Handelingen 8:14-25
God had het werk van Filippus als evangelist van Samaria wonderbaarlijk gezegend, maar hij kon niet meer doen dan een evangelist, er waren bijzondere gaven en krachten bewaard voor de apostelen, om de waardigheid van hun ambt op te houden, en hier hebben wij een bericht van hetgeen twee hunner Petrus en Johannes, gedaan hebben. De twaalven bleven bij elkaar te Jeruzalem, vers 1, en dáár werd de goede tijding tot hen gebracht, dat Samaria het woord Gods aangenomen had, vers 14, dat een grote oogst van zielen ingezameld werd voor Christus. Het woord Gods was hun niet slechts gepredikt, het was ook door hen aangenomen, zij hebben het welkom geheten, erkenden er het licht van, en onderwierpen zich aan deszelfs kracht. Als zij dit hoorden, zonden zij tot hen Petrus en Johannes. Indien Petrus de vorst der apostelen was geweest, zoals door sommigen beweerd wordt, dan zou hij sommigen van hen gezonden hebben, of indien hij er reden voor gevonden had, zou hij zelf uit eigene beweging gegaan zijn, maar dit was zo weinig het geval, dat hij zich onderwierp aan een bevel, of order, van de vergadering, en, als dienaar van het corps ging hij, waar zij hem heenzonden. Twee apostelen werden naar Samaria gezonden, de twee uitnemendsten!
1. Om Filippus aan te moedigen, hem hulp te verlenen, zijne handen te sterken. Leraren van hogere positie, die uitmunten in gaven en in genade, moeten trachten hen, die in ene lagere sfeer geplaatst zijn, te helpen in hun arbeid, opdat zij er goedsmoeds in kunnen voortgaan.
2. Om het goede werk, dat onder het volk begonnen was, voort te zetten, en om, door de hemelse genade, waarmee zij verrijkt waren, hun geestelijke gaven mede te delen. Merk nu op:
I. Hoe zij diegenen onder hen, die oprecht waren, deden toenemen in kennis en genade. In vers 16 wordt gezegd: De Heilige Geest was nog op niemand van hen gevallen, in die buitengewone gaven en krachten, welke meegedeeld werden door de uitstorting des Geestes op den Pinksterdag. Niemand hunner had de gave der talen, hetgeen toen de meest gewone onmiddellijke uitwerking was van de uitstorting des Geestes. Zie Hoofdstuk 10:45, 46. Dit was zowel een groot teken voor hen, die niet geloofden, als een uitnemende dienst voor hen, die wèl geloofden. Deze, en nog andere zodanige gaven, hadden zij niet, zij waren alleenlijk gedoopt in den naam des Heeren Jezus en dus aan Hem verbonden, en deel hebbende aan Hem, hetgeen nodig was tot zaligheid, en daarin hadden zij blijdschap, vers 8, al konden zij dan ook niet in vreemde talen spreken. Zij, die zich in waarheid aan Christus hebben gegeven, en de heiligende invloeden en werkingen ervaren hebben van den Geest der genade, hebben grote reden tot dankbaarheid, en gene reden tot klagen, al hebben zij dan ook de gaven niet, die tot sieraad zijn en hun glans en luister zouden verlenen. Maar de bedoeling is, dat zij voort zullen varen tot de volkomenheid der tegenwoordige bedeling, ter meerdere ere van het Evangelie. Wij hebben reden te geloven, dat Filippus zelf deze gaven des Heiligen Geestes had ontvangen, maar hij had het vermogen niet ze mede te delen, de apostelen moesten komen om dat te doen, en zij hebben dat niet gedaan voor allen, die gedoopt waren, maar voor sommigen van hen, de zodanige, naar het schijnt, die bestemd waren voor een ambt in de gemeente, of ten minste, om er zeer uitnemende en werkzame leden van te zijn. Aan sommigen werd de ene gave des Heiligen Geestes gegeven, en aan anderen, ene andere gave. Zie 1 Corinthiërs 12:4, 8, 14:26. Daarom:
1. Hebben de apostelen voor hen gebeden, vers 15. Niet alleen aan ons zelven, maar ook aan anderen, wordt de Geest gegeven op het gebed, Lukas 11:13. Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u, Ezechiël 36:27, maar hierom zal Ik verzocht worden, vers 37. Dit voorbeeld kan ons bemoedigen in ons gebed tot God om de vernieuwende genade des Heiligen Geestes te schenken aan hen, om wier geestelijk welzijn wij bezorgd zijn, aan onze kinderen, aan onze vrienden, aan onze leraren, wij moeten bidden, vuriglijk bidden, dat zij den Heiligen Geest mogen ontvangen, want daarin zijn alle zegeningen opgesloten.
