Markus 8:1-9
Wij hebben de geschiedenis gehad van een wonder, dat zeer veel overeenkomst had met dit wonder, in hoofdstuk 6:25, en het verhaal van hetzelfde wonder in Mattheus 15:32, en wij hebben er hier weinig verandering of toevoeging bij. Doch er valt op te merken:
1. Dat onze Heere Jezus door zeer velen gevolgd werd, er was een zeer grote schare, vers 1. In weerwil van de boze kunstenarijen van de schriftgeleerden en Farizeeën om Hem te bekladden en Zijn invloed te verbreken, heeft het gemene volk, dat eerlijker en dus ook wijzer was dan hun leidslieden, hoge gedachten van Hem blijven koesteren. Wij mogen aannemen dat deze schare van mensen over het algemeen tot de lagere volksklasse behoorden, met de zodanige sprak Christus op gemeenzame wijze, want aldus heeft Hij zich zelven vernederd, en aldus heeft Hij ook de geringsten aangemoedigd om tot Hem te komen, ten einde leven en genade te verkrijgen.
2. Zij, die Hem volgden, ondervonden hierbij grote moeilijkheden. Zij waren drie dagen bij Hem gebleven, en hadden niet wat zij eten zouden. Dat was een harde dienst. Laat de Farizeeën nooit zeggen dat de discipelen van Christus niet vasten. Er waren waarschijnlijk wel sommigen, die voedsel van huis medegenomen hadden, maar nu was alles op, en zij hadden een langen weg af te leggen om tehuis te komen, en toch bleven zij bij Christus, en spraken niet van Hem te verlaten, voordat Hij hen wegzond. Ware ijver acht ontbering van weinig belang, als zij op den weg des plichts geleden wordt. Zij, die een rijken feestmaaltijd hebben voor hun ziel, kunnen wel tevreden zij met slechts weinig spijze voor het lichaam. De Puriteinen plachten te zeggen: Bruin brood met het Evangelie is heerlijke kost.
3. Gelijk Christus medelijden had met allen, die gebrek hadden of zich in verlegenheid bevonden, zo is Hij zeer bijzonder door ontferming bewogen over hen, die in verlegenheid zijn gekomen door hun ijver om Hem te volgen. Christus zei: Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare. Op wie de trotse Farizeeën met minachting neerzagen, heeft de nederige Jezus neergezien met tederheid en medelijden, en aldus moeten wij een iegelijk eren. Maar wat Hij voornamelijk bedenkt, is: Zij zijn nu drie dagen bij Mij gebleven, en hebben niet wat zij eten zouden. Welk verlies wij ook lijden om Christus' wil, en aan welke ontbering wij ook zijn blootgesteld uit liefde tot Hem, Hij zal er voor zorgen dat het ons vergoed wordt. Die den Heere zoeken zullen niet lang gebrek hebben aan enig goed. Psalm 34:11. Merk op met wat medegevoel Christus zei (vers 3): Indien Ik hen nuchteren naar hun huis laat gaan, zo zullen zij op den weg bezwijken van honger. Christus kent ons lichaamsgestel, Hij weet wat maaksel wij zijn, en Hij is voor het lichaam, indien wij er Hem mede verheerlijken, dan zullen wij voorzeker gevoed worden, Psalm 37:3 1). Hij overwoog dat velen hunner van verre kwamen, en dus een langen weg hadden af te leggen om naar huis te komen. Als wij grote scharen zien, die komen om het woord te horen, dan is het troostrijk te denken, dat Christus weet vanwaar zij allen komen, al weten wij het niet. Ik weet uwe werken en waar gij woont, Openbaring 2:13. Christus wilde volstrekt niet dat zij nuchteren naar huis zouden gaan, want Hij is niet gewoon diegenen ledig weg te zenden, die op de rechte wijze tot Hem zijn gekomen.
4. De twijfelingen van Christenen zullen soms medewerken om Christus' macht te verheerlijken. De discipelen konden zich niet voorstellen hoe zo groot een aantal mensen hier in de woestijn met brood verzadigd kon worden, vers 4. Datgene moet dus wel als wonderbaarlijk beschouwd worden, wat door de discipelen als onmogelijk geacht werd. 5. Christus' tijd om handelend op te treden tot verlichting en hulp Zijns volks is gekomen, wanneer de nood op het uiterste is, als zij op het punt zijn van te bezwijken, dan voorziet Christus in hun behoefte. Opdat zij Hem niet om de broden zouden volgen, voorzag Hij er hun pas van toen zij het hoog-nodig hadden, en daarna zond Hij hen weg.
6. Christus' milddadigheid is onuitputtelijk en, om dit te doen blijken, herhaalde Christus dit wonder, ten einde te tonen, dat Hij nog dezelfde is, om Zijn volk te ondersteunen en van het nodige te voorzien. Zijne gunsten worden vernieuwd, gelijk ook onze noden en behoeften vernieuwd worden. Bij het vorige wonder gebruikte Christus al den voorraad, dien Hij had, welke bestond uit vijf broden, en Hij spijzigde al Zijne gasten, en dat waren vijfduizend. Zo deed Hij ook nu, hoewel Hij had kunnen zeggen: Indien met vijf broden vijf duizend mensen gevoed werden, dan kunnen vier duizend mensen met vier broden gevoed worden, nam Hij al de zeven broden en heeft er de vierduizend personen mede gespijzigd, want Hij wilde ons leren de dingen te nemen zoals zij zijn, en er ons naar te schikken, te gebruiken wat wij hebben en partij te trekken van hetgeen er is. En het ging hier als bij het uitdelen van het manna: Degene, die veel verzameld had, had niets over, en degenen, die weinig verzameld had, ontbrak niet.
7. In het huis onzes Vaders, het huis onzes Meesters, is overvloed van brood. Er is in Christus ene volheid, die Hij mededeelt aan alles wat door Zijne handen gaat, zodat wij daaruit ontvangen ook genade voor genade, Johannes 1:16. Diegenen, die Christus hebben om op te leven en te teren behoeven geen gebrek te vrezen.
8. Het is voor hen, die Christus volgen, goed dat zij zich aaneenhouden, deze volgelingen van Christus bleven bij elkaar, vierduizend, en Christus heeft hen allen gevoed. Christus' schapen moeten bij de kudde blijven, in hun voetstappen gaan, en dan zullen zij voorzeker gevoed worden.