7. Zo is dan noch hij, die plant, iets, noch hij, die nat maakt (
Johannes 3:27), zodat men recht zou hebben zich naar zijn naam te noemen, maar God, die de groei geeft, is alles in allen (
Colossenzen 3:11.
Psalm 115:1). Hij moest het uitgezaaide vruchtbaar maken, zodat het groeide en het nat maken, zegenen, opdat Hij de groei veroorzaakte.
De apostel beschouwt de gemeente te Corinthiërs als een planting, die haar oorsprong aan hem, aan Paulus, haar groei, die ook uitbreiding naar buiten in zich sluit, aan Apollos te danken heeft, maar beide slechts in zoverre dit menselijke werkzaamheden waren, die God dienden, die de groei bewerkte, zonder wie noch planten noch begieten het tot een gewas zou hebben gebracht. Daardoor wordt de verdienste, dat een gemeente te Corinthiërs bestond, aan die beiden ontnomen, die daartoe op menselijke wijze werkzaam waren geweest en alleen tot God terug geleid.
Hoe moest de Corinthiërs, die door de arbeid van de apostel in die anderhalf jaar (van de herfst van het jaar 52 tot de lente van 54, Handelingen 18:11) uit de woestijn van het Jodendom en de wildernis van de heidenen in de tuin van de kerk waren overgeplant, het hart kloppen bij zijn woorden: "ik heb geplant. " "Hij leerde hun het woord van God" zegt Lukas eenvoudig van het planten van Paulus te Corinthiërs; en wij hebben in het tweede hoofdstuk gelezen hoe hij hun het woord van God leerde, hen inplantend in de vruchtbare grond van de liefde van God, aan het kruis van Christus geopenbaard. Als nu de broeders te Efeze van het planten van de apostel te Corinthiërs hoorden, zonden zij Apollos over; en deze "heeft veel toegebracht aan degenen, die geloofden, door de genade" (Handelingen 18:26). De Heere had hem de schone gave van de genade geschonken het Evangelie van Christus door de gehele Schrift te zien en krachtig in het bewijs voeren, de tegenspraak van de ongelovige Joden te overwinnen, dus het wortel schieten van de planten van de Heere (Jesaja 61:3) in de geestelijke grond van de Schrift en hun ontwikkelen uit de zaden van het woord tot stengels, bladeren, bloesems en vruchten te bevorderen. Daarvan zegt Paulus met blijde erkenning van de gave aan zijn broeder verleend: "Apollos heeft nat gemaakt. " Met hem treedt hij nu echter terug achter Hem, die door het planten en nat maken van Zijn werktuigen alleen het leven van het geplante en natgemaakte heeft teweeg gebracht, namelijk het leven van het geloof - "God heeft groei gegeven. "
Volgens hun mening verhieven de partijmannen de door hen tot partijhoofden gemaakte mannen zeer hoog; maar inderdaad verlaagden zij hen; want door die mensen boven hetgeen behoorlijk is te verheffen, beroven zij hen van hun werkelijke waarde, daar al hun voorrang alleen daarin bestaat, dat zij dienaars van het geloof zijn en niet voor zich, maar voor Christus tot discipelen te winnen.
Niet dat is onrecht, dat de schapen van Christus, die Zijn stem kennen, liever geestelijke en wedergeborene dan vleselijke predikers horen; maar wel moeten die toehoorders vleselijk worden genoemd, als zij bij verschillende gaven van rechtschapen dienaars de ene aanhangen en de andere verachten, ze in het geheel niet of toch zelden horen, waardoor zij zich niet slechts tegen dezen, maar ook tegen God zelf en tegen Zijn woord bezondigen.
