Deuteronomium 33:6-7
I. Hier is de zegen van Ruben. Hoewel Ruben de eer van zijn geboorterecht had verloren, begint Mozes toch met hem, want wij moeten hen, die onteerd zijn, niet beschimpen en de tekenen van schande voor niemand duurzaam willen maken, al waren die in het eerst ook nog zo verdiend, vers 6. Mozes begeert en voorzegt:
1. De instandhouding van die stam, hoewel hij een grensstam aan de overzijde van de Jordaan was, "zo laat hem toch leven en noch door zijn naburen worden vernietigd, noch onder hen opgaan". En wellicht heeft hij de uitgelezen mannen van die stam op het oog, die daar zij hun erfdeel reeds hadden ontvangen er hun huisgezinnen in vestigden, terwijl zij zelf nu gereed waren toegerust voor het aangezicht hunner broederen over tetrekken, Numeri 32:27. "Laat hen op die edelen krijgstocht worden beschermd, en hun hoofd bedekt zijn ten dage van de wapening".
2. De toeneming van deze stam: dat zijn lieden van getal zijn. "Laat het een talrijke stam wezen, al is hun andere eer ook verbeurd en verloren, zodat zij de voortreffelijkste niet zijn, niet zullen uitmunten zo laat hen toch vermenigvuldigen". Dat Ruben leve en niet sterve, al is het ook dat zijn mannen weinig in aantal zijn, aldus denkt bisschop Patrick dat de volzin overgezet kan worden. "Hoewel hij niet kan verwachten te bloeien, Genesis 49:4, zo laat hem toch niet omkomen, niet vergaan". Al de Chaldeeuwse paraphrasten brengen dit in verband met de andere wereld. Dat Ruben leve in het eeuwige leven, en de tweede dood niet sterve, aldus Onkelos. Dat Ruben leve in deze wereld, en de dood niet sterve, die de goddelozen in de toekomende wereld sterven, aldus Jonathan en de Jeruzalemse Targum.
II. De zegen van Juda, die voor Levi gesteld wordt, omdat onze Heere uit Judagesproten is, en (zoals Dr. Lightfoot zegt) om de waardigheid van het koningschap boven het priesterschap. De zegen, vers 7, kan betrekking hebben, hetzij:
1. Op de gehele stam in het algemeen. Mozes bidt om en profeteert van de grote voorspoed van die stam. Dat God zijn gebeden zal verhoren (zie er een voorbeeld van in 2 Kronieken 13:14, 15), hem in zijn erfdeel zal bevestigen, hem voorspoedig zal maken in al zijn zaken, en hem de overwinning zal geven over zijn vijanden. Het wordt als aangenomen en vastgesteld beschouwd, dat de stam van Juda een biddende en tevens een zeer werkzame stam zal zijn. "Heere", zegt Mozes, "hoor zijn gebeden, en geef voorspoed op al zijn ondernemingen, laat zijn handen hem genoegzaam zijn, in de landbouw, zowel als in de krijg". De stem des gebeds behoort steeds vergezeld te wezen van de hand des strevens, dan kunnen wij voorspoed verwachten. Of:
2. Het kan in het bijzonder betrekking hebben op David, als type van Christus, dat God zijn gebeden zal horen, Psalm 20:2 (en Christus werd altijd verhoord Johannes 11:4 dat Hij hem de overwinning zei geven over zijn vijanden en voorspoed in zijn grote ondernemingen. Zie Psalm 89:21 en verv. En het gebed, dat God hem tot zijn volk zal brengen, schijnt betrekking te hebben op Jakob's profetieën betreffende Silo, dat tot Hem de volken vergaderd zullen worden, Genesis 49:10.
De stam van Simeon is voorbijgegaan in de zegen, omdat Jakob hem onder een schandmerk heeft gelaten, en hij nooit, zoals Levi, iets gedaan had om in eer hersteld te worden. In de woestijn werd hij meer dan enige andere stam verminderd, en Zimri, die nog kort geleden zich zo in het openbaar schuldig had gemaakt, was van die stam. Of wel, omdat het erfdeel van Simeon een aanhangsel was van dat van Juda is die stam mee in de zegen van Juda begrepen. In sommige afschriften van de LXX is Simeon bij Ruben gevoegd: Dat Ruben leve en niet sterve, en dat Simeon velen in getal zij.