Mattheus 7:12-14
Onze Heere Jezus dringt bij ons aan op die rechtvaardigheid jegens de mensen, die een onmisbaar bestanddeel is van den waren Godsdienst, en op die nauwgezetheid tegenover God, die een onmisbaar bestanddeel is van algemene rechtvaardigheid.
I. Wij moeten ons rechtvaardigheid ten regel stellen, en er ons door laten regeren, vers 12, Neemt dit dus aan als uw grondbeginsel, dat gij doet, wat gij wilt, dat men u doen zal, ten einde de voorafgaande geboden op te volgen, welke bijzonder zijn, houdt u aan dezen algemenen regel, dat gij anderen niet gispt en veroordeelt. Gij wilt niet gecensureerd worden, zo censureert dan anderen niet. Of wel, opdat gij het voordeel moogt erlangen van de voorafgaande beloften. Zeer gepast wordt de wet der rechtvaardigheid saamgevoegd met de wet des gebeds, want, tenzij wij eerlijk zijn in onzen wandel, zal God ons gebed niet verhoren, Jesaja 1:15, 17, 58:6, 9, Zacheria 7:9, 13. Wij kunnen gene goede dingen van God verwachten, indien wij niet doen wat billijk is, en eerlijk, en liefelijk en hetgeen welluidt onder de mensen. Wij moeten niet slechts vroom, maar eerlijk zijn, want anders is onze vroomheid slechts geveinsdheid. Nu hebben wij hier:
1. Den regel der rechtvaardigheid. Alle dingen, die gij wilt, dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo. Christus is gekomen om ons te leren, niet slechts wat wij moeten weten en geloven, maar wat wij moeten doen, wat wij moeten doen, niet alleen tegenover onze mede- discipelen, of die van onze partij en onze richting zijn, maar tegenover de mensen in het algemeen, en allen met wie wij te doen hebben. De gouden regel der billijkheid is: aan anderen te doen wat wij wensen, dat zij ons zullen doen. Alexander Severus, een Heidense keizer, was een groot bewonderaar van dezen regel, hij liet hem schrijven op de muren zijner binnenkamer, haalde hem dikwijls aan, als hij recht had te spreken, en heeft er Christus om geëerd, en de Christenen er om begunstigd. Quod tibi, hoc alteri -doe aan anderen wat gij wilt, dat zij u zullen doen. Neem het in negatieven zin (quod tibi fieri non vis, ne alteri feceris,) of in positieven zin, het komt alles op hetzelfde neer. Wij moeten aan anderen het kwaad niet doen, dat zij ons gedaan hebben, noch het kwaad dat zij ons zouden willen doen, indien zij er de macht toe hadden, ook mogen wij niet doen wat wij denken welgemoed te kunnen dragen, indien het ons gedaan werd, maar wat wij wensen, dat ons gedaan zal worden. Dit is gegrond op het grote gebod: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven. Gelijk wij onzen naasten dezelfde genegenheid moeten toedragen, die wij wensen, dat ons toegedragen zal worden, zo moeten wij hun ook dezelfde goede diensten bewijzen. De betekenis van dezen regel ligt in drie dingen.
a. Wij moeten onzen naaste datgene doen, hetwelk wij zelven erkennen gepast en billijk te zijn: er wordt een beroep gedaan op ons oordeel, en daarbij wordt de ontdekking van ons oordeel verwezen naar hetgeen onze eigene wil en verwachting zijn zou, indien het ons zelven gold.
b. Wij moeten anderen op gelijken voet beschouwen met ons zelven, en achten, dat wij hun evenzeer verplicht zijn, als zij ons. Wij zijn even gebonden aan den plicht der gerechtigheid als zij, en zij hebben evenveel recht op het voordeel er van als wij.
c. In onze handelwijze tegenover de mensen, moeten wij ons in hun plaats en omstandigheden denken te zijn, en dan dien overeenkomstig handelen. Indien ik mij in den toestand van dezen of dien bevond, indien ik onder die zwakheid of deze beproeving gebukt ging, hoe zou ik dan wensen en verwachten behandeld te worden? En dit is ene veronderstelling, die niet meer dan recht is, want wij weten niet hoe spoedig wij ons werkelijk in hun toestand en omstandigheden kunnen bevinden, ten minste kunnen wij wel vrezen, dat God naar Zijn oordeel ons zal doen, zoals wij anderen gedaan hebben, indien wij hun niet gedaan hebben wat wij wensen, dat ons gedaan zou worden.
2. Een tweede reden voor dezen regel is: Dit is de wet en de profeten. Het is de hoofdsom van dat tweede grote gebod, hetwelk een der twee is, waaraan hangt de ganse wet en de profeten, Hoofdstuk 22:40. Wij hebben dit niet in zo vele woorden, noch in de wet, noch in de profeten, maar het is de overeenstemmende taal van het geheel. Al wat dáár gezegd is betreffende onzen plicht tegenover onzen naaste (en dat is niet weinig) kan teruggebracht worden tot dien regel. Christus heeft het hier aangenomen in deze wet, zodat beide het Oude en het Nieuwe Testament overeenkomen om ons dit voor te schrijven: te doen wat wij wensen, dat ons gedaan zal worden. Door dezen regel wordt de wet van Christus aangeprezen, maar wordt het leven der Christenen veroordeeld als het er bij vergeleken wordt.
