doet dat niet, want Hij kan geloof geven. Indien dit verhaal ware omschreven tot vermaak der nieuwsgierigen, dan zou het uitvoeriger geweest zijn, want het verhaal zou met elke bijzonderheid verlevendigd en versierd zijn, maar het werd geschreven om de mensen tot het geloof te brengen, en voor dat doel is er genoeg gezegd, hetzij de mensen willen horen of niet willen horen.
2. Hij onderricht ons omtrent het doel van dit verhaal, vers 31:Deze zijn in dit en in het volgende hoofdstuk geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods, daar Hij door Zijne opstanding krachtiglijk is bewezen dit te zijn.
a. Hier is het doel van hen, die het Evangelie geschreven hebben. Sommigen schrijven boeken voor hun vermaak, of ontspanning, en geven ze uit om er voordeel of wel roem door te verkrijgen, anderen om aan den Atheensen luim toe te geven door iets nieuws te vertellen, nog anderen om de mensen in kunsten of wetenschappen te onderrichten tot hun werelds voordeel, maar de evangelisten schreven zonder tijdelijk nut of voordeel voor hen zelven of voor anderen er mede op het oog te hebben, maar om de mensen tot Christus en naar den hemel te brengen, en te dien einde de mensen tot het geloof te brengen. Daartoe volgden zij de meest geschikte methode, zij brachten ene Goddelijke openbaring tot de wereld, ondersteund en beproefd door afdoende bewijzen.
b. Den plicht van hen, die het Evangelie lezen en horen. Het is hun plicht de leer van Christus te geloven en aan te nemen, alsmede de getuigenis die van Hem gegeven is, 1 Johannes 5:11. a. Er wordt ons hier gezegd wat de grote Evangeliewaarheid is, die wij hebben te geloven-dat Jezus is de Christus, de Zone Gods. Ten eerste. Dat Hij is de Christus, de Persoon, die onder den titel van Messias aan de Oud-Testamentische heiligen was beloofd en door hen werd verwacht, en die, overeenkomstig de betekenis van den naam, door God gezalfd is, om een Vorst en Zaligmaker te zijn. Ten tweede. Dat Hij is de Zone Gods, niet slechts als Middelaar (want dan zou Hij niet groter zijn dan Mozes, die een profeet een voorspraak en wetgever is geweest), maar voorafgaand aan Zijn Middelaarschap, want indien Hij geen Goddelijk Persoon was, bekleed met de macht van God, en rechthebbende op de heerlijkheid Gods, Hij zou niet bevoegd en in staat zijn geweest tot de onderneming-niet geschikt om het werk des Verlossers te doen, of de kroon des Verlossers te dragen. b. Wat de grote Evangeliezaligheid is, waarop wij hebben te hopen-opdat wij, gelovende, het leven hebben in Zijn Naam. Dat is, Ten eerste. Om de richting van ons geloof aan te wijzen, in het geloof moeten wij het oog hebben op het leven, de kroon des levens, den boom des levens. Leven in Christus' naam, het leven voorgesteld in het verbond, dat in Christus met ons gemaakt is, dat is het wat wij ons moeten voorstellen als de volheid van onze blijdschap en het ruime, overvloedige loon van al onzen dienst en al ons lijden. Ten tweede. Om ons aan te moedigen tot geloof en er ons toe op te wekken. Het vooruitzicht op een groot voordeel zal de mensen zeer veel doen wagen, en groter voordeel bestaat niet dan hetgeen ons aangeboden wordt door de woorden des levens, zoals het Evangelie genoemd wordt, Handelingen 5:20. Het bevat geestelijk leven in gelijkvormigheid met God en gemeenschap met Hem, en ook eeuwig leven in het zien en genieten van Hem. Beiden zijn in Christus' naam, door Zijne verdienste en macht, en onfeilbaar zeker voor alle ware gelovigen. IV. Hoe de discipelen deze ontdekking van Christus van zich zelf hebben ontvangen, vers 7, 8, waar wij vinden:
