Mattheus 19:23-30
Hier hebben wij Christus' gesprek met de discipelen naar aanleiding van dit heengaan van den rijken jongeling.
I. Christus toont hun hoe moeilijk het is voor rijken om zalig te worden, vers 23-26.
1. Dat het voor een rijke, een rijke zoals deze, zeer moeilijk is om in den hemel te komen. Het is goed om uit hetgeen zo schadelijk is voor anderen, voorzichtigheid te leren voor ons zelven. Christus zegt dit op de sterkst mogelijke wijze, vers 23, 24. Hij zei dit tot Zijne discipelen, die arm waren en slechts weinig in de wereld bezaten. Ten einde hen met dien toestand te verzoenen wijst Hij hen er op, dat, hoe minder werelds goed zij hadden, hoe minder belemmering er voor hen was op hun weg naar den hemel. Het behoort ene reden van blijdschap te zijn voor hen, die in een nederen staat en toestand verkeren, dat zij niet blootgesteld zijn aan de verzoekingen van een hogen staat en van grote welvaart. Zo zij al met meer moeite en kommer in deze wereld te worstelen hebben dan de rijken, maar daar tegenover gemakkelijker tot een betere wereld kunnen komen, dan hebben zij geen reden tot klagen. Dit woord wordt met nadruk bevestigd, vers 23, Voorwaar, Ik zeg u. Hij, die alle reden heeft om te weten wat de weg ten hemel is, daar Hij hem zelf geopend heeft, zegt ons dat dit een der grootste moeilijkheden is op dien weg. Het wordt herhaald in vers 24, Wederom zeg Ik u. Aldus zegt Hij eenmaal, ja tweemaal, hetgeen de mens zo ongaarne wil horen, en nog meer ongaarne wil geloven. Hij zegt, dat het voor een rijke moeilijk is een goed Christen te zijn en behouden te worden, het koninkrijk der hemelen in te gaan, hetzij hier of hiernamaals. De weg ten hemel is voor allen een enge weg, en de poort, die er ingang toe geeft, is nauw, maar wel zeer bijzonder voor rijken. Van hen worden meer plichten geëist dan van anderen, plichten, die zij nauwelijks kunnen volbrengen, en zij worden lichtelijk omringd door meer zonden, die zij nauwelijks kunnen vermijden. Rijken hebben grote, zeer aanlokkelijke verzoekingen te weerstaan, het is moeilijk om niet bekoord te zijn door een vriendelijk glimlachende en vleiende wereld. Rijke lieden hebben ook een grote verantwoordelijkheid, een grote rekenschap af te leggen van de wijze, waarop zij hun goederen, hun invloed, hun tijd en hun gelegenheid om goed te doen en goed voor zich zelven te ontvangen, gebruikt hebben. Er is wel heel veel genade toe nodig om over al deze moeilijkheden heen te komen. Hij zegt, dat de bekering en de behoudenis van een rijke zo bezwaarlijk is, dat het lichter is, dat een kameel ga door het oog van een naald, vers 24. Dit is een spreekwoordelijke uitdrukking, een moeilijkheid te kennen gevende, volstrekt onoverkomelijk door de kunst of de kracht van den mens. Niets minder dan de almachtige genade Gods zal een rijke in staat stellen om over deze moeilijkheid heen te komen. De behoudenis van ieder, wie het ook zij, is zo heel bezwaarlijk-nauwelijks wordt zelfs de rechtvaardige zalig, -dat, zo er nog een bijzondere moeilijkheid bijkomt, dit aldus zeer juist wordt voorgesteld. Het is zeer zeldzaam voor een rijke, dat hij zijn hart niet zet op zijn rijkdom, en het is volstrekt onmogelijk, dat iemand, die zijn hart op zijn rijkdom zet, naar den hemel gaat, want zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem, 1 Johannes 2:15, Jakobus 4:4. Ten eerste. De weg naar den hemel wordt zeer juist vergeleken bij het oog ener naald, dat moeilijk te treffen is, en waar men moeilijk door heen kan. Ten