Galaten 2:11-21
I. Uit het verhaal dat Paulus geeft van hetgeen tussen hem en de andere apostelen te Jeruzalem voorgevallen was, konden de Galatiërs gemakkelijk besluiten tot de valsheid van hetgeen zijn vijanden hem aangaande rondstrooiden, en tot hun eigen dwaasheid en zwakheid in het afwijken van het Evangelie, dat hun verkondigd was. Maar om groter gewicht te geven aan hetgeen hij gezegd had en hen des te beter te sterken tegen de beschuldiging van de Judese leraren, deelt hij hun een andere ontmoeting mede, welke hij te Antiochië met Petrus gehad had, en wat er toen gebeurd was, vers 11-14. Antiochië was een der voornaamste gemeenten van Christenen uit de heidenen, gelijk Jeruzalem was voor hen. die uit het Judaisme tot het Christendom bekeerd waren. Er is geen schijn of schaduw voor de onderstelling, dat Petrus bisschop van Antiochië was. Ware hij dat geweest, dan zou Paulus hem niet tegengestaan hebben in zijn eigen gemeente, zoals wij hier zien dat hij deed. Integendeel, hier is sprake van een toevallig bezoek, dat Petrus daar bracht. Bij hun vorige ontmoeting waren zij het geheel eens geweest. Petrus en de andere apostelen hadden Paulus roeping erkend en zijn leer goedgekeurd, en zij waren als zeer goede vrienden gescheiden. Maar nu zag Paulus zich verplicht om Petrus tegen te staan omdat hij te bestraffen was, een duidelijk bewijs dat hij niet de mindere van Petrus was, en dus ook van de zwakheid van des pausen bewering van opperschappij en onfeilbaarheid, als opvolger van Petrus. Wij letten hier op:
1. Petrus' fout. Toen hij tot de gemeenten uit de heidenen kwam, ging hij met hen om en at met hen, ofschoon zij niet besneden waren, overeenkomstig de voorschriften, die zeer bepaald aan hen gegeven waren, Handelingen 10, toen hij door een hemels gezicht gewaarschuwd was om niets gemeen of onrein te achten. Maar toen er enige Joodse Christenen van Jeruzalem kwamen, onttrok hij zich van de heidenen, alleen om te behagen aan hen, die uit de besnijdenis waren, en uit vrees van hun aanstoot te geven, hetgeen ongetwijfeld een grote belediging en ontmoediging voor de gemeenten uit de heidenen was. Toen onttrok hij zich en scheidde zich af. Zijn fout had slechten invloed op de anderen, want ook de andere Joden veinsden met hem, ofschoon zij vroeger beter gezind waren, volgden zij zijn voorbeeld en maakten ook bezwaar om met de heidenen te eten, voorgevende dat hun geweten het hun niet toeliet, omdat dezen niet besneden waren. En (wie zou het gedacht hebben!) Barnabas zelf, een van de arbeiders onder de heidenen, en een die veel gediend had in planten en natmaken van de gemeenten uit de heidenen, werd mede afgetrokken door hun veinzing. Merk hier op:
A. De zwakheid en onstandvastigheid ook van de beste mensen, wanneer ze aan zich zelven overgelaten worden, en hoe geneigd zij zijn om tekort te komen in hun plicht jegens God, uit het verkeerd beginsel om mensen welgevallig te zijn. En
B. De grote kracht van kwade voorbeelden, vooral voorbeelden van grote en goede mensen, die in den roep van wijsheid en deugd staan.