2. Zij legden de handen op hen, om te kennen te geven, dat hun gebeden waren verhoord, en dat de gave des Heiligen Geestes hun gegeven was, want nadat dit teken gebruikt was, ontvingen zij den Heiligen Geest, en spraken zij met vreemde talen. De oplegging der handen werd oudtijds gebruikt om te zegenen door hen, die zegenden met gezag. Aldus zegenden de apostelen deze nieuw bekeerden, ordenden sommigen tot leraren, en bevestigden anderen in hun Christendom. Thans kunnen wij dit niet, niemand onzer kan door de oplegging der handen den Heiligen Geest geven, maar het kan een wenk voor ons zijn, dat wij ons voor hen, voor wie wij bidden, ook moeite hebben te geven.
II. Hoe zij hem, die een geveinsde onder hen was, ontdekten en uitbanden, dat was Simon de tovenaar, want zij wisten het kostelijke van het snode uit te trekken. Merk hier nu op:
1. Het goddeloze voorstel van Simon, waardoor zijne geveinsdheid ontdekt werd, vers 18, 19. Toen hij zag, dat door de oplegging van de handen der apostelen de Heilige Geest gegeven werd, (hetgeen zijn geloof in de leer van Christus had moeten bevestigen, en zijn eerbied voor de apostelen doen toenemen,) gaf dit hem een denkbeeld, dat het Christendom slechts ene verheven soort van toverij was, waarin hij zich in staat achtte, de apostelen te kunnen evenaren, en daarom bood hij hun geld aan, zeggende, geeft ook mij deze macht. Hij vraagt hun niet hem de handen op te leggen, opdat hij ook zelf den Heiligen Geest mocht ontvangen, (want hij dacht niet, dat hierdoor iets verkregen zou kunnen worden, maar dat zij hem het vermogen zouden geven, om de gave aan anderen te verlenen. Hij streefde naar de eer van een apostel, maar hij was volstrekt niet begerig om den geest en de gezindheid eens Christens te hebben. Hij haakte meer naar eer voor zich zelven, dan hij begeerde goed te doen aan anderen. Door nu dit voorstel te doen heeft hij den apostelen ene grote belediging aangedaan, alsof zij veile, inhalige lieden waren, die alles zouden doen voor geld, en het geld even lief hadden, als hij, terwijl zij, wat zij hadden, voor Christus hadden verlaten, zoverre was het van hen, dat zij begerig waren hun bezittingen te vermeerderen. Hij heeft hiermede ook het Christendom grotelijks beledigd, alsof de wonderen, die ten bewijze er van gedaan werden, door toverkunsten gedaan werden, die slechts van een anderen aard waren dan die hij te voren zelf had beoefend. Hij toonde hiermede, dat hij, gelijk Bileam, naar het loon der waarzeggingen haakte, want hij zou voor deze macht geen geld geboden hebben, indien hij niet had gehoopt er geld door te zullen verkrijgen. Hij heeft ook doen blijken, dat hij een hogen dunk had van zich zelven, en dat zijn hart nooit waarlijk verootmoedigd is geweest. Zulk een nietswaardige als hij voor zijn doop geweest is, had, met den verloren zoon, moeten vragen als een van de huurlingen gemaakt te worden. Maar niet zodra is hij in het gezin opgenomen, of hij is met geen mindere plaats tevreden dan met die van een der huisbezorgers, en dat hem ene macht toevertrouwd moet worden, die Filippus zelf niet had, maar die slechts de apostelen bezaten.
2. De rechtvaardige verwerping van zijn voorstel, en de scherpe bestraffing, die hij er van Petrus om ontving, vers 20-23. A. Petrus toont hem zijne misdaad, vers 20, Gij hebt gemeend, dat de gave Gods door geld verkregen wordt, en dus heeft hij den rijkdom dezer wereld overschat, alsof die evenwaardig was met alles, en alsof, omdat, gelijk Salomo zegt, het geld alles verantwoordt, alles, dat betrekking heeft op dit tegenwoordige leven, het ook alles zou verantwoorden dat betrekking heeft op het toekomende leven, ons de vergeving der zonden, de gave des Heiligen Geestes en het eeuwige leven kon kopen. De gave des Heiligen Geestes had hij echter onderschat, haar gelijk gesteld met de gewone gaven der natuur en der voorzienigheid. Hij dacht, dat de macht van een apostel even goed voor een flinke geldelijke beloning te krijgen was, als de raad van een geneesheer of van een rechtsgeleerde, dat wel de grootste smaadheid was, die den Geest der genade aangedaan kon worden. Al het kopen en verkopen van vergeving en aflaten in de kerk van Rome is het voortbrengsel van diezelfde goddeloze mening. dat de gave Gods door geld verkregen kan worden, terwijl de aanbieding der Goddelijke genade zo uitdrukkelijk gedaan wordt zonder geld en zonder prijs.
