Markus 13:1-4
Wij kunnen hier zien:
I. Hoe geneigd velen van Christus' eigen discipelen geweest zijn, om de dingen te vergoden, die een groot en groots aanzien hadden, en gedurende langen tijd als heilig beschouwd werden. Zij hadden Christus horen klagen over hen, die den tempel tot een moordenaarshol hadden gemaakt, en toch hebben zij, toen Hij er van vertrok, wegens de goddeloosheid, die er in bleef, Hem aangezocht om met het statige gebouw en de versierselen er van even ingenomen te zijn als zij dit waren. Een hunner zei tot Hem: "Meester! zie hoedanige stenen en hoedanige gebouwen! vers 1. Nooit hebben wij in Galilea iets dergelijks gezien, o verlaat deze heerlijke plaats toch niet."
II. Hoe weinig waarde Christus hecht aan uiterlijke pracht, waar geen wezenlijke reinheid is. Ziet gij deze grote gebouwen, zegt Christus, en bewondert gij ze? Ik zeg u, de tijd is nabij wanneer niet een steen op den anderen steen gelaten zal worden, die niet afgebroken zal worden, vers 2. De pracht van dit gebouw zal het niet beveiligen, en in den Heere Jezus geen medelijden er voor opwekken. Hij ziet met ontferming neer op het verderf van kostelijke zielen, en weent over haar, want op dezen stelt Hij een zeer hogen prijs, maar wij bevinden niet dat Hij met enigerlei leedwezen het verderf aanschouwt van een prachtig huis, als Hij er door de zonde is uitgedreven, want zulk een huis heeft weinig waarde in Zijn oog. Met hoe weinig kommer of leedgevoel zegt Hij: Er zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden. De sterkte en soliditeit van den tempel bestond grotendeels in de grootte der stenen, en als dezen neergeworpen zijn, zal er spoor noch herinnering van overblijven. Zolang er nog een gedeelte van bleef staan, kon er nog hoop gevoed worden voor ene herstelling, maar welke hoop is er, als niet een steen op den anderen gelaten zal worden?
III. Hoe natuurlijk het voor ons is, te willen weten wat er in de toekomst zal geschieden, en er ook het tijdstip van te willen weten. Wij zullen dikwijls meer verlangend zijn deze dingen te weten, dan te weten wat onze plicht is. Zijne discipelen wisten niet hoe zij deze leer van den ondergang des tempels moesten opnemen. Zij beschouwden den tempel als het koninklijk paleis van hun Meester, waarin zij verwachtten tot hoge ambten bevorderd te zullen worden, daarom waren zij in bekommernis, totdat zij met Hem alleen waren en omtrent deze zaak meer van Hem zouden vernemen. Toen Hij dus terugkeerde naar Bethanië, zat Hij neer op den Olijfberg, tegenover den tempel, vanwaar Hij er het volle gezicht op had, en aldaar zijn vier van hen overeengekomen Hem alleen, dat is in een bijzonder onderhoud, te vragen, wat Hij bedoelde met de verwoesting van den tempel, die zij evenmin begrepen als zij de voorzeggingen van Zijn dood begrepen hebben, zo weinig paste dit in hun plannen en denkbeelden. Hoewel nu slechts deze vier de vraag gedaan hadden, heeft Christus toch Zijne rede ter beantwoording dier vraag waarschijnlijk ten aanhore van al de discipelen uitgesproken, maar toch in het bijzonder, dat is: niet ten aanhore der schare. Hun vraag luidt: Wanneer zullen deze dingen zijn? Zij willen niet in twijfel trekken-of tenminste daar niet den schijn van hebben-of deze dingen al of niet zijn zullen (want hun Meester had hun gezegd, dat zij zijn zullen) maar zij willen hopen, dat dit nog in de verre toekomst ligt. Toch vragen zij niet nauwkeurig naar den dag en het jaar (hierin waren zij bescheiden) maar zij zeggen: Zeg ons: welk is het teken, wanneer deze dingen allen voleindigd zullen worden? Door welke voortekenen zullen zij voorafgegaan worden?