Mattheus 12:14-21
Gelijk er te midden van Christus' diepste vernederingen blijken en bewijzen waren van Zijne waardigheid, zo heeft Hij ook bij de grootste eer, die Hem werd aangedaan, bewijzen gegeven van Zijne nederigheid, en als de grote werken, die Hij deed, Hem de gelegenheid gaven, om zich groot aanzien te verwerven, heeft Hij zich toch altijd vernietigd en zich zonder gedaante of heerlijkheid doen zijn. Wij hebben hier: De vloekwaardige boosaardigheid der Farizeeën tegen Christus, vers 14. Verwoed zijnde om het klaarblijkelijke van Zijne wonderen gingen zij uit, en hielden te zamen raad tegen Hem, hoe zij Hem doden mochten. Hetgeen hen vertoornde was, dat, vanwege Zijne wonderen niet slechts hun eer en aanzien door de Zijne in de schaduw werden gesteld, maar dat de leer, die Hij predikte, lijnrecht stond tegenover hun hoogmoed, hun geveinsdheid en wereldse belangen, doch zij wendden voor misnoegd te zijn over Zijn sabbat schenden, dat volgens de wel ene hoofdmisdaad was, Exodus 35:2, Het is niets nieuws aan de snoodste handelingen een zeer schoonschijnend aanzien te geven. Let nu op het overleg, waarmee zij te werk gingen, zij overleiden bij zich zelven hoe dit het best te bewerkstelligen, en zij hielden te zamen raad als in een complot, ten einde elkaar er toe aan te sporen en behulpzaam te zijn. Let ook op hun wreedheid: zij hielden te zamen raad, niet om Hem gevangen te zetten of te verbannen, maar om Hem te doden. Hem te doden, die gekomen is, opdat wij het leven zouden hebben. Welk ene versmaadheid werd onzen Heere Jezus hiermede ook aangedaan, daar zij Hem behandelden als een vogelvrijverklaarde, die een pest was voor zijn land, terwijl Hij er toch de grootste zegen van was, de heerlijkheid van Zijn volk Israël.
II. In de tweede plaats zien wij hier, hoe Christus zich terugtrok, niet om aan Zijn werk, maar om aan het gevaar te ontkomen, omdat Zijne ure nog niet was gekomen, vers 15. Hij vertrok van daar. Hij zou zich ook wel door een wonder tegen hen in veiligheid hebben kunnen stellen, maar Hij gaf er de voorkeur aan dit te doen op gewone wijze: door de vlucht en door afzondering, omdat Hij hierin, evenals in andere dingen, zich wilde onderwerpen aan de zondeloze zwakheid onzer natuur. Hierin heeft Hij zich vernederd, dat Hij het middel te baat nam van de meest hulpelozen, en aldus wilde Hij ook een voorbeeld geven van den regel, dien Hij zelf gesteld had: Wanneer zij u in deze stad vervolgen, vliedt in de andere. Christus had genoeg gezegd en gedaan om deze Farizeeën te overtuigen, maar in plaats van te zwichten voor die overtuiging, werden zij verhard en verwoed, en daarom heeft Hij hen, als ongeneeslijk zijnde, verlaten, Jeremia 51:9. Christus heeft zich niet voor Zijne eigene rust of gemak teruggetrokken. Hij heeft geen voorwendsel gezocht om van Zijn werk af te laten, neen, ook in Zijne afzonderingen bleef Hij arbeiden, en ook dan deed Hij nog goed, als Hij wegens Zijn goeddoen genoodzaakt was te vluchten. Aldus heeft Hij een voorbeeld gegeven aan de bedienaren van het Evangelie om te doen wat zij kunnen, als zij niet kunnen doen wat zij willen, en te blijven onderwijzen, ook wanneer zij in afgelegen hoeken des lands moeten verwijlen. Toen de Farizeeën, die de geleerden