2. De bestraffing, welke Paulus hem geeft. Niettegenstaande Petrus' ambt, nu hij bemerkt hoe deze zich gedraagt tot groot gevaar van de waarheid des Evangelies en den vrede der gemeente, deinst hij niet er voor terug om hem te bestraffen. Paulus bleef ongeschokt in zijn beginselen, ook wanneer anderen wankelden, hij was zo goed een Jood als een hunner (een Hebreeër uit de Hebreeën), maar hij wilde zijne bediening als apostel der heidenen heerlijk maken, en daarom niet dulden dat zij ontmoedigd of vertrapt werden. Toen hij zag dat zij niet recht wandelden naar de waarheid van het Evangelie, dat zij niet leefden naar het beginsel, dat het Evangelie leerde en dat zij hadden beleden aan te nemen en te omhelzen, namelijk dat door den dood van Christus de scheidsmuur tussen Joden en heidenen afgebroken was en dat gehoorzaamheid aan de wet van Mozes niet langer vereist werd, -toen hij dat zag, bestrafte hij Petrus in het openbaar, omdat de zonde in het openbaar begaan was.
Hij zei tot hem in aller tegenwoordigheid: Indien gij, die een Jood zijt, naar heidense wijze leeft en niet naar Joodse wijze, waarom noodzaakt gij de heidenen naar Joodse wijze te leven? Het ene gedeelte van zijn gedrag was in tegenspraak met het andere, want indien hij, die een Jood was, zich zelven zo nu en dan ontsloeg van de gebruiken der ceremoniële wet en leefde op de wijze der heidenen, dan toonde dit dat hij het onderhouden van die plechtigheden niet meer noodzakelijk achtte, zelfs niet voor de Joden. Dus kon hij ze ook niet, volgens zijn eigen handelwijze, opleggen aan de heidenen. En daarvan beschuldigt Paulus hem, dat hij de Christenen uit de heidenen noodzaakte naar Joodse wijze te leven, niet door het hun rondweg te bevelen, maar dat was de noodzakelijke gevolgtrekking uit zijn gedrag, want daar kon niet anders uit blijken, dan dat de heidenen overgaan moesten tot de Joden en anders in de Christelijke gemeenschap niet toegelaten konden worden.
II. Nadat Paulus aldus zijn hoedanigheid en bediening gehandhaafd had en voldoende aangetoond dat hij niet minder was dan de andere apostelen, ook niet dan Petrus zelf, neemt hij uit het verhaal van de bestraffing, welke hij dezen toediende, aanleiding om te spreken over het grote fundamentele leerstuk van het Evangelie. Dat de rechtvaardigmaking alleen uit het geloof in Christus, en niet uit de werken der wet is (ofschoon sommigen denken dat al wat hij schreef tot aan het einde van dit hoofdstuk weergeeft wat hij te Antiochië tot Petrus zei, welk leerstuk door Petrus werd tegengesproken door zijn veinzing met de Joden). Want indien het zijn beginsel was, dat het Evangelie het middel tot onze rechtvaardigmaking is en niet de wet, dan deed hij zeer verkeerd door hen te steunen, die de wet in stand hielden, en haar mengden onder het geloof in het werk van onze rechtvaardigmaking. Dat was de leer, die Paulus onder de Galatiërs verkondigd had en waarbij hij bleef volharden, en zij is het grote onderwerp in dezen brief besproken en bevestigd. Hieromtrent nu deelt Paulus ons mede:
1. De gedragslijn van de Joodse Christenen zelven. Wij zijn, zegt hij, van nature Joden en niet zondaars uit de heidenen (zelfs wij die geboren en opgevoed zijn in den Joodsen godsdienst, en niet onder de onreine heidenen).