Aut hoc non evangelium, aut hi non evangelici. Of dit is het Evangelie niet, of dezen zijn gene Christenen.
II. Wij moeten den Godsdienst tot onze zaak, ons belang maken, en er ijverig in wezen, wij moeten stipt en voorzichtig zijn in onzen wandel, en dat wordt ons hier voorgesteld als een ingaan door ene enge poort, en een gaan op een nauwen weg, vers 13, 14. Merk hier op:
1. Hetgeen gezegd wordt van den slechten weg der zonde, en den goeden weg der heiligheid. Er zijn slechts twee wegen, een rechte en een verkeerde, een goede en een slechte weg, de weg naar den hemel, en de weg naar de hel, in een van welken wij allen wandelen: geen middenplaats hier namaals, geen middenweg thans, de onderscheiding van de kinderen der mensen in heiligen en zondaars, Godvruchtigen en ongodvruchtigen, zal tot in alle eeuwigheid stand houden.
a. Hier wordt ons aangeduid wat de weg is van zonde en zondaren, wat het beste en wat het ergste er van is. Datgene wat de menigte er heen lokt, en hen er in houdt: wijd is de poort en breed is de weg, en er zijn vele reizigers op dien weg. "Op dien weg zult gij zeer veel vrijheid hebben, de poort is wijd, en staat wijd open, om hen te lokken, die recht op hun weg gaan. Gij kunt deze poort binnen gaan met al uwe lusten en begeerlijkheden, zij belemmert ze niet, zij staat uwe hartstochten niet in den weg, gij kunt wandelen in de wegen uws harten, en in de aanschouwing uwer ogen, er is plaats genoeg". Het is een brede weg, want er zijn vele paden bij, er is keus van zondige wegen, die allen aan elkaar tegenovergesteld zijn, maar allen zijn het paden die tot dezen breden weg behoren. Ten tweede:" Gij zult overvloed van metgezellen hebben op dien weg: velen zijn er, die ingaan door die poort, en wandelen op dien weg". Indien wij de menigte volgen, dan zal het wezen om kwaad te doen, indien wij met de menigte medegaan, dan zal het op den verkeerden weg wezen. Onze natuurlijke neiging is stroom afwaarts te gaan, en te doen zoals de meesten doen, maar het is een al te groot compliment om verloren te willen gaan voor ons gezelschap, met hen naar de hel te willen gaan, omdat zij niet met ons naar den hemel willen gaan. Indien velen omkomen, behoren wij zoveel te voorzichtiger te zijn. Wat ons allen er van moet weg schrikken is, dat die weg tot het verderf leidt. De dood, de eeuwige dood is aan het einde er van (en de weg der zonde voert daar henen), -eeuwig verderf van het aangezicht des Heeren. Hetzij het de grote weg is van openbare onheiligheid, of de sluipweg der stille geveinsdheid, zo het een weg der zonde is, zal hij, indien wij ons niet bekeren, ons verderf zijn.
b. Ene beschrijving van den weg der heiligheid. Wat er op is, waardoor menigeen er van weggeschrikt wordt, laat ons het ergste er van weten, opdat wij kunnen neerzitten om de kosten te overrekenen. Christus handelt getrouwelijk met ons, en zegt ons: Ten eerste. Dat de poort eng is. Bekering en wedergeboorte zijn de poort, door welke wij op dezen weg komen, waarop wij een leven van geloof en van ernstige Godsvrucht beginnen, wij moeten door de nieuwe geboorte overgaan uit den toestand van zonde in een' toestand van genade, Johannes 3:5. Dat is ene enge poort, moeilijk te vinden, en moeilijk om er door heen te gaan, zoals een doortocht tussen twee klippen, 1 Samuël 14:4. Er moet een nieuw hart zijn en een nieuwe geest, en de oude dingen moeten voorbijgaan. De neiging der ziel moet anders worden, met slechte gewoonten moet worden gebroken, wat wij ons ganse leven gedaan hebben moet weer ongedaan gemaakt worden. Wij moeten zwemmen tegen den stroom, er moet geworsteld worden met veel tegenstand, er moet door heen gebroken worden, van buiten en van binnen. Het is gemakkelijker een mens te stellen tegenover de gehele wereld dan tegenover zich zelven, en toch moet dit geschieden in de bekering. Het is ene enge poort, want wij moeten bukken, of wij kunnen er niet in komen, wij moeten worden als kleine kinderen, hoge gedachten moeten neergeworpen worden, ja wij moeten ons ontbloten, ons zelven verloochenen, de wereld verzaken, den ouden mens afleggen, wij moeten bereid zijn alles te verlaten om deel te hebben aan Christus. De poort is eng voor allen, maar voor sommigen enger dan voor anderen, zoals voor de rijken, en voor hen, die gedurende langen tijd tegen den Godsdienst bevooroordeeld zijn geweest. De poort is eng, geloofd zij God, zij is niet toegesloten, niet op slot en grendel gedaan voor ons, en ook door geen vlammig zwaard bewaakt, zoals zij binnen kort zijn zal, Hoofdstuk 25:10.