tweede. Een rijke wordt zeer gepast vergeleken bij een kameel, een lastdier, want hij heeft rijkdommen, zoals een kameel een last heeft, hij draagt hem, maar die last behoort niet hem toe, maar een ander, hij heeft hem van anderen ontvangen, hij gebruikt hem voor anderen, en moet hem binnenkort aan anderen overlaten, het is een last, want de mens laadt dit slijk op zich, Habakuk 2:6. Een kameel is een groot, maar een log dier. Deze waarheid wekt veel verwondering op, en wordt door de discipelen nauwelijks geloofd vers 25, Zijne discipelen nu, dit horende, werden zeer verslagen, zeggende: Wie kan dan zalig worden? De vele en velerlei moeilijkheden op den weg der zaligheid in aanmerking genomen, is het inderdaad bevreemdend, dat iemand zalig wordt. Als wij bedenken hoe goed God is, dan kan het ons wel als een wonder toeschijnen, dat zo weinigen Zijne zijn, maar als wij nagaan hoe slecht de mens is, dan is het nog groter wonder, dat zo velen Hem toebehoren, en in hen zal Christus eeuwiglijk bewonderd worden. Wie kan dan zalig worden? Daar zo velen rijk zijn en grote bezittingen hebben, en zo vele anderen rijk zouden willen zijn en grote bezittingen zeer genegen zijn: wie kan dan zalig worden? Indien rijkdom ene belemmering is voor rijken, zijn dan hoogmoed en weelde bij hen, die niet rijk zijn, voor dezen niet even gevaarlijk? En wie kan dan in den hemel komen? Dat is een goede reden voor de rijken, om als tegen den stroom op te roeien.
2. Hoewel het zeer moeilijk is voor de rijken om zalig te worden, is het toch niet onmogelijk, vers 26. Jezus hen aanziende. Hij keerde zich tot hen en zag hen ernstig aan, als om hen beschaamd te maken over hun waan, alsof de rijken in geestelijk opzicht voordelen hadden boven anderen. Hij zag hen aan als mensen, die over deze moeilijkheid heen waren gekomen, en goed op weg waren naar den hemel, en Hij zei tot hen: Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk. Dit is een grote waarheid in het algemeen, dat God machtig is te doen wat alle geschapen kracht of macht te boven gaat, en dat voor God niets te wonderlijk is, Genesis 18:14, Numeri 11:23. Als de mensen ten einde raad zijn, is God dit niet, want Zijne macht is oneindig en onweerstaanbaar, maar deze waarheid wordt hier toegepast:
a. Op de zaligheid van wie ook. Wie kan dan zalig worden? vragen de discipelen. Niemand, zegt Christus, door enigerlei geschapen macht.
Bij de mensen is dat onmogelijk. De wijsheid van den mens zou spoedig tekortschieten voor het beramen, en de macht des mensen voor het ten uitvoer brengen van hetgeen beraamd is, om ene ziel zalig te maken. Geen geschapen wezen kan de verandering teweegbrengen, die nodig is voor de behoudenis van ene ziel, hetzij in zichzelf of in iemand anders. Voor de mensen is het onmogelijk om zo sterk een stroom te keren, zo hard een hart te vertederen, zo hardnekkig een wil te buigen. Het is ene schepping, het is ene wederopstanding, en voor de mensen is dat onmogelijk. Het kan nooit tot stand worden gebracht door filosofie, geneeskunde of staatkunde, maar bij God zijn alle dingen mogelijk. Het begin, de voortgang en de voleinding van het werk der zaligheid hangen geheel en volstrekt af van de almachtige kracht Gods, waarvoor alle dingen mogelijk zijn. Door die kracht wordt het geloof gewerkt, Efeze 1:19, en wordt het ook bewaard, 1 Petrus 1:5. Jobs ervaring van Gods overtuigende, verootmoedigende genade, heeft hem meer dan enige andere zaak tot de erkentenis gebracht: Ik weet, dat Gij alles vermoogt, Job 42:2.