Harmonie heeft altijd iets, dat ons treft en bekoort, maar waar blinkt zij ons heerlijker tegen dan wanneer wij het rijk van de natuur en het rijk van de genade opmerkend samen vergelijken? Zowel in het een als in het ander blijkt uit talloze proeven de waarheid van het woord, waarvan de herinnering, zeker niet alleen in de eerste eeuwen van de Christenheid noodzakelijk was. "Zo is dan noch hij die plant iets noch hij, die nat maakt, maar God, die de groei geeft. " - Vergelijken wij het geestelijk akkerwerk van God met wat ons de heerlijke schepping doet aanschouwen, weldra blijkt het ons, dat God in beide dezelfde kracht openbaart. In beide rijken wordt groei gezien; zoals het daarbuiten voortstreeft, van zaaitijd tot bloeitijd, van bloeitijd tot oogst, zo is ook in het Godsrijk niet stilstand, veel minder teruggang, maar gedurige groei de leus en hij vindt dan ook werkelijk plaats, waar eenmaal het goede werk in een zondig hart is begonnen. die groei kunnen intussen beide rijken zichzelf niet geven. Zeker zowel op de akker van het veld als op de akker van het hart hangt er niet weinig van af, of de grond met overleg is bewerkt, of er werkelijk goed zaad is gestrooid, of het gezaaide met voldoende zorg bewaakt, gekweekt en besprengd wordt. Maar met dat al, de groei zelf komt enkel en uitsluitend van boven en het was meer dan een vrome verzuchting, het was beide de uitspraak van geloof en van de diepste levenservaring, die in het woord van Paulus ons tegenklinkt: "die het zaad de zaaier verleent, die vermenigvuldigt ook u gezaaisel en vermeerdert de vruchten van uw gerechtigheid! " (2 Corinthiërs 9:10). Het is daarbij ongetwijfeld van grote betekenis, dat de grote Gever van de groei beide in het rijk van de natuur en van de genade dezelfde regels volgt. In beiden geeft God groei, maar alleen waar eerst in diepe afhankelijkheid van Hem, geplant en natgemaakt is. De middelen van de genade worden bij het verlenen van de groei niet buiten werking gesteld, maar veeleer verondersteld en gevorderd. Al baden vrome ouders van de morgen tot de avond om het eeuwig heil van hun kroost, dat bidden zou spotten zijn als zij hun kinderen niet tevens opvoedden in de lering en vermaning van de Heere. Alleen bij het gebruik van de middelen geeft God voorts de groei onmerkbaar, langzamerhand en met trapsgewijze voortgang. Niet op eenmaal wordt het spruitje een plant en de eikel een eik; niet als door een toverslag staat daar opeens het nieuwe schepsel in Jezus Christus tot goede werken geschapen. De aanvang van het geestelijk leven is doorgaans voor anderen, vaak voor onszelf bedekt; vaders in Christus worden wij niet, als wij niet eerst mannen, mannen niet, als wij niet eerst jongelingen en kinderen in Hem zijn geweest. Daarbij, God geeft de groei, maar op Zijn eigen tijd en op Zijn bijzondere wijze. Evenmin in het rijk van de natuur als in dat van de genade laat Hij op dit punt Zich de wet door één van Zijn schepselen voorschrijven: Hij is de Heer, die doet wat goed is in Zijn ogen. De kracht van alle mensen kan de zomer niet uit een koude lente te voorschijn drijven, maar ook het verstand van alle wijzen de oogstdag niet uitstellen, als hoger wijsheid wil, dat het graan reeds betrekkelijk vroeg gerijpt zal zijn. De ene heester groeit in de zon, de andere in de donkere schaduw; de groei gaat voort in de stilte, maar straks weer wordt hij voorwaarts gestuwd door de storm, die wij meenden dat alles bederven zou en die juist van achteren blijkt, van onberekenbare zegen geweest te zijn. Wij denken vaak dat de boom van ons geestelijk leven zorgvuldig moet worden ontzien en gekoesterd, maar God besnoeit hem zo hard, dat hij geheel schijnt ontluisterd, opdat hij juist zo te rijker vruchten zou dragen. Genoeg, God geeft groei, maar na tijdelijke teleurstelling straks in te overvloediger mate. Misgewas kan er zijn op het gebied beide van de natuur en de geest, maar straks wordt het vervangen door te overvloediger oogst, want daar en hier kan men zeggen, dat Hij, die de groei geeft, die ook werkelijk wil, omdat Hij de God van het leven en van de goedertierenheid is, die onmogelijk kan laten varen het werk van Zijn handen. Behoeft het nog gezegd te worden dat Hij, die zo op tweeërlei grondgebied Zijn heerlijkheid openbaart, dan ook op beide dezelfde hulde verdient? God is het, die de groei geeft! Wat een krachtige roepstem tot danken en bidden, waar dan ook tot werken en wachten. Beschouwingen als deze zijn goed geschikt om ons klein te maken en ons voor onze God in de diepste ootmoed te houden. Met al onze wijsheid en kracht kunnen wij niets doen buiten Hem, die slechts het "groeit en vermenigvuldigt" van het kostbaarst zaad heeft terug te houden en het is verstikt in de aarde. Maar wat een verheffend uitzicht ook daar tegenover en wat een prikkel tot ijverig werken! Hij, die de groei moet geven, Hij wil en zal het ook, waar met een oog op Hem geplant en nat gemaakt is; op teleurstellingen moeten wij altijd voorbereid zijn, maar ook op verrassingen mogen Zijn dienaren rekenen en straks in Zijn naam elkaar toeroepen: "Hef uw hoofden op en aanschouw de landen, want zij zijn al wit om te oogsten! "