Ten tweede. Dat de weg nauw is. Wij zijn niet in den hemel zodra wij door de enge poort zijn gegaan, niet in Kanaän, zodra wij door de Rode Zee heen zijn, neen, wij moeten door ene woestijn gaan, wij moeten reizen op den nauwen weg, omtuind door de Goddelijke wet, die zeer wijd is, en dat maakt den weg nauw, het eigen-ik moet verloochend, het lichaam ten onder gehouden, het bederf, dat als een rechteroog, of ene rechterhand is, gedood worden. Dagelijkse verzoekingen moeten weerstaan, plichten, die tegen onzen zin en neiging ingaan, volbracht worden. Wij moeten verdrukking lijden, moeten worstelen als in doodsbenauwdheid, moeten in alles wakende zijn, en wandelen met voorzichtigheid. Wij moeten ingaan door velerlei verdrukkingen. Het is een hodos tethlimmenê, een weg van wederwaardigheden, of van smart, omgeven door doornen, geloofd zij God, het is geen gesloten ontoegankelijke weg. Het lichaam, dat wij met ons omdragen, en het bederf dat in ons is overgebleven, maken den weg des plichts moeilijk voor ons, maar naarmate het verstand en de wil gezonder worden, zal de weg ook meer open en verruimd, en al meer en meer liefelijk worden.
Ten derde. De poort zo eng zijnde en de weg zo nauw, is het niet vreemd, dat er slechts weinigen zijn, die dezelve vinden, en hem verkiezen. Velen gaan hem voorbij, door zorgeloosheid, zij willen er gene moeite voor doen hem te vinden, zij bevinden zich wel op hun gemak, en zien de noodzakelijkheid niet in om van weg of levenswijze te veranderen. Anderen zien hem aan, maar vermijden hem, zij houden er niet van zo beperkt en kort gehouden te worden. Vergeleken met hen, die naar de hel gaan, zijn het slechts weinigen, die naar den hemel gaan, een overblijfsel, een klein kuddeke, zoals de druiven-lezing van den wijnoogst, zoals de acht, die in de ark behouden werden, 1 Petrus 3:20. In de wegen der ondeugd dringen de mensen elkaar vooruit, hoe zal iemand op het pad des behouds teruggebracht worden, als hij door de menigte voortgestuwd wordt, en er geen tegenwerkende invloed is? Seneca, Epistel 29. Dit ontmoedigt velen, maar in plaats van hierover te vallen, zeg liever: Indien zo weinigen naar den hemel gaan, zal er door mij tenminste een meer zijn. Laat ons zien wat er op dien weg is, dat in weerwil hiervan, ons allen er heen moest lokken. Hij leidt tot het leven, tot tegenwoordige vertroosting en welzijn in de gunst van God, die het leven is der ziel, tot eeuwige gelukzaligheid, waarvan de hope aan het einde van onze baan ons behoorde te verzoenen met al de moeilijkheden en ongemakken van den weg. Het leven en de Godzaligheid worden samengevoegd, 2 Petrus 1:3. De poort is eng en de weg is nauw en loopt bergopwaarts, doch een uur in den hemel zal voor dit alles ene rijke vergoeding wezen.
2. Wat uit overweging hiervan de grote zorg en plicht is van een iegelijk onzer, Gaat in door de enge poort. De zaak is openhartig blootgelegd. Leven en dood, goed en kwaad zijn ons voorgesteld: de beide wegen en de beide einden, waar zij op uitlopen. Laat nu de zaak in haar geheel genomen en onpartijdig beschouwd worden, en kies dan heden op welken weg gij wilt wandelen, Ja de zaak beslist voor zich zelf, en laat gene redenering toe. Niemand, die bij zijne zinnen is, zou verkiezen naar de galg te gaan, omdat de weg er heen zo effen en aangenaam is, of het aanbod van een paleis en een troon weigeren, omdat de weg er heen ruw en vuil is, toch maken velen zich aan zulke ongerijmdheden schuldig als het de belangen hunner ziel geldt. Stelt dus niet uit, beraadslaagt niet langer, maar gaat in door de enge poort, klopt aan die poort met oprecht en volhardend gebed en streven, en u zal opengedaan worden, ja ene wijde deur zal geopend worden. Het is waar, zonder de hulp der Goddelijke genade kunnen wij noch ingaan noch voortgaan, maar even waar is het, dat genade om niet wordt aangeboden, en hun niet zal ontbreken, die haar zoeken en er zich aan onderwerpen. De bekering is een zwaar en moeilijk werk, maar zij is noodzakelijk. en, geloofd zij God, zij is niet onmogelijk, als wij strijden, Lukas 13:24.