b. Op de zaligheid van rijken in het bijzonder. Bij de mensen is het onmogelijk, dat dezulken behouden worden, maar bij God is dit zelfs mogelijk, niet dat rijken behouden en zalig worden in hun wereldsgezindheid maar dat zij er van behouden worden. Aan de heiligmaking en behoudenis van de zodanige. die omringd zijn door de verzoekingen der wereld, moet men niet wanhopen, zij is mogelijk, zij kan gewerkt worden door de algenoegzaamheid der Goddelijke genade, en als de zodanige in den hemel komen, dan zullen zij er de eeuwige gedenktekenen zijn van de macht Gods. Ik ben geneigd te denken, dat er in dit woord van Christus ene aanduiding is van genade, die Christus nog had weggelegd voor dezen jongeling, die thans bedroefd was weggegaan, het was voor God niet onmogelijk hem nog terecht te brengen.
II. Petrus nam deze gelegenheid waar om eens te vragen naar hetgeen zij er door winnen zullen, die op deze voorwaarden gekomen waren, waaromtrent de jongeling met Christus had gebroken en Hem niet had willen volgen, vers 27. Wij hebben hier wat de discipelen van Christus verwachten en wat Hij hun belooft.
1. Hun verwachting van Christus. In naam van de overigen geeft Petrus te kennen, dat zij op Hem rekenden voor iets groots, iets aanmerkelijks in de plaats van hetgeen zij voor Hem hadden verlaten. Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd. Wat zullen wij daarvoor verkrijgen? Christus had den jongeling beloofd dat, zo hij alles wilde verkopen en tot Hem wilde komen om Hem te volgen, hij een schat in den hemel zou hebben. Nu begeert Petrus te weten
a. Of zij genoegzaam aan die voorwaarden hadden voldaan. Zij hadden niet alles verkocht-want velen hunner hadden ene vrouw en een gezin om voor te zorgen-maar zij hadden alles verlaten, zij hadden het niet aan de armen gegeven, maar zij hadden er afstand van gedaan voorzover het anders een hinderpaal voor hen geweest zou zijn om Christus te dienen, Als wij vernemen wat de hoedanigheden zijn van hen, die behouden zullen worden, dan is het van groot belang voor ons om eens na te gaan, of wij daaraan beantwoorden. Petrus hoopt dat zij over het algemeen aan de voorwaarde voldaan hadden, want God had een heilige geringschatting van de wereld en van de dingen, die gezien worden, in hen gewerkt, in vergelijking met Christus en de dingen, die niet gezien worden. Heere, zegt Petrus, wij hebben alles verlaten. Helaas, het was een armoedig alles, dat zij verlaten hadden. Een hunner had inderdaad ene plaats in het tolhuis verlaten, maar Petrus en de meesten van hen hadden slechts enige boten en visnetten verlaten, de gereedschappen van een armoedig vissersbedrijf, maar zie hoe Petrus er van spreekt alsof het iets zeer bijzonders was. Zie, wij hebben alles verlaten. Wij zijn maar al te geneigd om hoog op te geven van onze diensten en van ons lijden, van onze onkosten en onze verliezen voor Christus, en te denken dat wij Hem hierdoor zeer aan ons hebben verplicht. Maar Christus bestraft hen hier toch niet om. Hoewel het zo weinig was, dat zij hadden verlaten, was het toch hun al, evenals de twee penningskens der weduwe, en het was hun even dierbaar en lief als wanneer het meer ware geweest, en daarom heeft Christus het vriendelijk opgenomen, dat zij het hadden verlaten, om Hem te volgen, want iemand is aangenaam naar hetgeen hij heeft, 2 Corinthiërs 8:12.