en de voornamen des volks waren, Christus van hen wegdreven, en Hem dwongen zich terug te trekken, is het gemene volk toch tot Hem blijven toestromen, vele scharen volgden Hem, ontdekten Zijne verblijfplaats. Sommigen rekenden Hem dit aan als ene schande en smaad, zij noemden Hem den aanvoerder van het grauw, maar in werkelijkheid was het Zijne ere, dat allen, die niet bevooroordeeld waren, niet verblind door wereldse pracht en praal, Hem zo hartelijk genegen waren en zo voor Hem ijverden, dat zij Hem wilden volgen waar Hij ook heenging, en dan ook met Hem gene gevaren vreesden, gelijk het ook de heerlijkheid was Zijner genade, dat den armen het Evangelie werd verkondigd, dat Hij, als zij Hem hadden aangenomen, hen ontving en hen allen genas. Christus is in de wereld gekomen om de Algemene Medicijnmeester te zijn, gelijk de zon voor de lagere wereld, met genezing onder Zijne vleugelen. Hoewel de Farizeeën Christus vervolgden om Zijn weldoen, ging Hij er toch mede voort, en Hij zorgde er voor, dat de boosheid der oversten het volk niet zou beletten van Zijne weldaden te genieten. Hoewel sommigen onvriendelijk voor ons zijn, moeten wij daarom niet onvriendelijk zijn voor anderen. Christus heeft er zich op toegelegd om in Zijne afzondering niet minder nuttig te zijn voor het volk, Hij genas ze allen, evenwel: Hij gebood hun scherpelijk, dat zij Hem niet openbaar maken zouden, vers 16, hetgeen beschouwd kan worden:
1. Als ene daad van voorzichtigheid. Het waren niet zo zeer de wonderen zelven, als wel hetgeen in het openbaar er van gezegd werd, waardoor de Farizeeën in woede werden ontstoken, vers 23, 24. Daarom heeft Christus, hoewel niet nalatende goed te doen, het echter met zo min mogelijke luidruchtigheid willen doen, teneinde aanstoot te vermijden voor anderen en gevaar voor zich zelven. Wijze en Godvruchtige mensen willen wel zeer gaarne goed doen, maar zij begeren volstrekt niet, dat er veel over gepraat wordt, want wat zij op het oog hebben is God te behagen, niet de toejuiching der mensen te verwerven. Zo moeten ook wij in tijden van lijden en vervolging wel vrijmoedig den weg des plichts blijven bewandelen, maar wij moeten het zo doen, dat wij hen, die gelegenheid tegen ons zoeken te vinden, niet meer verbitteren dan nodig is.
Zijt voorzichtig gelijk de slangen, Hoofdstuk 10:16.
2. Het kan ook beschouwd worden als ene daad van rechtvaardig oordeel over de Farizeeën, die niet waardig waren om nog meer van Zijne wonderen te horen, daar zij, die zij gezien hadden, zo gering hebben geschat. Door hun ogen te sluiten voor het licht, hebben zij er de weldaad van verbeurd.
3. Ook als ene daad van ootmoed en zelfverloochening. Hoewel Christus met Zijne wonderen bedoelde te tonen, dat Hij de Messias was, om alzo de mensen er toe te brengen in Hem te geloven, waarvoor het dus nodig was, dat zij bekend zouden worden, heeft Hij toch soms het volk bevolen ze te verzwijgen, ten einde ons een voorbeeld te geven van nederigheid, en ons te leren niet zelf onze vroomheid en nuttigheid voor anderen uit te bazuinen, of te begeren, dat zij bekend gemaakt worden. Christus wilde, dat Zijne discipelen het tegenovergestelde zouden zijn van hen, die al hun werken deden om van de mensen gezien te worden.
