1. En hij toonde mij (vgl.
Ezechiel 47:1) een zuivere rivier, vrij van alle inmenging, een stroom van het water des levens (
Hoofdstuk 21:27), duidelijk als kristal, voortkomend uit de troon van God en van het Lam, van de troon, die God en het Lam toebehoort (
Hoofdstuk 5:13;
7:15) en de plaats van de tempel inneemt (
Hoofdstuk 21:22 Ezechiel 47:11).
Het water betekent het heil, de zaligheid. De grote volheid van het leven, zoals dit overeenkomt met de heerlijkheid van de Kerk, wordt daardoor afgebeeld, dat het zich uitstort als een stroom. Daardoor dat de stroom uitgaat van de troon van God en van het Lam, wordt God in Christus als de Bewerker van het leven en de zaligheid voorgesteld en nu is Christus daarom "het Lam" genoemd, omdat Hij ook deze kroon van Zijn gaven door Zijn lijden en sterven ons heeft verworven.
"Zuiver" is deze stroom, omdat die zonder enige bijmenging alleen kracht en leven bevat en "duidelijk als kristal", omdat hij zonder enige verdrukking vrede en vreugde inhoudt.
Het water des levens is zulk water, waarmee de mens het leven indrinkt. Met ons tegenwoordige water staat het in verhouding als de nieuwe wereld tot de oude; zijn levenwekkende kracht is voor het leven van de nieuwe mens, wat het tegenwoordige water voor de oude mens is.
Reeds hier op aarde drinken de begenadigden de "wateren des levens; " zij zijn uit de dood overgebracht in het leven; zij staan in de nauwste en zaligste betrekking tot de Redder van hun zielen; als nieuwgeborenen voelen zij zich vrij van de heerschappij van de zonde en van de dood; zij zijn in God en God is in hen; hun deel is gerechtigheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest. En toch die vreugde is niet onvermengd. Hier is het een engel van de satan, die hen met vuisten slaat; daar haat hen de wereld; ginds hebben zij droefheid; elders drukt hen het lijden van deze tegenwoordige tijd. Daarom hebben zij aanhoudend behoefte aan de Trooster, de Heilige Geest, opdat het gans zeer uitnemend, eeuwig gewicht van heerlijkheid in hen gewerkt wordt. Het uitzicht daarop ondersteunt hen op de pelgrimsreis door dit leven van de uitwoning van de Heere. Zij wandelen in geloof, opdat dit eenmaal aanschouwen wordt. Zij zijn kinderen van God, en ofschoon het nog niet geopenbaard zij wat zij wezen zullen, dit weten zij, dat zij Hem zullen zien zoals Hij is. Aldus zetten zij door de kracht van het water des levens hun tocht voort naar het nieuw Jeruzalem. Hier is het hun vaak bang, maar daar zal in eeuwigheid niet meer dorsten die van het water des levens drinkt. In het aardse Eden was een rivier, die deze lusthof bevochtigde, waarin David een beeld zag van de stroom van het water van goddelijke liefde, zoals ook de profeten daarop doelen. Maar geen wateren van Gods genade op aarde kunnen enigszins worden vergeleken bij de volle stroom van het leven in het nieuw Jeruzalem. Vervuld is daar de belofte: "Ik zal de dorstigen geven uit de fontein van het water des levens om niet. " De rivier "komt voort uit de troon van God en van het Lam", zoals de Geest uitgaat van de Vader en de Zoon, want het Lam is in het midden van de troon. Zo is ook dit alles een heerlijke, alle verbeelding te boven gaande vervulling van die Godsspraak: "Ik zal water gieten op de dorstige en stromen op het droge. "
Wat rijke verkwikking, waaraan reeds meteen die eerste trek van de profetische schilderij ons doet denken! U herinnert u de schone beeldspraak van Ezechiël (Hoofdstuk 47), waaraan die van Johannes zich aansluit. Van onder de dorpel van het nieuwe heiligdom zag de Israëlitische Ziener een stroom van levend water te voorschijn spoeden, die al hoger en hoger groeide, totdat het eindelijk onmogelijk was hem met vaste voet te doorwaden. Maar merkt u wel op, wat voor Ezechiël zich nog op de oude aarde vertoonde, voor Johannes werd het op de nieuwe tot zalige werkelijkheid en niet slechts uit de troon van God, maar ook uit die van het Lam welt het kostbaar levensvocht op, want ook in het hemels Jeruzalem deelt God Zichzelf en Zijn gaven niet anders mee dan door en in gemeenschap met Christus. Levend water zou het waar wezen, dat men noodwendig Oosterling zijn moet, om al het aantrekkelijke van de bekende beeldspraak te voelen? Mij dunkt veeleer, men hoeft slechts Christen te zijn, om te beseffen wat rijke verkwikking reeds het zinnebeeld alleen van een frisse stroom van het levende water belooft. Want, is het niet zo, Christenen, al leerde ook onze ziel bij eigen ervaring de Psalm van de goede Herder herhalen, die anderen Psalmnoot, ik bedoel die van het hijgend hert, wij leren hem op aarde niet af en hoe meer het leven uit God in de ziel is gewekt en gevoed, te helderder leest ons oog op iedere aardse bron van verkwikking het diep teleurstellend woord: "bij mij is het niet" en weer: "een ieder, die van dit water drinkt, zal weer dorsten. " Het hoogste, dat het hart nodig heeft, is hier beneden in de regel het minst van allen te vinden en menige laafbron, waarbij zich hier beneden de dorstige reiziger neerzet, bereidt ons geen beter lot, dan de Israëliet in de woestijn bij de wateren van Mara verbeidde; zij zoeken lafenis, maar vinden slechts teleurstelling bij het ondrinkbaar bittere vocht. Ja, ook dan, wanneer wij gedronken hebben van het levend water, dat de Christus schenkt aan de Zijnen, verkwikt kan men zich hier op aarde voelen, maar nooit ten volle voldaan. Druppels verkoelen vaak onze brandende tong, maar stromen vlieten, door eigen schuld, ons ongenoten voorbij. Naar kennis smacht onze geest, maar telkens tasten wij als slaapwandelaars rond in een wereld van verwarrende dromen. Naar liefde dorst ons gemoed, maar van de liefde van God genieten wij slechts een vluchtige voorsmaak en liefde van mensen, waar treffen wij die geheel zuiver, standvastig, belangeloos aan? Naar geluk blijven wij onophoudelijk haken, maar het schaduwbeeld ontglipt onze handen, juist waar wij het schenen te grijpen en nu plaatst zich het leven en dan weer de dood tussen ons en het doel van onze wensen. Zeker, bij God is de fontein van het leven, maar het is slechts een enkele sprank, die langs onze lemen hutten wordt voortgeleid; het hunkerende hart is dankbaar, maar onvoldaan vraagt het eindeloos meer. Is dat meerdere nergens te vinden? Hoor, daar klatert voor Gods troon de kristallijne stroom, bij wiens wateren geen hemelburger zal zeggen: "mij dorst" en de akker, door de gloed van de verdrukking geblakerd, mag eindelijk volkomen verstaan, wat het woord verzadiging in heeft. De Godsrivier is daarboven vol water; de bron onuitputtelijk; de stroom onbeperkt; de toegang voor alle dorstigen opengesteld en de waterspiegel weerkaatst geen andere aangezichten, dan die van reine hemelvreugde blinken. Wat aardse lentelucht kan ooit zó verkwikkend als de hemelse aan die oeverzoom zijn?