1. Dat Johannes de verstandigste en scherpzinnigste der discipelen was. Hij, dien Jezus liefhad, was de eerste, die zei: Het is de Heere, want aan hen, die door Christus bemind worden, zal Hij zich op bijzondere wijze openbaren: Zijne verborgenheid is voor Zijne gunstgenoten. Johannes was Zijn Meester trouwer bijgebleven in Zijn lijden dan de anderen en daarom heeft hij, ter beloning van zijne standvastigheid, een scherpziender oog en een helderder oordeel dan een hunner. Toen Johannes zelf bemerkte, dat het de Heere was, deelde hij zijne kennis mede aan hen, die bij hem waren, want de openbaring des Geestes wordt aan een iegelijk gegeven ten nutte van allen, 1 Corinthiërs 12:7). Zij, die Christus kennen, moeten zich beijveren om anderen met Hem bekend te maken. Wij behoeven Hem niet voor ons zelven alleen te houden, er is in Hem genoeg voor allen. Johannes deelt inzonderheid aan Petrus zijn denkbeeld mede, dat het de Heere was, wetende, dat hij bovenal verblijd zou zijn Hem te zien. Hoewel Petrus zijn' Meester had verloochend, waren zij, na zijn berouw, en toen hij weer tot de gemeenschap der discipelen was toegelaten, toch even vrij en gemeenzaam met hem als te voren.
2. Dat Petrus de voortvarendste en hartelijkste der discipelen was, want zodra hij hoorde, dat het de Heere was, (hetgeen hij op Johannes' woord geloofde) kon het schip hem niet langer houden, hij kon er niet in blijven, totdat het aan land kwam, maar hij wierp zich terstond in de zee, teneinde het eerst tot Christus te komen.
a. Hij toonde zijn eerbied voor Christus door zich met zijn opperkleed te omgorden, opdat hij in de beste klederen, die hij had, voor zijn Meester zou verschijnen, en niet ruw en onbetamelijk in Zijne tegenwoordigheid zou komen, naakt als hij was vanwege het zware werk, waaraan hij ten volle deel had genomen. Dat opperkleed was misschien van leder, of wasdoek, om het nat buiten te houden, en daarom omgordde hij er zich mede, om aldus het best door het water heen tot Christus te komen.
b. Hij toonde de kracht zijner genegenheid voor Christus en zijne vurige begeerte om bij Hem te zijn door zich in de zee te werpen, en, hetzij wadende of zwemmende, tot Hem te komen. Toen hij op het water wandelde om tot Christus te komen, Mattheus 14:28, 29, werd van hem gezegd, dat hij neerklom van het schip, bedaard en voorzichtig, maar hier wordt gezegd: hij wierp zich in de zee, snel en onstuimig, zinkende of zwemmende, hij wilde zijn doel en begeerte tonen om met Jezus te zijn. "Indien Christus mij laat verdrinken", denkt hij, "zodat ik niet tot Hem kom, dan heb ik slechts wat ik verdiend heb door Hem te verloochenen". Aan Petrus was veel vergeven, en nu liet hij blijken, dat hij veel liefhad door zijne bereidwilligheid om zich in gevaar te begeven en ongemak te verduren, om maar tot Hem te komen. Zij, die met Jezus geweest zijn, zullen bereid wezen om door ene stormachtige zee, ene zee van bloed te zwemmen, om tot Hem te komen. En het is een lofwaardige wedijver onder Christus' discipelen, er naar te streven om het eerst bij Hem te zijn.
3. Dat de overige discipelen zorgzaam en oprecht van hart waren. Hoewel zij niet, evenals Petrus, in zulk ene vervoering van ijver waren, om zich in de zee te werpen, haastten zij zich toch om hun schip aan land te brengen, vers 1. "De andere discipelen", en onder dezen Johannes, die het eerst ontdekt had, dat het Christus was, kwamen langzaam, maar kwamen toch, tot Christus. Nu kunnen wij hier opmerken: a. Op hoe verschillende wijze God Zijne gaven uitdeelt. Sommigen, zoals Petrus en Johannes, munten uit in gaven en genade, en werden hierdoor onderscheiden van hun broederen, anderen zijn slechts gewone discipelen, die hun plicht waarnemen, en Hem getrouw zijn, maar niets doen, waardoor zij zich merkwaardig maken, en toch zullen dezen en die, de voortreffelijken en de gans gewonen, te zamen zitten in de heerlijkheid met Christus, ja wellicht zullen de laatsten aldaar de eersten zijn. Onder hen, die uitmunten, zijn sommigen zoals Johannes, bij uitstek nadenkend, zij hebben grote gaven van kennis, en dienen er de kerk mede, anderen, gelijk Petrus, zijn bij uitnemendheid werkzaam, kloekmoedig en sterk, doen grote daden, en zijn dus van groten dienst voor hun geslacht. Sommigen zijn nuttig als de ogen der kerk, anderen als de handen der kerk, en allen tot welzijn van het lichaam.