b. Of zij dus dien schat mogen verwachten, dien de jongeling zal hebben, indien hij alles wil verkopen. Heere, zegt Petrus, zullen wij, die alles verlaten hebben, hem hebben? Alle mensen zien op hetgeen zij kunnen winnen, en aan Christus' volgelingen is het vergund met hun waar belang te rade te gaan, en te vragen: wat zal ons geworden? Christus heeft gezien op de vreugde, die Hem was voorgesteld, en Mozes op de vergelding des loons. Te dien einde is het ons voorgesteld, opdat wij het met volharding in goeddoen zullen zoeken. Christus moedigt ons aan, om te vragen wat wij er bij zullen winnen, als wij alles verlaten om Hem te volgen, opdat wij zullen zien, dat Hij ons niet roept tot ons nadeel, maar tot ons onuitsprekelijk groot voordeel. Gelijk het de taal is van een gehoorzaam geloof om, met het oog op de voorschriften te vragen: Wat zullen wij doen, zo is het de taal van een hopend, vertrouwend geloof, om met het oog op de beloften te vragen: Wat zullen wij hebben? Wat zal ons geworden? Doch merk op, dat de discipelen reeds sedert lang alles hadden verlaten, om zich tot den dienst van Christus te kunnen begeven, maar dat zij tot op dit ogenblik nooit hadden gevraagd: Wat zullen wij hebben? Hoewel er voor het uitwendige geen blijk of waarschijnlijkheid van voordeel voor hen was, waren zij toch zo overtuigd van Zijne goedheid, dat zij wisten, dat zij op den duur niets bij of door Hem zouden verliezen, en daarom verlieten zij zich op Hem, gelovende dat Hij hun wel vergoeding zou bieden voor hetgeen zij om Zijnentwil hadden verlaten, al hadden zij ook vooraf geen loon bedongen. Het eert Christus als wij Hem vertrouwen en dienen zonder beding. Nu deze jongeling van Christus was weggegaan naar zijne bezittingen, was het voor hen tijd om eens te bedenken wat zij te doen hadden, waar zij hun vertrouwen op hadden te stellen. Als wij zien wat anderen door hun geveinsdheid en hun afval behouden, dan is het voor ons goed en gepast om te bedenken wat wij uit genade niet om, maar door onze oprechtheid en standvastigheid zullen winnen, en dan zullen wij meer reden zien om hen te beklagen dan te benijden.
2. Wij hebben hier Christus' belofte aan hen en aan allen, die in de voetstappen wandelen van hun geloof en hun gehoorzaamheid. Wat er van verwaandheid of van ijdele hoop in hetgeen Petrus zei kon gelegen hebben, ziet Christus voorbij, maar Hij neemt deze gelegenheid te baat om ene belofte te geven.
a. Aan Zijn onmiddellijke volgelingen, vers 28. Zij hadden hun eerbied voor Hem getoond door de eersten te zijn, die Hem volgden, en aan hen belooft Hij niet slechts een schat, maar ook eer in den hemel, en hier hebben zij er nu de acte van schenking, of het patent, van, van Hem, die de Fontein der eer is in dat koninkrijk: Gij, die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, zult zitten op twaalf tronen. Wij moeten hier letten op: De considerans, dat is de beweegreden, dier schenking, welke, als gewoonlijk, bestaat uit ene opsomming van hun diensten. Gij zijt Mij gevolgd in de wedergeboorte, en daarom zal Ik dit voor u doen. De tijd van Christus' verschijning in de wereld was een tijd van wedergeboorte, of verbetering, Hebreeën 9:10, toen het oude voorbij begon te gaan en alles een nieuw aanzien kreeg. De discipelen waren Christus gevolgd, toen de kerk nog in wording was, toen de Evangelietempel nog in ontwerp was, toen zij van hun apostelschap meer van het werk en de moeite hadden dan van de waardigheid en eer aan hun ambt verbonden. Zij zijn Christus onder voortdurende vermoeienis gevolgd, toen nog slechts weinigen dit deden, daarom zal Hij hun meer bijzondere eer bewijzen. Christus heeft bijzondere gunstbewijzen voor hen, die reeds vroeg met Hem beginnen, die Hem verder vertrouwen dan hun ogen reiken, gelijk zij gedaan hebben, die Hem gevolgd zijn in de wedergeboorte. Petrus