Wetende dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der wet, maar door het geloof van Jezus Christus, zo hebben wij ook in Christus Jezus geloofd, opdat wij zouden gerechtvaardigd worden uit het geloof van Christus, en niet uit de werken der wet. En indien wij het nodig geacht hebben onze rechtvaardigmaking te zoeken in het geloof van Christus Jezus, waarom zullen we ons zelven dan nog met de wet kwellen? Waarom geloofden wij in Christus? Was het niet opdat wij door het geloof van Christus gerechtvaardigd zouden worden? En dat zo zijnde, is het dan geen dwaasheid terug te gaan tot de wet en te verwachten gerechtvaardigd te worden hetzij door de verdiensten van zedelijke werken, hetzij door den invloed van plechtige offeranden en reinigingen? En als dat verkeerd is van ons, die van nature Joden zijn, om tot de wet weer te keren en daardoor rechtvaardigmaking te verwachten, zou het dan niet nog veel verkeerder zijn om dat van de heidenen te eisen, die er nooit aan onderworpen waren, nu door de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd wordt? Om daar nog meer gewicht aan te geven, voegt hij er bij, vers 17 :Maar indien wij, die in Christus zoeken gerechtvaardigd te worden, ook zelven zondaars bevonden worden, is dan Christus een dienaar der zonde? Indien, terwijl wij de rechtvaardigmaking in Christus alleen zoeken, en anderen leren dat ook te doen, wij zelven steun en inwilliging aan de zonde geven, of voor zondaren uit de heidenen gerekend worden, tenzij wij de wet van Mozes onderhouden, is Christus een dienaar van de zonde. Volgt er niet uit dat Hij dat is, wanneer Hij ons een leer geeft, die ons vrijheid schenkt om te zondigen, of waardoor wij zo ver van de rechtvaardigmaking af zijn, dat wij onreine zondaren blijven en onwaardig om omgang mee te hebben? Dit, zegt hij, zou het noodzakelijk gevolg zijn, maar hij verwerpt die gedachte met afschuw. Dat zij verre! Zouden wij zo iets van Christus of van Zijne leer denken, dat Hij ons in een weg tot rechtvaardigmaking zou leiden, die gebrekkig en onvoldoende is, en hen die haar omhelzen, toch ongerechtvaardigd laat, of die de minste aanmoediging tot zondigen zou geven? Dat zou zeer oneervol voor Christus zijn en daarom ook zeer beledigend voor hen.
Want, zegt hij, vers 18, indien ik hetgeen ik afgebroken heb, wederom opbouw, indien ik, die geleerd heb dat het onderhouden van de Mozaïsche wet nodeloos is tot rechtvaardigmaking, nu door woord of daad leer of aanduid dat het wel noodzakelijk is, zo stel ik mij zelven tot een overtreder. Ik beken dan dat ik nog een onreine zondaar ben, niettegenstaande mijn geloof in Christus, en ik zal schuldig staan aan bedrog en misleiding en handelen tegen mijn eigen leer in. Zo handhaaft de apostel het grote leerstuk van de rechtvaardigmaking door het geloof zonder de werken der wet, uit de beginselen en daden der Joodse Christenen zelven en uit de gevolgen, die deze met zich brengen, waaruit bleek dat Petrus en de andere Joden groot onrecht deden toen zij weigerden om te gaan met de Christenen uit de Heidenen en trachtten dezen te brengen onder het juk der wet.
2. Hij zegt ons wat zijn eigen oordeel en handelwijze zijn.
A. Dat hij dood was voor de wet. Hoe ook anderen met de wet rekenen mochten, hij was dood voor haar. Hij wist dat de zedelijke wet een vloek uitsprak over allen, die niet bleven in al hetgeen daarin geschreven was, om dat te doen, en daarom was hij dood voor haar, en voor alle hoop om door haar rechtvaardigmaking en behoudenis te verwerven. Wat de ceremoniële wet aangaat, hij wist dat die nu verouderd en vervuld was door de komst van Christus, en daarom, nu het lichaam gekomen was, had hij niet langer eerbied voor de schaduw. Hij was dus door de wet der wet gestorven: zij bewees zelf dat ze aan haar einde gekomen was. Bij beschouwing van de wet zelf zag hij, dat er gene rechtvaardigmaking verkregen worden kon door hare werken (aangezien niemand die volmaakt gehoorzamen kon) en dat er geen behoefte meer bestond aan haar offeranden en reinigingen, sinds die vervuld waren in Christus en er een eind aan gemaakt was door Zijne zelfofferande voor ons, en daarom, hoe meer hij de zaak beschouwde, des te meer zag hij dat er geen reden bestond om de wet in achting te houden op de wijze, die door de Joden bepleit werd. Maar ofschoon hij alzo der wet gestorven was, beschouwde hij zich niet als zonder wet. Hij had afgezien van alle rechtvaardigmaking door hare werken en was ongezind om langer haar juk te dragen, maar hij was er verre af om nu te denken dat hij ook ontslagen was van zijn plicht jegens God, integendeel, hij was der wet gestorven, opdat hij Gode leven mocht. De leer van het Evangelie, die hij omhelsd had, in plaats van den band zijner verplichting te verslappen, versterkte en bevestigde die, en daarom ofschoon hij dood was voor de wet, was dat alleen opdat hij een nieuw en beter leven voor God leven zou, zie Romeinen 7:4, 6, zulk een leven dat Gode behagelijker en aannemelijker zou zijn dan de vervulling van de Mozaïsche wet nu kon zijn, dat is een leven door en onder den invloed van het geloof van Christus, van heiligheid en rechtvaardigheid voor God. Dientengevolge zegt hij ons:
