1 Corinthiërs 9:3-14
Na zijn apostolisch gezag te hebben gehandhaafd gaat hij over tot het verdedigen van de rechten, die tot zijn bediening behoren, vooral tot dat om daarin zijn levensonderhoud te vinden.
I. Dat stelt hij vast vers 3-6. Mijne verantwoording aan degenen, die onderzoek over mij doen is deze:(dat is aan degenen, die mijn gezag onderzoeken of de redenen van mijn gedrag, indien ik een apostel ben). Hebben wij niet de macht om te eten en te drinken? vers 4, geen recht op levensonderhoud? Hebben wij niet macht om ene vrouw, ene zuster zijnde, met ons om te leiden, gelijk ook de andere apostelen, en de broeders des Heeren en Cefas? En dus ook voor haar levensonderhoud te vorderen? Ofschoon Paulus toen ter tijd ongehuwd was, had hij het recht om een vrouw te nemen, wanneer hem dat behaagde, en haar met zich om te leiden, en voor haar, zowel als voor zich zelven van de gemeenten levensonderhoud te verwachten. Misschien had Barnabas ene vrouw, gelijk de andere apostelen zeker hadden, welke zij met zich om leidden. Want dat een echtgenote bedoeld is door ene vrouw een zuster zijnde, is buiten twijfel, want het zou voor de apostelen ten hoogste ongepast geweest zijn, vrouwen met zich om te leiden tenzij deze hun echtgenoten waren. Het woord houdt in dat zij macht over deze vrouwen hadden en van haar verzorging eisen konden, hetgeen van geen andere vrouwen dan echtgenoten of slavinnen kon gevergd worden. Welnu, de apostelen, die voor hun brood arbeidden, zullen wel geen vermogen genoeg gehad hebben om slavinnen te kopen en met zich rond te leiden. Ook zou het niet-geringe verdenking gewekt hebben, zelfs indien ze slavinnen met zich omgeleid hadden, veel meer andere vrouwen met welke ze niet gehuwd waren, en daar zouden de apostelen geen aanleiding toe geven. De apostel beweert daarom eenvoudig, dat hij zo goed als de andere apostelen het recht heeft om te trouwen en levensonderhoud te vorderen ook voor zijne vrouw, zelfs voor zijne kinderen, indien hij die kreeg, zonder daarvoor met eigen handen te behoeven te arbeiden. Of hebben alleen ik en Barnabas gene macht van niet te werken? vers 6. De apostel handhaaft hier, in een woord, het recht voor zich en de zijnen om door de gemeenten onderhouden te worden. Dat waren zij verplicht en mocht hij eisen.
II. Hij gaat er nu toe over met verscheidene bewijzen zijn aanspraak te staven.
1. Door de gewone manieren en verwachting van iedereen. Zij, die zich aan den een of anderen wereldlijken arbeid geven, verwachten dat ze daaruit leven kunnen. Soldaten verwachten soldij voor hun dienst. Landbouwers en herders verwachten levensonderhoud uit hun werk. Die een wijngaard plant, en dien onderhoudt en snoeit, verwacht vrucht, die een kudde hoedt, verwacht daarvan voedsel en kleding.
Wie dient ooit in den krijg op eigen bezoldiging? wie plant een wijngaard en eet niet van zijn vrucht? of wie weidt ene kudde en eet niet van de melk der kudde? vers 7-9. Het is zeer natuurlijk en zeer redelijk, dat dienaren hun levensonderhoud uit hun arbeid verwachten.
2. Hij bewijst het uit de Joodse wetten.
Spreek ik dit naar den mens? of zegt ook de wet hetzelve niet? vers 8. Is het alleen een voorschrift van gezond verstand en algemeen gebruik? Neen, het is ook overeenkomstig de oude wet. God heeft daarin voorgeschreven dat de os, terwijl hij het koren dorste, niet mocht gemuilband worden, hij mocht niet verhinderd er van te eten terwijl hij in dienst was om voor den mens de korrels uit de aren te treden. Maar deze wet was niet voor alles door God gegeven uit zorg voor de ossen, doch om ieder te onderrichten, dat behoorlijke aanmoediging gegeven moet worden aan allen wier diensten wij gebruiken, of die tot ons welzijn arbeiden, de arbeider behoort de vrucht van zijn arbeid te genieten. Die ploegt moet op hoop ploegen, en die op hoop dorst moet zijner hoop deelachtig worden, vers 10. De wet zegt dit van de ossen om onzentwil. Zij, die zich zelven er aan wijden om ons goed te doen, mogen niet gemuilband worden, maar moeten van levensonderhoud voorzien worden.