III. De vervulling der Schrift in dit alles vers 17. Christus trok zich terug, opdat, hoewel Hij nu in de schaduw was, het woord van God toch vervuld zou worden en dus ook verheerlijkt, en dat was het, waar Hij zijn hart op gesteld had. De Schrift, welke hier gezegd wordt vervuld te zijn, is Jesaja 42:1-4, en die hier breedvoerig is aangehaald, vers 18-21. De strekking er van is aan te tonen, hoe voorspoedig onze Heere Jezus zijn zou in Zijne onderneming, waarvan wij de voorbeelden hebben in de voorafgaande verzen. Merk hier op:
1. Het welbehagen des Vaders in Christus, vers 18, Zie Mijn Knecht, welken Ik verkoren heb, Mijn Beminde, in welken Mijne ziel een welbehagen heeft. Hieruit kunnen wij leren: Dat onze Zaligmaker Gods Dienstknecht was in het grote werk onzer verlossing. Hierin heeft Hij zich onderworpen aan den wil des Vaders, Hebreeën 10:7, en zich gesteld om de bedoelingen Zijner genade te dienen en Hem te verheerlijken, door de breuken te herstellen, die door den afval van den mens ontstaan zijn. Als een Dienstknecht was Hem een groot werk aangewezen, en ene grote zaak toevertrouwd. Dit behoorde mede tot Zijne vernedering, dat Hij, hoewel Hij het geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn, in het werk onzer verlossing toch de gestalte eens dienstknechts heeft aangenomen, onder de wet kwam, en, hoewel Hij de Zoon was, nochtans gehoorzaamheid geleerd heeft, Hebreeën 5:8. Dat Jezus Christus door God was verkoren als alleen geschikt voor de tenuitvoerbrenging van het grote werk onzer verlossing. Hij is Mijn Knecht, dien Ik heb verkoren, als in staat en bekwaam voor die onderneming. Niemand dan Hij was in staat des Verlossers werk te doen, of geschikt, om des Verlossers kroon te dragen. Hij was een verkorene uit het volk, Psalm 89:20, verkoren door de Oneindige Wijsheid voor dien post des dienens en der ere, waarvoor mens noch engel bevoegd of bekwaam was, niemand dan Christus, opdat Hij in alles de eerste zou zijn. Christus heeft zich niet opgeworpen voor dat werk, maar Hij werd er toe verkoren. Christus was zo Gods Verkorene, dat Hij het Hoofd is der verkiezing en van al de andere verkorenen, want wij zijn uitverkoren in Hem. Efeze 1:4. Dat Christus is Gods Welbeminde, Zijn geliefde Zoon. Als God is Hij van eeuwigheid in den schoot des Vaders geweest, Johannes 1:18, Hij was dagelijks Zijne vermakingen, Prediker 8:30. Voor den tijd was er tussen den Vader en den Zoon ene eeuwige en onbegrijpelijke gemeenschap en liefde, en aldus bezat de Heere Hem in het begin Zijns wegs, Prediker 8:22. Als Middelaar heeft de Vader Hem liefgehad, toen het den Heere behaagde Hem te verbrijzelen, heeft Hij zich hieraan onderworpen, daarom heeft Hem de Vader lief, Johannes 10:17. Dat in Jezus Christus de Vader een welbehagen heeft. Zijne ziel heeft een welbehagen in Hem, dat is het hoogste, het innigste welbehagen. God heeft door ene stem van den hemel verklaàrd, dat Hij Zijn geliefde Zoon is, in wie Hij een welbehagen heeft, een welbehagen in Hem, omdat Hij de bereidwillige en blijmoedige Ondernemer was van dat wonderwerk, waarop God Zijn hart had gesteld, en in Hem heeft Hij ook een welbehagen in ons, want Hij heeft ons begenadigd in den Geliefde, Efeze 1:6. Al het deel, dat de gevallen mens in God heeft of kon hebben, is gegrond op, en moet toegeschreven worden aan, Gods welbehagen in Jezus Christus, want zonder Hem kan niemand tot den Vader komen, Johannes 14:6.
2. Des Vaders belofte aan Hem in twee dingen.
a. Dat Hij Hem op alle wijzen bekwaam zou maken voor Zijne onderneming: Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, als een Geest der wijsheid en des raads, Jesaja 11:23. Hen, die door God tot enigerlei dienst worden geroepen, zal Hij voorzeker voor dien dienst geschikt en bekwaam maken, en daaruit zal dan blijken, dat Hij hen er toe geroepen heeft, zoals Mozes, Exodus 4:12. Als God, was Christus in macht en heerlijkheid gelijk met den Vader, als Middelaar, heeft Hij van den Vader macht en heerlijkheid ontvangen, en ontvangen, opdat Hij zou geven, en al wat de Vader Hem gegeven heeft, om Hem voor Zijne onderneming bekwaam te maken, wordt uitgedrukt in deze woorden: Hij heeft Zijn Geest op Hem gelegd. Dat was die olie der vreugde, waarmee Hij gezalfd was boven Zijne medegenoten, Hebreeën 1:9. Hij heeft den Geest ontvangen, niet met mate maar zonder mate Johannes 3:34. Al wie door God verkoren is, en in wie Hij een welbehagen heeft, op dien zal voorzeker de Geest gelegd worden. Aan wie Hij Zijne liefde schenkt, schenkt Hij ook iets van Zijn beeld.