sprak van hun alles verlaten om Hem te volgen, Christus spreekt slechts van hun volgen van Hem, dat het voornaamste was. De dagtekening van hun eer, die den tijd bepaalt, wanneer zij zal aanvangen, niet op den dag zelf der schenking, neen, zij moeten voor een wijle nog in hun tegenwoordigen onaanzienlijken toestand blijven. Maar wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op den troon Zijner heerlijkheid, en hierop slaat, naar sommiger gevoelen, de uitdrukking in de wedergeboorte. Gij, die Mij gevolgd zijt, zult in de wedergeboorte aldus geëerd worden. Christus' wederkomst zal ene wedergeboorte zijn, als er nieuwe hemelen en een nieuwe aarde zullen wezen en de wederoprichting aller dingen. Allen, die deel hebben aan de wedergeboorte in genade, Johannes 3:3, zullen ook delen in de wedergeboorte in heerlijkheid, want, gelijk de genade de eerste opstanding is, Openbaring 20:6, zo is de heerlijkheid de tweede wedergeboorte. Nu wordt door dit uitstel hunner eer tot den tijd, wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op den troon Zijner heerlijkheid, te kennen gegeven: Ten eerste, dat zij op hun bevordering tot aan dat tijdstip hebben te wachten. Zolang onzes Meesters heerlijkheid wordt verdaagd, is het betamelijk dat ook de onze wordt uitgesteld, en dat wij er naar zullen uitzien, haar zullen verwachten, Romeinen 8:19. Wij moeten leven en werken, en lijden in geloof, en hope en geduld, welke op de proef gesteld worden. Ten tweede. Dat zij delen moeten in Christus' verhoging, hun eer moet ene gemeenschap met Hem zijn in Zijne eer. Met Jezus hebbende geleden, moeten zij ook met Jezus heersen, want hier, zowel als hiernamaals, zal Christus alles in allen zijn, wij moeten zijn, waar Hij is, Johannes 12:26, wij moeten met Hem geopenbaard worden, Colossenzen 3:4, en dit zal een overvloedige vergoeding wezen, niet slechts voor ons verlies, maar ook voor ons uitstel, en als onze Heere komt zullen wij niet slechts het onze ontvangen, maar het onze met woeker. De eer zelf, die hier geschonken wordt: Dat gij ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israël's. De bijzondere betekenis dezer belofte is moeilijk vast te stellen, maar ik zie er geen bezwaar in te erkennen, dat zij op onderscheidene wijze vervuld zal worden. Ten eerste. Als Christus opgevaren is en aan de rechterhand des Vaders gezeten is op den troon Zijner heerlijkheid, dan zullen de apostelen de kracht des Heiligen Geestes ontvangen, Handelingen 1:8, en dan zullen zij zo hoog bevorderd wezen boven hetgeen zij thans zijn, dat zij zich als op tronen zullen denken bij de bevordering en verbreiding des Evangelies. Zij zullen het verkondigen met gezag, als een rechter van zijn rechterstoel. Hun opdracht zal vergroot, uitgebreid zijn, zij zullen Christus, wetten afkondigen, waardoor de kerk, het geestelijke Israël Gods, Galaten 6:16, geregeerd zal worden, en het Israël naar het vlees, dat in ongeloof blijft volharden, zal met alle anderen, die evenzo doen, veroordeeld worden. De eer en macht, die hun worden gegeven, kunnen verklaard worden door Jeremia 1:10. Zie, Ik stel u te dezen dage over de volken, en Ezechiël 20:4, Zult gij hen oordelen , en Daniël 7:18, De heiligen der hoge plaatsen zullen dat koninkrijk ontvangen, en Openbaring 12:1, waar de leer van Christus ene kroon van twaalf sterren genoemd wordt. Ten tweede. Als Christus verschijnt voor de verwoesting van Jeruzalem, Hoofdstuk 24:31, dan zal Hij de apostelen zenden om de Joodse natie te oordelen, omdat in die verwoesting hun voorzeggingen overeenkomstig het woord van Christus vervuld zullen worden. Ten derde. Sommigen denken, dat dit heen wijst naar de bekering der Joden, die nog geschieden zal aan het einde der wereld, na den val van den antichrist, en dat het der apostelen regering betreft van de twaalf stammen