b. Welk een zeer groot verschil er zijn kan tussen sommige Godvruchtige mensen en anderen in hun manier van Christus te eren, terwijl beiden Hem toch welgevallig zijn. Sommigen dienen Christus meer in daden van toewijding en in buitengewone uitdrukkingen van Godsdienstigen ijver, en zij doen wel, zij doen het den Heere. Petrus moet er niet om gelaakt worden, dat hij zich in de zee wierp, maar wel geprezen om zijn ijver en de kracht zijner genegenheid, en evenzo moeten zij geprezen worden, die, in liefde tot Christus, de wereld verlaten, om met Maria neer te zitten aan Zijne voeten. Er zijn echter anderen, die Christus meer dienen in de zaken dezer wereld. Zij blijven in het schip, slepen het net, en brengen de vis aan land, zoals hier de andere discipelen, en dezen moeten niet als wereldsgezind worden gelaakt, want op hun plaats dienen zij Christus even wezenlijk en trouw als de anderen, al is het ook, dat zij de tafelen dienen. Indien al de discipelen gedaan hadden wat Petrus deed, wat zou er dan van hun vis en hun netten geworden zijn? En als Petrus gedaan had, zoals zij deden, dan zouden wij dit voorbeeld van heiligen ijver gemist hebben. Christus had een welbehagen in beiden, en dat moeten wij ook in hen hebben.
c. Dat er verschillende manieren zijn om Christus' discipelen tot Hem aan den oever te brengen, van uit de zee dezer wereld. Sommigen worden door een gewelddadigen dood tot Hem gebracht, anderen worden tot Hem gebracht door een natuurlijken dood, het net slepende, hetgeen minder schrikwekkend is, maar beiden zullen op den veiligen, rustigen oever, ten laatste Christus ontmoeten.
V. Welk onthaal zij bij den Heere Jezus vonden, toen zij aan land kwamen.
1. Hij had spijze voor hen bereid. Toen zij nat en koud, vermoeid en hongerig aan land kwamen, vonden zij er een goed vuur om zich er bij te warmen en te drogen, met vis en brood, geschikte provisie voor een goed maal.
a. Wij behoeven er niet nieuwsgierig naar te zijn, van waar dit vuur, die vis en dat brood gekomen zijn, niet meer dan van waar de spijze kwam, die de raven aan Elia hebben gebracht. Hij, die de broden en vissen, die er waren, kon vermenigvuldigen, kon ook, als het Hem behaagde, broden en vissen uit niets voortbrengen, of stenen in brood verkeren, of Zijne engelen zenden om het te halen van de plaats, waar Hij wist, dat het te verkrijgen was. Het is niet zeker, of deze spijzen in de open lucht bereid waren, of wel in de ene of andere vissershut aan de kust, maar er was hier niets dat aan statigheid of keurigheid van spijze deed denken. Wij moeten met het geringe tevreden zijn, want Christus was er mede tevreden. b. Door dit voorbeeld van Christus' zorge voor Zijne discipelen, kunnen wij vertroost worden. Hij bezit de middelen om in al onze behoeften te voorzien, en Hij weet wat wij nodig hebben. Hij heeft op vriendelijke wijze voorzien voor deze vissers, toen zij moede van hun werk kwamen, want die op den Heere vertrouwen en het goede doen, zullen voorzeker gevoed worden . Het is bemoedigend voor Christus' dienstknechten, die Hij tot vissers van mensen heeft gemaakt, dat zij kunnen rekenen op Hem, dien zij dienen, om voor hen te voorzien, en indien zij bemoediging in deze wereld ontberen, indien zij met Paulus menigmaal in honger en dorst zijn, en in vasten, zo laten zij zich tevreden stellen met wat zij hier hebben, betere dingen zijn voor hen weggelegd, zij zullen met Christus eten en drinken aan Zijne tafel in Zijn koninkrijk, Lukas 22:30. Ene wijle te voren hebben de discipelen Christus tot hun Gast gehad en Hem onthaald op gebraden vis, Lukas 24:42, en nu heeft Hij als vriend hun dit vergolden, ja hun meer dan honderdvoudig vergolden door hun zo buitengewone visvangst.