3. Hij bewijst het uit de gewone billijkheid.
Indien wij ulieden het geestelijke gezaaid hebben, is het een grote zaak, zo wij het uwe, dat lichamelijk is, maaien? Wat zij gezaaid hadden was veel beter dan hetgeen ze hoopten te maaien. Zij hadden hun den weg ten eeuwigen leven onderwezen en hartelijk gearbeid om hen daarvan in bezit te stellen. Het was waarlijk geen grote zaak, terwijl zij zich geheel aan dat werk gaven, het onderhoud voor hun tijdelijk leven van hen te verwachten. Zij waren de werktuigen geweest, die hun de grotere, de geestelijke zegeningen gebracht hadden, en zouden ze nu niet het recht hebben om van hen zulk een aandeel in lichamelijke dingen te verwachten, als nodig was om in hun tijdelijke behoeften te voorzien? Zij, die geestelijke zegeningen ontvangen door de bediening des Woords, moeten hun, die in dat werk bezig zijn, hun onderhoud niet misgunnen. Indien zij werkelijk zegen genoten hebben, zou men denken dat zij het hun niet misgunnen konden. Hoe, zouden ze zoveel goeds ontvangen, en zo weinig goeds misgunnen? Is dat dankbaar of billijk?
4. Hij bewijst het uit den onderstand, dien zij anderen verleenden. Indien anderen deze macht over u deelachtig zijn, waarom niet veel meer wij? Gij vergunt anderen deze macht en stemt toe dat dit rechtvaardig is, maar wie heeft er van de gemeente te Corinthe zoveel recht op als ik? Wie heeft groter bewijzen van apostolische zending gegeven? Wie heeft zoveel onder u gearbeid, of zoveel diensten u bewezen? Dienaren moeten gewaardeerd en van het nodige voorzien worden overeenkomstig hun waarde. Doch wij hebben deze macht niet gebruikt, zegt de apostel, maar wij verdragen het alles, opdat wij niet enige verhindering geven aan het Evangelie van Christus. Wij hebben niet gestaan op onze rechten, maar zijn liever in bekrompen omstandigheden geweest om de belangen van het Evangelie te dienen en de redding van zielen te bevorderen. Hij doet liever afstand van zijn rechten, dan dat hij door ze te handhaven het welslagen van zijn werk verhinderen zou. Hij verloochende zich zelven uit vrees van aanstoot te geven, maar handhaafde zijn rechten, indien zijn zelfverloochening zou blijken den dienst te benadelen. Hij, die een edelmoedige minachting van zijn eigen rechten toont, is het meest geneigd om krachtdadig voor die van anderen te pleiten. Het is duidelijk dat de apostel in dit geval door het beginsel van rechtvaardigheid, en niet van zelfliefde geleid wordt.
5. Hij toont het aan uit de oude Joodse instellingen. Weet gij niet dat degenen, die de heilige dingen bedienen, van het heilige eten? en die steeds bij het altaar zijn, met het altaar delen? vers 13. Zo de Joodse priesterschap onderhoud vond uit de heilige dingen, die geofferd werden, zullen dan de Christelijke dienaren uit hun dienst niet leven? Is er niet evenveel reden voor ons om onderhouden te worden als voor hen? Hij noemt dit een instelling van Christus. Alzo heeft ook de Heere verordend degenen, die het Evangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie leven, vers 14, een recht op onderhoud hebben, ofschoon zij dat misschien niet handhaven of er op aandringen. Het is der mensen verplichting hun dienaar te onderhouden, dat is Christus' instelling, ofschoon het niet de plicht van iedere dienaar is daaraan te herinneren of het aan te nemen. Hij mag van zijn recht afstand doen, gelijk Paulus deed, zonder daardoor te zondigen, maar zij die het ontkennen of terughouden, overtreden ene instelling van Christus. Zij, die het Evangelie verkondigen, hebben het recht ervan te leven, en zij die van hun dienst gebruik maken, maar niet aan hun onderhoud denken, komen veel tekort in hun verplichting tegenover Christus en in den eerbied, aan de dienaren verschuldigd.