Israël's, niet door een lichamelijke opstanding van hun persoon, maar door ene verlevendiging van den Geest, die in hen woonde, en van die zuiverheid van kennis, die zij aan de wereld hebben overgeleverd, en voornamelijk, door de erkenning van hun Evangelie als den maatstaf van hun geloof en de richting van hun leven. Ten vierde. Ongetwijfeld zal de volkomen vervulling hiervan plaatshebben bij de wederkomst van Jezus Christus, wanneer de heiligen in het algemeen de wereld zullen oordelen, en inzonderheid de twaalf apostelen, als assessoren of bijzitters van Christus in het oordeel op den groten dag, wanneer geheel de wereld haar eindoordeel zal horen, en zij zullen het vonnis bevestigen en er mede instemmen. Maar de stammen Israël's worden genoemd, deels omdat het aantal der apostelen gelijk was aan het aantal der stammen, en deels ook omdat de apostelen Joden waren, hun het vriendelijkst gezind, maar zeer boosaardiglijk door hen vervolgd, en het duidt aan, dat de heiligen hun bloedverwanten en vrienden naar den vleze zullen oordelen, in den groten dag diegenen zullen oordelen, voor wie zij vriendelijk gezind zijn geweest, hun vervolgers zullen oordelen, door wie zij in deze wereld geoordeeld werden. Maar het algemene oogmerk dezer belofte is de heerlijkheid en waardigheid te tonen, die in den hemel voor de heiligen zijn weggelegd, en een overvloedige vergoeding zullen zijn voor den smaad, dien zij hier om Christus' wil hebben geleden. Er zijn hogere trappen van heerlijkheid voor hen, die het meest gedaan en geleden hebben. In deze wereld zijn de apostelen gejaagd en vervolgd, heen en weer gedreven, dáár zullen zij neerzitten en rusten, hier wachtten hun banden en verdrukkingen en dood, dáár zullen zij zitten op tronen der heerlijkheid, hier werden zij voor rechtbanken gesleept, dáár zullen zij op den rechterstoel neerzitten, hier hebben de twaalf geslachten Israël's hen vertreden, daar zullen dezen voor hen sidderen. En zal dit loon niet groot genoeg zijn om al hun verliezen en onkosten voor Christus te vergoeden? Lukas 22:29. De bevestiging van deze schenking. Zij is vast, onaantastbaar, onveranderlijk, zeker, want Christus heeft gezegd: Voorwaar Ik zeg u, Ik, de Amen, de getrouwe Getuige, die gemachtigd ben deze schenking te doen, Ik heb het gezegd, en het kan niet teniet gedaan worden.
b. Hier is ene belofte aan alle anderen, die op gelijke wijze alles verlaten om Christus te volgen. Die bevordering of verhoging was niet bijzonder voor de apostelen, of voor hen alleen, neen, alle heiligen zullen deze eer hebben. Christus zal er voor zorgen, dat geen hunner iets bij Hem zal verliezen, vers 29. Een iegelijk, die iets om Christus zal verlaten hebben, zal ontvangen. Verliezen, om Christus' wil geleden, worden hier verondersteld. Christus had gezegd, dat Zijne discipelen zich moeten verloochenen in alles wat hun in deze wereld aangedaan wordt, hier noemt Hij nu enige bijzonderheden, want het is goed om op het ergste voorbereid te zijn. Indien zij niet, gelijk de apostelen, alles hebben verlaten, toch hebben zij veel verlaten, wellicht huizen, zodat zij er zich toe begeven moesten om in woestijnen om te dwalen, of wel dierbare bloedverwanten, die niet met hen mede wilden gaan om Christus te volgen, dezen inzonderheid worden genoemd als het moeilijkst en hardst voor een teder gemoed om er van te scheiden, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, en ten slotte worden er ook akkers bijgevoegd, waarvan de opbrengst diende om het gezin te onderhouden. Nu wordt, ten eerste, verondersteld, dat deze verliezen geleden worden om Christus' naams wille, want anders neemt Hij gene verplichting tot vergoeding op zich. Velen verlaten broeders, en vrouw en kinderen wegens ongenoegen of uit hartstocht, gelijk een vogel, die uit zijn nest omdoolt, dat is een zondig verlaten. Maar