2. Hij vroeg nu om enigen van de vissen, die zij gevangen hadden, en zij brachten ze, vers 10, 11. Let hier op:
a. Het bevel, dat Christus hun gaf om hun visvangst aan land te brengen. "Brengt van de vissen, die gij nu gevangen hebt, en laat ons er van eten ". Niet, alsof Hij dit nodig had, en geen maaltijd voor hen kon bereiden, ook zonder dezen, maar: a. Hij wilde hen laten eten van den arbeid hunner handen, Psalm 128:2. Er is in hetgeen door Gods zegen op onze eigene vlijt en eerlijken arbeid verkregen is, ene bijzondere liefelijkheid, als God de macht geeft om er van te eten en er het goede van te genieten. Van een luiaard wordt gezegd, dat hij zijn jachtvang niet zal braden, hij kan er niet toe komen om te bereiden hetgeen hem moeite gekost heeft om het te verkrijgen Spreuken 12:27 2). Maar Christus wil ons hiermede leren, dat wij moeten gebruiken, wat wij hebben. b. Hij wilde hen de gaven Zijner wonderdadige milddadigheid doen smaken, opdat zij beide van Zijne macht en Zijne goedheid zouden kunnen getuigen. De weldaden, die Christus ons schenkt moeten niet begraven, of opgelegd worden.
c. Hij wilde hun ene proeve geven van het geestelijk onthaal, dat Hij heeft voor alle gelovigen, hetwelk, in dit opzicht zeer vrij en gemeenzaam is-dat Hij avondmaal met hen houdt, en zij met Hem, hun genadegaven zijn Hem aangenaam, en wat Hem liefelijk is, is dit ook voor hen, wat Hij in hen werkt, neemt Hij van hen aan. d. Evangeliedienaars, die vissers zijn van mensen, moeten al wat zij vangen tot hun Meester brengen, want van Hem hangt hun voorspoed af.
b. Hun gehoorzamen aan dit bevel, vers 11. In vers 6 wordt gezegd: zij konden het net niet meer trekken vanwege de menigte der vissen, dat is: zij vonden het moeilijk, het was schier meer dan zij doen konden, maar Hij, die hun gebood het naar den oever te brengen, maakte het gemakkelijk voor hen. Zo kunnen ook de vissers van mensen, als zij zielen in het Evangelienet hebben gevangen, ze niet naar den oever brengen, zij kunnen het goede werk, dat begonnen is, niet voortzetten en ten einde brengen zonder den voortdurenden invloed der Goddelijke genade. Indien Hij, die ons hielp om ze te vangen- terwijl wij zonder Zijne hulp niets zouden gevangen hebben-ons niet helpt om ze te houden en ze aan land te brengen, door hen op te bouwen in hun allerheiligst geloof, dan zullen wij ze ten slotte verliezen, 1 Corinthiërs 3:7. Merk op: a. Wie het bedrijvigste was om deze vissen aan land te brengen. Het was Petrus, die, gelijk hij de ijverigste, vurigste genegenheid had betoond voor den Persoon zijns Meesters, vers 7, nu ook de gereedste gehoorzaamheid bewijst aan het gebod zijns Meesters, maar allen, die getrouw zijn, zijn niet even voortvarend. b. Het aantal der vissen, die gevangen waren. Zij hadden de nieuwsgierigheid van ze te tellen, dit was misschien wel om ze te verdelen, er waren honderd drie en vijftig, en het waren allen grote vissen. Er waren dus veel meer dan zij op het ogenblik voor hun eigene behoefte nodig hadden, maar zij konden ze verkopen, en het geld kon dienen om de onkosten te bestrijden voor hun terugreis naar Jeruzalem, waar zij eerlang zullen wederkeren.