B. Hij toont hem zijn aard, die blijkt uit zijne misdaad. Niet uit alles wat iemand verkeerd zegt of doet kunnen wij afleiden, dat hij geveinsd is in zijne belijdenis van den Godsdienst, maar de verkeerdheid van Simon bestond in zulk ene fundamentele dwaling, dat zij niet bestaanbaar was met een staat van genade. Zijn geld bieden (en dit geld was ook door toverij verkregen) was een onweerlegbaar bewijs, dat hij nog onder de macht was van een wereldsgezinden, vleselijken geest, en nog de natuurlijke mens was, die de dingen des Geestes Gods niet begrijpt, en ze niet kan verstaan. En daarom zegt Petrus hen onomwonden:
A. dat zijn hart niet recht is voor God, vers 21. "Ofschoon gij belijdt te geloven, en gedoopt zijt, zijt gij toch niet oprecht,'. Wij zijn zoals ons hart is, indien ons hart niet recht is, dan zijn wij verkeerd, en het ligt open voor Gods oog, hij kent het, en oordeelt er ons naar. Ons hart is wat het is in de ogen van God, die niet bedrogen kan worden, en als het niet recht is in Zijne ogen, dan is onze Godsdienst, wàt wij ook mogen zeggen of voorgeven, ijdel, en zal ons nergens toe dienen. Onze grote zorge is ons Hem aan te bevelen in onze oprechtheid, want anders bedriegen wij ons zelven tot ons eigen verderf. Sommigen verwijzen dit inzonderheid naar het voorstel, dat hij deed: wat hij vraagt wordt hem geweigerd, omdat zijn hart in dit vragen niet recht is voor God, Hij heeft er de heerlijkheid Gods of de ere van Christus niet mede op het oog, maar zijn eigene eer en voordeel, hij bidt, en ontvangt niet, omdat hij kwalijk bidt, en het in zijne wellusten zou doorbrengen, en nog voor wat groots gehouden wil worden.
B. Dat hij in ene gans bittere gal en samenknoping der ongerechtigheid is, ik zie, dat gij dit zijt, vers 23. Dat is duidelijk spreken, en duidelijk spreken is het beste, als wij met zielen handelen en met de eeuwigheid. Simon had zich een groten naam verworven onder het volk, en in den laatsten tijd ook een goeden naam onder Gods volk, en toch stelt Petrus hem voor als een slecht mens. Het is mogelijk dat iemand onder de macht der zonde blijft, en toch de gedaante der Godzaligheid aanneemt.
Ik zie het, zegt Petrus. Het was niet zo zeer door den geest der onderscheiding, waarmee Petrus begaafd was, dat hij dit zag, als wel door dat Simon zelf het ontdekte in het voorstel, dat hij deed. Het masker, waar achter geveinsden zich verbergen, wordt dikwijls afgerukt, de aard van den wolf toont zich niettegenstaande de schaapsklederen, waarin hij gehuld is. Het karakter, zoals dit hier van Simon beschreven wordt, is in werkelijkheid het karakter van alle goddeloze mensen. Ten eerste. Zij zijn in ene gans bittere gal, hatelijk voor God, weerzinwekkend, zoals hetgeen bitter is, weerzinwekkend is voor ons. Zonde is iets afgrijselijks, dat God haat, en de zondaren worden er hem verfoeilijk door, zij zijn boos in hun eigene natuur, inwonende zonde is een wortel, die gal en alsem draagt, Deuteronomium 29:18. De vermogens zijn verdorven, en het hart verbitterd tegen alle goed. Het duidt ook de verderfelijke gevolgen aan der zonde, het einde, het laatste van haar is bitter als alsem. Ten tweede. Zij zijn in ene samenknoping der ongerechtigheid, overgeleverd aan de gerechtigheid Gods door de schuld der zonde, en gebonden onder de heerschappij van Satan door de macht der zonde, door hem gevangen geleid naar zijn wil, en dat is ene harde dienstbaarheid, zoals die van Egypte, het leven bitter makende.
