Job 11:1-6
Het is treurig te zien hoe zelfs wijze en Godvruchtige mannen zich soms in het vuur hunner twistredenen tot drift en hartstocht laten vervoeren. Zofar is hier een voorbeeld van. Elifaz begon met een zeer bescheiden inleiding, Hoofdst. 4:2. Bildad viel Job al met meer ruwheid aan Hoofdst. 8:2. Maar Zofar valt hem geheel onbarmhartig aan met zeer onvriendelijke woorden. Zou een klapachtig man recht hebben? Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen? Is dit nu de manier om Job te troosten? Neen en ook niet om hem tot overtuiging te brengen. Betaamt dat iemand, die optreedt om te spreken voor God en Zijn gerechtigheid? "Tantoene animis caelestibus irae. Kan in mensen met een hemels gemoed zodanige toorn wonen?" Zij die zich tot twistredenen begeven, zullen het zeer moeilijk vinden om hun kalmte van gemoed te bewaren. Al hun wijsheid, voorzichtigheid en vastberadenheid zullen niet beletten dat zij zich uitlaten met een onbetamelijkheid als die, waaraan Zofar zich hier schuldig maakt.
1. Hij stelt Job anders voor dan hij is, vers 2, 3. Zijn rede noemt hij onbeschaamd en nutteloos, hij is iemand, die gaarne zichzelf hoort spreken. Hij logenstraft wat hij gezegd heeft, en noemt hem een spotter, en dit alles wil hij doen doorgaan voor een rechtmatige bestraffing van Job. Zij, die met hun broederen willen twisten, vinden het nodig hen en hun daden in de zwartste kleuren voor te stellen, hen terecht of ten onrechte, hatelijk te maken. Wij hebben in de vorige hoofdstukken Jobs redenen gelezen en ze met opmerkzaamheid beschouwd, en wij hebben bevonden dat zij vol waren van gezond verstand en zeer ter zake, dat zijn beginselen recht, zijn argumenten krachtig en steekhoudend waren. Vele van zijn uitdrukkingen waren van groot gewicht en betekenis, en wat er van drift en hartstocht in opgemerkt werd, kan in liefde verontschuldigd en voorbijgezien worden. Maar Zofar stelt hem hier hatelijk voor:
A. Als een man, die nooit nadacht over hetgeen hij zei, maar sprak wat hem voor de mond kwam, alleen maar om door de veelheid van zijn woorden gerucht te maken, in de hoop op die wijze gelijk te krijgen en zijn bestraffers in het ongelijk te stellen. Zou de veelheid van de woorden niet beantwoord worden? Soms doet het er waarlijk niet heel veel toe, of zij al of niet beantwoord wordt, en is zwijgen de beste weerlegging van onbeschaamd spreken: "antwoordt de dwaas niet naar zijn dwaasheid." Maar als zij beantwoord wordt, laat dan het antwoord door verstand en genade, niet door hoogmoed en hartstocht gegeven worden. Zou een klapachtig man, een veelspreker, een man van lippen, dat is: van geheel tong, "vox et praeterea nihil-niets dan een stem- "gerechtvaardigd worden? Zal hij gerechtvaardigd worden in zijn praatachtigheid, gelijk hij zou zijn, indien hij er niet voor bestraft werd? Neen, want in de veelheid van de woorden ontbreekt de overtreding niet. Zal hij er door gerechtvaardigd worden? Zullen vele woorden doorgaan voor geldige argumenten? Zal hij door bloemrijkheid van taal de overwinning behalen? Neen, want hij zal door zijn vele spreken noch aan God, noch aan verstandige mensen welgevallig zijn, Mattheus 6:7.
B. Als een man, die niet eerlijk was in zijn spreken, een leugenaar, die door de onbeschaamdheid van zijn leugenen zijn tegenstanders tot zwijgen hoopt te brengen: Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen? een spotter iemand die met het gehele mensdom de draak steekt, aan alles een valse schijn weet te geven en zich niet schaamt ieder, die met hem spreekt, te bedriegen. Zoudt gij spotten en niemand u beschamen? Is het niet tijd om te spreken, die geweldige vloed in zijn loop te stuiten? Job was niet waanzinnig, maar sprak woorden van waarheid en van een gezond verstand en toch wordt hij aldus verkeerd voorgesteld. Elifaz en Bildad hadden hem geantwoord en gezegd wat zij konden, om hem te beschamen, en daarom was het geen bewijs van Zofars grootmoedigheid, om een man met zoveel heftigheid aan te vallen, die reeds zo gekweld en afgemat was: hier waren drie tegen een.