als wij hen verlaten om Christus' wil, omdat wij niet hen en ook een goede consciëntie kunnen behouden, dan moeten wij of hen verlaten, of ons deel aan Christus opgeven. Maar als wij niet onze belangstelling in hen opgeven, onzen plicht jegens hen niet verzaken, maar wèl ons genot en onze vertroosting in hen, veeleer dan Christus te verloochenen, en dat wel met het oog op Hem, op Zijne eer en heerlijkheid, dan zal dit beloond worden. Het is niet het lijden, maar de zaak waarvoor geleden wordt, die den martelaar en belijder maakt. Ten tweede. Het wordt verondersteld een groot verlies te zijn, en toch neemt Christus op zich het te vergoeden, want Hij kan dit, al is die vergoeding ook nog zo groot. Let op de barbaarsheid der vervolgers, die onschuldige lieden van alles beroofden om geen andere misdaad dan Christus te hebben gevolgd. Let op het geduld der vervolgden, en de kracht van hun liefde tot Christus, die door gene wateren kon uitgeblust worden. Ene vergoeding voor die verliezen is hier verzekerd. Duizenden hebben op Christus' vertrouwd, maar nooit is iemand iets bij of door Hem tekort gekomen. Nooit was er iemand hunner, die niet onuitsprekelijk door Hem gewonnen bleek te hebben, toen de rekening werd opgemaakt. Christus verpandt hier Zijn woord, dat Hij Zijn lijdende dienstknechten niet alleen schadeloos zal stellen en hen ongedeerd zal bewaren, maar hen ook overvloedig zal belonen. Laat hen de lijst van hun verliezen voor Christus opmaken, en zij kunnen er zeker van zijn te zullen ontvangen: Ten eerste. Honderdvoudige vergoeding in dit leven, soms in de soort der dingen zelven, die zij voor Hem hebben opgegeven. God zal aan Zijn lijdende dienstknechten meer vrienden verwekken, die dit zullen zijn om Christus' wil, dan zij vrienden verloren hebben, die het waren om hunnentwil. Wáár de apostelen ook kwamen, overal ontmoetten zij degenen, die hun vriendelijkheid betoonden, hen onthaalden en herbergden, hun deur en hun hart voor hen openden. Maar zij zullen ook honderdvoudig ontvangen in vriendelijkheid en liefde, in die dingen, die oneindig beter en van groter waarde zijn. Zij zullen toenemen in genade, hun vertroosting zal overvloedig wezen, zij zullen de tekenen ontvangen van Gods liefde, zij zullen volkomener gemeenschap met Hem oefenen, helderder inzichten verkrijgen, lieflijker voorsmaak genieten van de heerlijkheid, die geopenbaard zal worden, en dan kunnen zij in waarheid zeggen, dat zij honderdmaal meer lieflijkheid en vertroosting smaken in God en Christus, dan zij in vrouw of kinderen zouden kunnen smaken.
Ten tweede. Ten laatste het eeuwige leven. Het eerste zou, al ware er niets meer, reeds beloning genoeg zijn, honderd percent is een grote winst. Maar dit wordt er nog als toegift bijgevoegd. Het leven, dat hier beloofd wordt, sluit alle lieflijkheid des levens in, en wel in de hoogste mate, en dat alles nog eeuwig. Indien wij nu slechts aan de belofte geloof konden toevoegen, en op Christus vertrouwden voor de vervulling, dan zouden wij voorzeker niets te veel achten om te doen, en niets te zwaar achten om te lijden, en niets te dierbaar achten om er van te scheiden, om Zijnentwil. In het laatste vers voorkomt onze Heiland ene misvatting van sommigen, alsof de voorrang in de heerlijkheid meer afhing van voorgaan in tijd dan van de mate van genade. Neen, Vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten, vers 30. God zal aan de kinderkens openbaren wat Hij voor de wijzen en verstandigen verborgen heeft. Hij zal de ongelovige Joden verwerpen, en de gelovige heidenen aannemen. Het hemels erfdeel wordt niet gegeven op de wijze, waarop aardse erfenissen gewoonlijk gegeven worden, naar rang van ouderdom en eerstgeboorte, maar naar het welbehagen Gods. Dit is de tekst van een andere leerrede, die wij in het volgende hoofdstuk zullen vinden.