2 Petrus 1:12-15
I. De belangrijkheid en het voordeel van toeneming en volharding in genade en heiligmaking deed den apostel zeer ijverig zijn in het werk van een dienaar van Christus, ten einde hen daardoor aan te wakkeren en bij te staan om ijverig zijn in de Christelijke plichten. Wanneer dienaren slap en nalatig in hun arbeid zijn, kan men moeilijk verwachten dat de gemeente vlijtig zal zijn in den haren. Daarom wilde Petrus niet verzuimen (dat is nergens, in geen deel van zijn werk en opdracht verzuimen) maar voorbeeldig en overal ijverig zijn, om hun de dingen in gedachtenis te brengen. Dat is de bediening van de beste dienaren, zoals van de apostelen, zij zijn het, die des Heeren doen gedenken, Jesaja 62, 6, zij zijn voornamelijk geroepen om Zijne beloften te verkondigen en om Gode voor te stellen waartoe Hij zich aan de godvrezenden verbonden heeft, en zij moeten de gemeente herinneren aan Gods voorschriften en haar de leerstellingen en plichten van het Christendom voor ogen houden, opdat zij Gods geboden moge naleven. En dat doet de apostel, ofschoon sommigen het onnodig achtten omdat zij de dingen reeds wisten waarover hij schreef, en in de waarheid, die hij bevestigde, geworteld waren.
1. Wij hebben nodig dat ons hetgeen wij reeds weten herinnerd wordt, om te voorkomen dat wij het vergeten, en onze kennis te verbeteren, opdat die in de praktijk vruchten drage.
2. Wij moeten bevestigd worden in het geloof aan de waarheid, opdat wij niet door elke wind van leer bewogen worden, en vooral in dat deel der waarheid, waarvan de kennis in onze dagen meer noodzakelijk is, dat tot onzen vrede behoort en door onzen tijdgeest het meest bestreden wordt. De grote leerstellingen van het Evangelie: dat Jezus is de Christus, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken en dat allen, die in God geloven, ijverig moeten zijn in goede werken, zijn de waarheden, waarop de apostelen in hun tijd aanhielden, dat zijn getrouwe woorden, aller aanneming waardig, in elke eeuw van de Christelijke kerk. En gelijk deze voortdurend door de dienaren moeten bevestigd worden, Titus 3:8, zo moet de gemeente er wel in onderwezen en gefundeerd worden, maar toch moeten ze haar gestadig voor ogen gesteld en ingeprent worden, aangezien ze niet te goed bekend of te vast geloofd kunnen zijn. Ook de meest- gevorderde Christenen staan in deze wereld niet boven de instellingen, of buiten noodzaak van de middelen, die God verordend heeft en doet aanbieden. En daar de gemeente onderwijs en vermaning behoeft zolang zij in deze wereld verkeert, is het zeer betamelijk en recht dat de dienaren, zolang zij in den aardsen tabernakel zijn, haar onderrichten en vermanen, en haar de waarheden herinneren, die zij vroeger heeft gehoord, want dat is het rechte middel om haar aan te wakkeren tot ijverig en levendig gehoorzamen aan het Evangelie.
II. De apostel, van dezen eis doordrongen, deelt ons mede, vers 14, wat hem in deze zaak zo ernstig doet zijn: hij wist niet alleen dat hij zeker, maar daarbij dat hij spoedig zijn tabernakel zou moeten afleggen. Merk op:
1. Het lichaam is slechts de tabernakel van de ziel. Het is een gering en beweeglijk bouwwerk, de pinnen kunnen gemakkelijk uitgetrokken worden en de koorden in een ommezien gebroken.
2. Deze tabernakel moet afgelegd worden. Wij zullen in ons aardse huis niet lang blijven. Zoals wij des avonds onze klederen uittrekken en ter zijde leggen, zo moeten wij bij het sterven onze lichamen uittrekken en worden deze in het graf gelegd tot den morgen der opstanding. 3. De nabijheid van den dood maakt den apostel ijverig in het werk dezes levens. Onze Heere Jezus had hem geopenbaard dat de tijd van zijn vertrek aanstaande was, en daarom arbeidde hij met des te groter ijver en vuur, omdat de tijd kort was. Hij moest spoedig hen, aan wie hij schreef, verlaten, en daar zijn verlangen was dat zij de leer, die hij hun overgeleverd had, in gedachtenis zouden houden wanneer hijzelf van hen genomen was, volbracht hij zijn werk door hun te schrijven. De apostel had geen grote gedachte van mondelinge overlevering. Die was niet het rechte middel om het doel te bereiken, dat hij zich voorgesteld had. Hij wilde dat zij altijd van deze dingen gedachtenis zouden hebben, ze niet alleen in het geheugen bewaren, maar er ook melding van maken, dat ligt in het oorspronkelijke woord. Zij, die den Heere vrezen, vermelden Zijn naam en spreken van Zijne goedertierenheid. Dat is het middel om de kennis des Heeren te verbreiden, en dat was de begeerte van den apostel. Zij, die het geschreven Woord Gods hebben, worden daardoor er toe instaat gesteld.