c. Nog een voorbeeld van Christus' zorge voor hen, om zo wel het wonder als Zijne genade nog groter te maken, want: hoewel er zo velen waren - en dat nog wel grote vissen-zo scheurde het net niet, zodat zij gene vissen verloren, en gene beschadiging aan hun net hadden. In Lukas 5:6 wordt gezegd, dat hun net scheurde. Zij hadden nu wellicht een geleend net, want zij hadden reeds sedert lang hun eigene netten verlaten, en, indien dit zo is, dan wil Christus ons hiermede leren zorg te dragen voor hetgeen wij van anderen geleend hebben, alsof het van ons zelven was. Het was goed, dat hun net nu niet scheurde, want zij hadden thans niet zo veel tijd als vroeger om hun netten te repareren. Het Evangelienet heeft grote menigten besloten, drie duizend op een dag, en toch is het niet gescheurd, het is nog even sterk als ooit te voren om zielen tot God te brengen.
3. Hij nodigde hen tot het middagmaal. Bemerkende, dat zij zich op een afstand hielden, en dat zij Hem niet durfden vragen: Wie zijt Gij? wetende, dat het de Heere was, riep Hij hen gemeenzaam tot zich: Komt, herwaarts, houdt het middagmaal.
a. Zie hier, hoe vrij Christus was met Zijne discipelen. Hij behandelde hen als vrienden. Hij zei niet: Komt en bedient Mij, maar "Komt, houdt het middagmaal". Niet: Gaat heen, en houdt het middagmaal onder elkaar, zoals dit aan bedienden gezegd wordt, maar Komt, houdt het middagmaal met Mij. Op deze vriendelijke uitnodiging kan gezinspeeld worden om: a. Door een voorbeeld aan te tonen, hoe Christus Zijne discipelen hier roept tot gemeenschap met Hem in genade. Alle dingen zijn nu gereed, komt en houdt het middagmaal. Christus is een feestmaal, komt, spijzigt u met Hem, Zijn vlees is waarlijk spijs, Zijn bloed is waarlijk drank. Christus is een vriend, komt, houdt het middagmaal met Hem, Hij zal u welkom heten, Hooglied 5:1. b. Hoe Hij hen zal roepen tot de genieting van Hem in de heerlijkheid hiernamaals. "Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, komt en zit aan met Abraham, en Izaak, en Jakob". Christus heeft genoeg om al Zijne vrienden en volgelingen het middagmaal te doen houden, er is plaats en voorraad genoeg voor allen.
b. Zie hoe eerbiedig de discipelen zich voor Christus houden. Zij waren ietwat schuw en verlegen om van de vrijheid gebruik te maken, waartoe Hij hen uitnodigde door hen tot eten aan te moedigen, zij schenen een ogenblik bedeesd stil te staan. Daar zij zullen aanzitten om te eten met een heerser - en zulk een Heerser! -hebben zij scherpelijk gelet op degene, die voor hun aangezicht was. Niemand hunner durfde Hem vragen: Wie zijt Gij? Hetzij: a. Omdat zij niet zo vrijmoedig met Hem wilden wezen. Hoewel Hij hun nu in het eerst enigszins bedektelijk was verschenen, zoals aan de twee discipelen, toen hun ogen gehouden werden, dat zij Hem niet kenden, hadden zij toch reden genoeg om te geloven, dat Hij het was, en niemand anders. Of: b. Omdat zij hunne eigene dwaasheid niet wilden blootleggen. Nu Hij hun dit blijk had gegeven van Zijne macht en goedheid, moesten zij wel zeer stompzinnig wezen om nog te twijfelen, of Hij het wel was. Als God in Zijne voorzienigheid ons merkbare bewijzen heeft gegeven van Zijne zorge voor ons lichaam, en ons in Zijne genade duidelijke, onmiskenbare blijken heeft gegeven van Zijn welbehagen in onze ziel, dan moeten wij ons schamen wegens ons wantrouwen, en niet in twijfel durven trekken hetgeen Hij zo ontwijfelbaar gemaakt heeft. Ongegronde twijfel moet verstikt, maar niet geopperd worden. 4. Als Gastheer heeft de Heere Jezus hun de spijzen aangeboden of toegediend, vers 13. Bemerkende, dat zij nog schuw en beschroomd waren, komt Hij, en neemt het brood, en geeft het hun, en de vis desgelijks. Ongetwijfeld heeft Hij om een zegen gevraagd over de spijze, en daarna ene dankzegging uitgesproken, zoals in Lukas 24:30, daar dit echter altijd Zijne gewoonte was, was het niet nodig het te vermelden.