C. Hij spreekt zijn vonnis uit in tweeërlei opzicht:
A. Hij zal met zijn wereldlijken rijkdom, dien hij overschat, vergaan. Uw geld zij met u ten verderve. Ten eerste. Hiermede verwerpt Petrus zijn aanbod met de uiterste verachting en verontwaardiging. "Denkt gij ons om te kunnen kopen om ontrouw te worden aan onze roeping, dat wij de macht, die ons toevertrouwd is, in zo onwaardige handen zullen leggen? Weg met u en met uw geld, met geen van beiden willen wij iets van doen hebben. Ga achter mij, Satan". Als wij door geld in verzoeking worden gebracht om iets kwaads te doen, dan moeten wij zien, hoe vergankelijk het geld is, en het verachten om er ons door te laten voorinnemen. Het is de aard van den oprechte, dat hij "zijne handen uitschudt, dat zij gene geschenken behouden, Jesaja 33:15. Ten tweede. Hij waarschuwt hem voor het gevaar van een algeheel verderf, als hij in die gezindheid blijft: "Het geld zal vergaan, en gij zult het verliezen met alles wat gij er voor kopen kunt. De spijzen zijn voor den buik, en de buik is voor de spijzen, 1 Corinthiërs 6:13, en zo zijn de koopwaren voor het geld, en het geld is voor de koopwaren, maar God zal beiden dezen en die te niet doen, zij vergaan in het gebruik. Maar dat is er nog het ergste niet van, gij zelf zult er ten verderve mede gaan, en het geld met u, en het zal ene verzwaring zijn van uw verderf, en een zware last op uwe ziel, die verloren gaat, dat gij geld gehad hebt, waarmee gij goede winst had kunnen doen, Lukas 16:9, dat aan de voeten der apostelen gelegd had kunnen worden in liefdadigheid, en als zodanig aangenomen zou zijn, maar nu hun als steekpenningen in de handen werd gestopt, en dus verworpen werd. Kind gedenk dit!
B. Hij zal de geestelijke zegeningen niet verwerven, die hij onderschat heeft, vers 21.
"Gij hebt geen deel of lot in dit woord. Gij hebt niets van doen met de gaven des Heiligen Geestes, gij begrijpt ze niet, gij zijt er van buitengesloten, gij hebt een grendel geschoven op uwe eigene deur, gij kunt zelf den Heiligen Geest niet ontvangen, en gene macht om den Heiligen Geest aan anderen mede te delen, want uw hart is niet recht voor God, indien gij denkt, dat het Christendom een handel, een beroep is, om van te leven in deze wereld, en daarom hebt gij geen deel of lot in het eeuwige leven in de andere wereld, dat door het Evangelie wordt aangeboden". Er zijn velen, die den Christelijken Godsdienst belijden, en toch geen deel of lot aan de zaak hebben, geen deel aan Christus, Johannes 13:8. geen deel of lot in het hemelse Kanaän. Dat zijn dezulken, wier hart niet recht is voor God, die niet bezield zijn door den rechten geest, noch geleid worden door den rechten regel, noch zich richten naar het rechte doel.
D. Hij geeft hem desniettemin goeden raad, vers 22. Hoewel hij in toorn tegen hen was ontstoken, heeft hij hem toch niet verlaten, en hoewel hij wenste, dat hij zou inzien hoe slecht het met hem stond, wilde hij hem toch niet doen wanhopen, daar is hoop voor Israël. Merk op: Wat hij hem aanraadt te doen, hij moet zijne eerste werken doen. Ten eerste. Hij moet zich bekeren, hij moet zijne dwaling inzien en haar herroepen, hij moet zijn zin en zijn weg veranderen, hij moet zich verootmoedigen en zich schamen voor hetgeen hij gedaan heeft. Hij moet zich hiervan, van deze zaak, bekeren.