b. Dat Hij zeer voorspoedig zal zijn in Zijne onderneming. Zij, die door God worden gezonden, zullen ook gewis door Hem erkend worden. Dit was reeds sedert lang verzekerd door de belofte aan onzen Heere Jezus, dat het welbehagen des Heeren door Zijne hand gelukkiglijk zal voortgaan, Jesaja 53:10. Dit wordt hier in twee bijzonderheden getoond. Ten eerste: "Hij zal het oordeel den Heidenen verkondigen. Persoonlijk heeft Christus gepredikt voor hen, die aan de grenzen der Heidenen woonden, Markus 3:6-8, en door Zijn' apostel toonde Hij Zijn Evangelie, hier Zijn oordeel genoemd, aan de Heidenwereld. Het verlossingsplan, het oordeel, dat den Zoon overgeleverd is, is niet slechts door Hem, als onzen groten Hogepriester, uitgewerkt, maar ook door Hem, als onzen groten profeet, getoond en bekend gemaakt. Het Evangelie zal, daar het de regel is van praktijk en wandel, de onmiddellijke strekking hebbende om verandering ten goede te brengen in het hart en het leven der mensen, aan de Heidenen getoond worden. Gods oordelen, Zijne inzettingen en rechten, zijn inzonderheid den Joden bekend gemaakt, Psalm 147:19, maar de profeten des Ouden Testaments hebben dikwijls voorzegd, dat zij den Heidenen getoond zullen worden, derhalve behoefde dit niet zulk ene verbazing te wekken, als het bij de ongelovige Joden gewekt heeft, en nog veel minder had hun dit ene ergernis moeten zijn. Ten tweede: In Zijn naam zullen de Heidenen vertrouwen, vers 21. 1) Hij zal hun oordeel tonen op zulk ene wijze, dat zij acht zullen slaan op hetgeen Hij hun toont, er den invloed van op zich zullen laten inwerken om op Hem te vertrouwen, zich Hem zullen toewijden, en zich naar dat oordeel zullen gedragen. Het grote doel van het Evangelie is de mensen er toe te brengen, om in den naam van Jezus Christus te vertrouwen, Zijn naam Jezus, Zaligmaker, de dierbare naam, waarmee Hij genoemd wordt, en die "ene olie is, die uitgestort wordt, Hooglied 1:3. De Heere, onze Gerechtigheid. De Evangelist haalt den tekst hier aan naar de Septuaginta, (het kan ook wezen, dat de latere edities van de Septuaginta den Evangelist volgen) het Hebreeuws in Jesaja 42:4 luidt: de eilanden zullen naar Zijne leer wachten. Van de eilanden der Heidenen wordt gesproken in Genesis 10:5, als bevolkt door de kinderen van Jafeth, van wie gezegd is, Genesis 9:27 :God zal Jafeth overreden om in Sems tenten te wonen, hetgeen nu vervuld stond te worden, als de eilanden (zegt de profeet) de Heidenen (zegt de Evangelist), zullen wachten naar Zijne leer, en zullen hopen, of betrouwen in Zijn naam. Vergelijk deze twee en merk op, dat alleen diegenen met vertrouwen kunnen hopen in den naam van Christus, die wachten naar Zijne leer met het vaste besluit er zich door te laten regeren. Merk ook op, dat die leer, of wet, waarnaar wij wachten, de leer-of wet-is des geloofs, de leer van het betrouwen in Zijn naam. Heden is dit Zijn groot gebod, dat wij in Christus geloven, 1 Johannes 3:23.
3. De voorzegging Hem betreffende, en Zijn rustige, kalme, zachtmoedige wijze, waarop Hij Zijne onderneming tot stand bracht, vers 19, 20.