a. Het onthaal was zeer eenvoudig, het was slechts een vismaaltijd, ruw opgediend en ruw bereid, er was gene statigheid, gene zeldzame spijzen. Wèl was er genoeg, maar het was gans eenvoudig. Honger is de beste specerij. Hoewel Christus nu ingegaan was tot Zijn verhoogden staat, toonde Hij zich levend te zijn door te eten, maar toonde zich niet een vorst te zijn door een feestmaal aan te richten. Zij, die zich niet kunnen vergenoegen met brood en vis, tenzij er saus en wijn bij is, zouden er nauwelijks toe te bewegen zijn om hier met Christus zelf het middagmaal te houden.
b. Christus zelf begon. Hoewel Hij, een verheerlijkt lichaam hebbende, wellicht niet nodig had te eten. wilde Hij toch tonen, dat Hij een waar, wezenlijk lichaam had, dat tot eten in staat was. De apostelen wezen hierop als een bewijs van Zijne opstanding, dat zij met Hem gegeten en gedronken hebben, Handelingen 10:41.
c. Hij gaf de spijzen aan al Zijne gasten. Hij heeft ze niet slechts voor hen voorzien en er hen toe genodigd, maar ze zelf onder hen verdeeld, ze hun in handen gegeven. Zo zijn wij Hem de toepassing zowel als het verkrijgen van de weldaden der verlossing verschuldigd. Hij geeft ons de macht om er van te eten. De evangelist laat hen aan het middagmaal en doet deze opmerking, vers 1 4: Dit was nu de derde maal, dat Jezus Zijnen discipelen of aan het merendeel van hen- geopenbaard is, nadat Hij van de doden opgewekt was. Sommigen lezen het: "Dit is de derde dag." Op den dag, toen Hij verrees, heeft Hij zich vijf maal geopenbaard, de tweede dag was ene week daarna, en dit was de derde dag. Of wel, dit was de derde verschijning aan een aanzienlijk getal Zijner discipelen bij elkaar. Hij was verschenen aan Maria Magdalena, aan de vrouwen, aan twee van de discipelen en aan Cefas, maar slechts twee malen te voren was Hij aan een gans gezelschap van hen tegelijk verschenen. Hier wordt nota van genomen: a. Ter bevestiging van de waarheid Zijner opstanding, het gezicht werd twee maal, drie maal herhaald, want de zaak was gewis. Zij, die het eerste teken niet geloofden, zullen er toe gebracht worden om de stem van het laatste teken te geloven. b. Als een voorbeeld van Christus' blijvende vriendelijkheid voor Zijne discipelen, eenmaal, en nogmaals, en voor de derde maal heeft Hij hen bezocht. Het is goed om rekening te houden van Christus' genaderijke bezoekingen, want Hij houdt er rekening van, en zij zullen tegen ons herdacht worden, indien wij onwaardiglijk derzelven wandelen, zoals zij tegen Salomo waren, toen hij er aan herinnerd werd, dat de Heere God van Israël hem twee maal verschenen was.
Dit is nu de derde maal, hebben wij van de eerste en de tweede maal een recht gebruik gemaakt? Zie 2 Corinthiërs 12:14. Dit is de derde maal, het kan misschien de laatste maal zijn.