"Bekeer u dan van deze uwe boosheid, erken u er schuldig aan, en heb er berouw van". Hij moet het zich zelven ten laste leggen, zijne zonde niet vergoelijken of verkleinen door haar ene vergissing te noemen, of verkeerd geleiden ijver, neen, hij moet haar verzwaren. door haar goddeloosheid te noemen, zijne goddeloosheid als de vrucht van zijn eigen bederf. Zij, die verkeerd gesproken, of verkeerd gedaan hebben, zullen, voor zoveel zij dit kunnen, het verkeerd gesprokene herroepen, en het verkeerd gedane ongedaan maken door hun berouw. Ten tweede. Hij moet God bidden, Hem bidden dat Hij hem bekering zal geven, en op die bekering hem vergeving zal schenken. Berouwhebbenden moeten bidden, hetgeen ene begeerte naar God in zich sluit, en een betrouwen op Christus. Hoe groot een man Simon de tovenaar zich ook acht te zijn, hij zal in de gemeenschap der apostelen, (hoe sommigen ook mogen denken, dat het voor hen ene ere is hem in hun midden te hebben) op gene andere voorwaarden worden toegelaten, dan die, waarop andere zondaren worden toegelaten, namelijk bekering en gebed. Hoe hij hem hiertoe aanmoedigt: of misschien u deze overlegging uws harten vergeven werd. Er kan zeer veel slechtheid zijn in de overlegging van het hart, valse denkbeelden, verdorvene neigingen, boze voornemens, waarvan wij ons moeten bekeren, of het is met ons gedaan. De overlegging van het hart, hoe boos ook, zal, als wij er ons van bekeren, vergeven worden, en niet voor onze rekening komen. Als Petrus hier een misschien aan verbindt, dan geldt de twijfel de oprechtheid zijner bekering, niet de vergeving, indien zijne bekering oprecht is. Of het duidt aan, dat de grootheid van zijne zonde de vergeving twijfelachtig maakt, hoewel de belofte van het Evangelie de zaak buiten allen twijfel stelt, indien hij zich waarlijk bekeert, zoals in Klaagliederen 3:29 :Misschien is er dan verwachting. Simons verzoek aan hen, om voor hem te bidden, vers 24. Hij was verschrikt en beschaamd door hetgeen Petrus gezegd had, bevindende datgene aldus zo zeer ten kwade geduid, hetwelk hij dacht met beide handen aangegrepen te zien. Bidt gijlieden voor mij tot den Heere, roept hij, opdat niets over mij kome van hetgeen gij gezegd hebt. Hier was, ten eerste: Iets goeds, hij was getroffen door de bestraffing, die hem was gegeven, en verschrikt door de aanduiding van zijn karakter, en het was ook genoeg om het stoutmoedigste hart te doen beven. Dit zo zijnde, verzoekt hij om het gebed der apostelen voor hem, daar hij wel dacht. dat hun gebed overmogend zou zijn in den hemel. Ten tweede. Iets dat ontbreekt. Hij verzocht hun voor hem te bidden, maar zelf bad hij niet, gelijk hij had moeten doen, en in zijne begeerte, dat zij voor hem zullen bidden, is het er meer om te doen, dat het oordeel over hem afgewend zal worden, dan dat zijn bederf gedood zal worden, en dat door Gods genade zijn hart recht gemaakt zal worden voor God, zoals Farao, die wilde, dat Mozes den Heere vuriglijk zou bidden, dat Hij dezen dood van hem zou wegnemen, niet, dat Hij zijne zonde, zijne hardheid van hart zou wegnemen, Exodus 8:8 :10:17. Sommigen denken, dat Petrus het een of ander bijzonder oordeel over hem had aangekondigd, zoals over Ananias en Saffira, dat, na zijne onderwerping op des apostels voorbede was afgewend, of dat hij uit hetgeen verhaald werd kon afleiden, dat een teken van Gods toorn hem zou treffen, hetwelk hij aldus vreesde en heeft afgebeden.
Eindelijk. Wij hebben hier den terugkeer der apostelen te Jeruzalem, nadat zij de zaken hadden afgedaan, waarvoor zij gekomen waren, want vooralsnog moesten zij niet uiteengaan. Maar ofschoon zij hier waren gekomen, om het werk te doen, dat hun eigen was als apostelen, hebben zij zich toch ook, als de gelegenheid er zich toe aanbood, toegelegd op hetgeen aan alle dienaren van het Evangelie gemeen is.
1. In de stad Samaria waren zij predikers, zij hebben het woord des Heeren betuigd, plechtig getuigd van de waarheid van het Evangelie, en bevestigd wat de andere leraren hadden gepredikt. Zij gaven niet voor hun iets nieuws te brengen, al waren zij ook apostelen, maar legden hun getuigenis af van het woord des Heeren, zoals zij het hadden ontvangen.
2. Op hun terugweg waren zij reizende predikers, daar zij vele vlekken der Samaritanen doorgingen, verkondigden zij er het Evangelie. Hoewel de vergaderingen daar niet zo aanzienlijk waren als in de steden, noch wat hun getal betrof, noch wat het aanzien betrof der personen, die ze bijwoonden, waren hun zielen toch even kostelijk, en de apostelen achtten het niet beneden zich hun het Evangelie te prediken. God geeft acht op de bewoners van Zijne dorpen in Israël, Richteren 5:11, en dat behoren ook wij te doen.