a. Hij zal Zijn groot werk volbrengen zonder gerucht te maken, en zonder praalvertoon. Hij zal niet twisten, noch roepen. Christus en Zijn koninkrijk komen niet met uiterlijk gelaat, Lukas 17:20, 21. Toen de Eengeborene in de wereld kwam, ging dit niet vergezeld van statige plechtigheden. Hij heeft geen openbaren intocht gehouden, Hij had gene herauten, die Hem uitriepen als Koning. Hij was in de wereld en de wereld heeft Hem niet gekend. Zij waren in dwaling, die zich vleiden met de hoop van een pralenden Zaligmaker. Zijne stem werd in de straten niet gehoord: Zie hier is de Christus, of Zie, Hij is daar. Hij zelf sprak met zachte, liefelijke stem, uitlokkend voor allen, doch niemand verschrikkende. Hij beminde het niet gedruis of gerucht te maken, maar Hij kwam met het zacht doordringende van den dauw. Wat Hij sprak en deed ademde de grootste nederigheid en zelfverloochening. Zijn koninkrijk was geestelijk, en kon dus niet bevorderd worden door kracht of geweld, of door grootspraak. Neen, het koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden, maar in kracht.
b. Dat Hij Zijne onderneming tot stand zou brengen zonder strengheid of hardheid, vers 20. Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken. Sommigen verstaan dit van Zijn geduld, waarmee Hij de bozen heeft verdragen. Hij zou deze Farizeeën even gemakkelijk hebben kunnen verbreken als een gekrookt riet, en hen als een rokende vlaswiek hebben kunnen uitblussen, maar dat zal Hij niet doen voor den oordeelsdag, wanneer al Zijne vijanden tot ene voetbank Zijner voeten zullen gezet worden. Anderen verstaan het liever van Zijne macht en genade om de zwakken te dragen. Over het algemeen is het de bedoeling van het Evangelie ene wijze van verlossing vast te stellen, waardoor de oprechtheid wordt aangemoedigd, al gaat die ook met veel zwakheid gepaard. Het dringt niet aan op ene zondeloze gehoorzaamheid, maar op ene oprechte en bereidwillige gezindheid des harten. Wat nu aangaat bijzondere personen, die Christus volgen in nederigheid en met veel vrezen en beven, merk op: Ten eerste, hoe hun toestand hier wordt beschreven-zij zijn als een gekrookt riet en ene rokende vlaswiek. Eerstbeginnenden op den weg der Godsvrucht zijn zwak als een gekrookt riet, zij hebben wel een weinigje leven, maar het is als van een gekrookt riet, zij hebben wel een weinige warmte, maar het is als van een rokende vlaswiek. Christus' discipelen waren nu nog zwak, en dat zijn ook velen, die toch ene plaats hebben in Zijn huisgezin. De genade in hen is als een gekrookt riet, het bederf en de boosheid in hen zijn als ene rokende vlaswiek, als de pit ener kaars, die nog smeult, nadat zij is uitgeblazen. Wat is Christus' medelijden voor hen? Hij zal hen niet ontmoedigen, en nog veel minder verwerpen of verstoten, het riet, dat gekrookt is, zal niet worden verbroken en vertreden, maar zal ondersteund worde n en krachtig gemaakt, als de ceder, of bloeiend als de palm- boom. De pas ontstoken kaars, hoewel zij nog slechts rookt en niet ontvlamt, zal niet uitgeblust, maar aangeblazen worden. De dag der kleine dingen is de dag der kostelijke dingen, en daarom zal Hij hem niet verachten, maar hem tot den dag der grote dingen maken, Zacheria 4:10. Onze Heere Jezus handelt zeer tederlijk met hen, die ware genade hebben, al zijn zij er dan ook nog zwak in, Jesaja 40:11, Hebreeën 5:2. Hij gedenkt niet slechts, dat wij stof zijn, maar dat wij vlees zijn. Het goed gevolg hiervan wordt aangeduid in de woorden: totdat Hij het oordeel zal uitbrengen tot overwinning. Dat oordeel, hetwelk Hij toonde aan de Heidenen, zal overwinnend zijn, Hij zal uitgaan, overwinnende, en opdat Hij overwonne. Openbaring 6:2. Beide de prediking van het Evangelie in de wereld en de kracht van het Evangelie in het hart zullen overmogen. Genade zal de overhand hebben op het bederf, en zal ten laatste volmaakt worden in de heerlijkheid. Christus' oordeel zal uitgebracht worden tot overwinning, want als Hij oordeelt, zal Hij overmogen. Hij zal met waarheid het recht voortbrengen. Zo is het, Jesaja 42:3. Waarheid en overwinnen zijn tamelijk gelijk in betekenis, want groot is de waarheid, en zij zal overwinnen.