2. Hij beschuldigt Job gezegd te hebben wat hij niet gezegd had, vers 4. Gij hebt gezegd: Mijn leer is zuiver. En al zou hij dit nu ook gezegd hebben, wat dan nog? Het is waar, Job was gezond in het geloof, rechtzinnig in zijn oordeel, en sprak beter van God dan zijn vrienden, indien hij zich onvoorzichtig heeft uitgelaten, dan volgt hier nog niet uit dat zijn leer vals was. Maar hij beschuldigt hem gezegd te hebben: Ik ben rein in Uw ogen. Job had dit niet gezegd, hij had wel gezegd: Het is in Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben Hoofdst. 10:7, maar hij heeft ook gezegd: Ik heb gezondigd, en nooit heeft hij aanspraak gemaakt op vlekkeloze volmaaktheid. Hij had voorzeker gezegd en staande gehouden dat hij geen geveinsde was, zoals zij van hem beweerden, maar hier nu uit af te leiden dat hij zich niet als zondaar wilde bekennen, was een onrechtvaardige aantijging. Wij behoren aan de woorden en daden van onze broederen de best mogelijke uitlegging te geven, maar twistredenaars zijn maar al te zeer in verzoeking om ze in de ongunstigste zin op te vatten.
3. Hij doet een beroep op God, en wenst dat Hij tegen Job op zal treden. Zo vast is hij er van overtuigd dat Job ongelijk heeft, dat hij met niets minder tevreden kan zijn, dan dat God onmiddellijk zal verschijnen om hem tot zwijgen te brengen en te veroordelen. Gewoonlijk zijn wij geheel bereid om met al te grote verzekerdheid God in onze twisten te betrekken en te denken dat, zo Hij slechts wilde spreken, Hij onze partij zou kiezen, ten onze gunste zou spreken, zoals Zofar hier, Och of God sprak, want dan zou Hij gewis Zijn lippen tegen u openen, maar toen God heeft gesproken, heeft Hij Zijn lippen voor Job geopend en tegen zijn vrienden. Wij moeten inderdaad alle geschillen door het oordeel Gods laten beslissen, want wij zijn er zeker van dat Zijn oordeel naar waarheid is, maar diegenen hebben niet altijd gelijk, die het ijverigst zijn om zich op het oordeel Gods te beroepen, en reeds vooruit beslissen dat het ten nadele van hun tegenstanders zal zijn.
Zofar wanhoopt er aan zelf Job tot overtuiging te brengen, en daarom begeert hij dat God hem zal overtuigen van twee dingen, en voor ieder van ons zal het goed zijn om die twee dingen behoorlijk te overwegen en onder al onze beproevingen blijmoedig te belijden.
A. De ondoorgrondelijke diepte van Gods raad. Zofar maakt er geen aanspraak op dat hij dit kan, maar hij wenst dat God zelf hem zoveel van de verborgenheden van de Goddelijke wijsheid zal tonen, dat hij er van overtuigd zal worden, dat zij minstens het dubbel zijn van hetgeen is, vers 6. Er zijn verborgenheden in de Goddelijke wijsheid, "arcana imperii-staatsgeheimen." Gods weg is in de zee, wolken en donkerheid zijn rondom Hem, Hij heeft redenen van staat, die wij niet kunnen doorgronden, en niet moeten willen bespieden. Wat wij van God weten, is niets in vergelijking van hetgeen wij niet van Hem kunnen weten. Wat verborgen is, is meer dan het dubbel van hetgeen geopenbaard is, Efeziers 3:9. Door ons bezig te houden met de diepten van deze Goddelijke raad, waarvan wij de bodem niet kunnen vinden, te aanbidden, zullen wij ons hart onder de beproevende hand Gods grotelijks tot rust kunnen brengen. God weet veel meer kwaad van ons, dan wijzelf weten-zo verstaan sommigen het. Toen God aan David inzicht en bewustheid van zonde had gegeven, zei hij, dat "Hij hem in het verborgene wijsheid had bekend gemaakt," Psalm 51:8.
B. De onwraakbare gerechtigheid van Zijn handelingen: "Weet daarom, dat hoe zwaar de straf zij, die over u gekomen is, God toch minder van u eist dan uw ongerechtigheid verdient," vers 6. Of, zoals sommigen het lezen: "Hij scheldt u een deel uwer ongerechtigheid kwijt, en handelt niet ten volle met u naar dat uw ongerechtigheid het verdiend heeft." Als de schuld van de plicht niet betaald wordt, dan is het recht om de schuld van de straf in te vorderen. Welke straf ons ook opgelegd wordt in deze wereld, wij moeten erkennen dat zij geringer is dan onze ongerechtigheden verdiend hebben, inplaats dus van te klagen over onze ellende, moeten wij dankbaar wezen, dat wij niet in de hel zijn, Klaagliederen 3:39, Psalm 103:10.