B. Dat, ofschoon hij der wet gestorven was, hij Gode leefde door Jezus Christus, vers 20.
Ik ben met Christus gekruist, enz. En hier geeft hij ons in zijn eigen persoon een uitnemende beschrijving van het mystieke leven van den gelovige. Hij is gekruisigd, en toch leeft hij, de oude mens is gekruist, Romeinen 6:6, maar de nieuwe mens leeft, hij is dood voor de wereld en dood voor de wet, en toch levend voor God en Christus, de zonde is gedood, de genade levendmakend.
C. Hij leeft, maar niet meer hij. Dat is vreemd.
Ik leef, doch niet meer ik, hij leeft door de werking der genade, hij heeft de vertroostingen en de overwinningen der genade, en toch is dat niet de genade van hem zelven, maar van een ander. De gelovigen zien dat ze leven in een toestand van afhankelijkheid.
D. Hij is gekruisigd met Christus, en nu leeft Christus in hem, dit vloeit voort uit zijn mystieke vereniging met Christus, waardoor hij deel heeft aan den dood van Christus, zodat hij daardoor voor de zonde gestorven is, en ook deel heeft aan het leven van Christus, zodat hij door kracht daarvan Gode leeft.
E. Hetgeen hij in het vlees leeft, dat leeft hij door het geloof, uitwendig beschouwd leeft hij als alle andere mensen, zijn natuurlijk leven wordt onderhouden als dat van alle anderen, toch heeft hij een hoger en edeler beginsel, dat hem onderhoudt en doet handelen: het geloof van Christus, vooral wanneer hij in het oog vat het wonder van liefde, waardoor deze zich zelven voor hem heeft overgegeven. Daardoor komt het dat hij, hoewel levende in het vlees, nochtans niet leeft naar het vlees. Zij, die waarachtig geloof hebben, leven door dat geloof, en de grote zaak, die het geloof vastheid geeft, is de liefde van Christus, waardoor Hij zich zelven voor ons heeft overgegeven. Het grote bewijs van Christus' liefde voor ons is Zijne overgave voor ons, en dat is het wat ons geloof voornamelijk moet aangrijpen, zullen wij voor Hem leven.
Ten slotte. De apostel besluit zijn betoog, door ons mede te delen, dat hij door de leer van de rechtvaardigmaking door Christus, zonder de werken der wet (het ene neemt hij aan, de andere verwerpt hij) twee grote moeilijkheden vermijdt, die uit het tegenovergesteld gevoelen voortspruiten.
1. Hij doet de genade Gods niet teniet, dat doet de leer van de rechtvaardigmaking uit de werken der wet, want, zoals hij in Romeinen 11:6 aangetoond heeft, indien het is uit de werken, dan is het niet meer uit genade.
2. Hij doet den dood van Christus niet teniet, want als de rechtvaardigmaking door de wet komt, dan moet daaruit volgen dat Christus tevergeefs gestorven is. Wanneer wij de verlossing door de wet van Mozes verwachten, dan maken wij den dood van Christus nodeloos, want waarom zou Hij gestorven zijn, indien wij zonder dat sterven behouden worden kunnen?