Lukas 4:1-13
De laatste woorden van het vorige hoofdstuk, Jezus den zoon van Adam, duiden Hem aan als het Zaad der vrouw, dit zijnde, zien wij Hem hier, overeenkomstig de belofte, den kop der slang vermorzelen, den duivel, die onze eerste ouders door ene verzoeking had bedrogen en overwonnen, in al zijne verzoekingen teleurstellen, zodat hij volkomen verslagen moest afdeinzen. Zo heeft hij reeds bij den aanvang van den krijg weerwraak op hem geoefend, en den overwinnaar overwonnen. In dit verhaal van Christus' verzoeking hebben wij er op te letten:
I. Hoe Hij er op voorbereid en bekwaam gemaakt was. Hij, die Hem de beproeving beschikte, heeft Hem er voor toegerust, want, hoewel wij niet weten wat ons te wachten staat, of welken strijd wij zullen te strijden hebben, wist Christus dit wèl, en dienovereenkomstig was Hij er op bereid, en zo zal God, naar wij hopen, ook voor ons voorzien.
1. Hij was vol van den Heiligen Geest, die, gelijk ene duif, op Hem was nedergedaald. Hij bezat nu de gaven en de vertroostingen des Heiligen Geestes in grotere mate dan ooit tevoren. Diegenen zijn goed gewapend tegen de sterkste verzoekingen, die vol zijn van den Heiligen Geest.
2. Hij was pas wedergekeerd van de Jordaan, waar Hij gedoopt was, en door ene stem uit den hemel erkend was geworden als de geliefde Zoon van God, en aldus was Hij voor dezen strijd toebereid. Als wij de heerlijkste en troostrijkste gemeenschap met God hebben gesmaakt, en het duidelijkste blijk van Zijne gunst hebben ontvangen, dan kunnen wij een aanval verwachten van Satan-het rijkste schip wordt als buit door den zeerover begeerd-,en dat God hem dit zal toelaten, opdat de kracht Zijner genade in ons geopenbaard en verheerlijkt zal worden.
3. Hij werd door den Geest geleid in de woestijn', door den goeden Geest, die Hem als een kampioen naar het strijdperk voerde om te strijden tegen den vijand, dien Hij zeker was te zullen overwinnen. Dat Hij in de woestijn geleid werd,
a. Verschafte aan den verzoeker enig voordeel, want daar had hij Hem alleen, zonder vergezeld te zijn van een vriend. door wiens gebed en goeden raad Hij in de ure der verzoeking bijgestaan kon worden. Wee hem, die alleen is! Hij kon den Satan enig voordeel geven, daar Hij Zijn eigen kracht kende, wij kunnen dat niet, en mogen dit niet, daar wij onze eigen zwakheid kennen.
b. Hij verkreeg voor zich zelven enig voordeel gedurende Zijn veertigdaags vasten in de woestijn. Wij kunnen veronderstellen, dat Hij gans verzonken was in heilige overdenking, in de bepeinzing van hetgeen Hij op zich had genomen om te volbrengen, en het werk dat Hem wachtte, dat Hij al Zijn tijd doorbracht in onmiddellijke, innige gemeenschapsoefening met den Vader, zoals Mozes op den berg, zonder enigerlei afleiding of stoornis. Van al de dagen van Christus' leven in het vlees schijnen dezen het naast bij te komen aan de volmaaktheid van het hemelse leven der engelen en dit heeft Hem bereid voor de aanvallen van Satan, en hierdoor werd Hij er tegen versterkt.
4. Hij bleef vasten, vers 2, Hij at gans niet in die dagen. Dit vasten was gans en al een wonder, evenals het vasten van Mozes en Elia, en toont Hem, evenals hen, te zijn een profeet van God gezonden. Waarschijnlijk was Hij in de woestijn van Horeb, dezelfde woestijn, waarin Mozes en Elia gevast hebben. Gelijk Hij, door zich af te zonderen in de woestijn, zich volkomen onverschillig betoonde voor de wereld, zo heeft Hij zich door Zijn vasten volkomen onverschillig betoond voor het lichaam, en Satan kon niet gemakkelijk vat krijgen op hen, die aldus los zijn van, en dood zijn voor, de wereld en het vlees. Hoe meer wij het lichaam bedwingen, en het tot dienstbaarheid brengen, hoe minder voordeel Satan over ons zal verkrijgen.
II. Hoe Hij aangevallen werd door de ene verzoeking na de andere, en hoe Hij het doel van den verzoeker in iedere aanval verijdelde, en aldus meer dan overwinnaar is geworden. "Veertig dagen werd Hij verzocht van den duivel", vers 2, niet door innerlijke inblazingen, want de overste dezer wereld had aan Christus niets, en hij kon Hem dus geen zondige gedachten ingeven, maar door een uitwendig aanzoeken, wellicht in de gestalte ener slang, zoals toen hij onze eerste ouders heeft verzocht. Maar aan het einde der veertig dagen kwam hij naderbij, is hij, als het ware handgemeen met Hem geworden, toen hij bemerkte, dat Hem hongerde, vers 2. Waarschijnlijk is onze Heere Jezus toen begonnen rond te zien onder de bomen, of Hij er ook iets dat eetbaar was aan kon ontdekken, hetgeen den duivel aanleiding gaf om Hem het volgende voorstel te doen.
1. Hij verzocht Hem tot wantrouwen in Zijns Vaders zorg over Hem, en dus nu maar voor zich zelven te gaan zorgen, zich het benodigde te verschaffen op een wijze, zoals Zijn Vader het niet voor Hem had bestemd, vers 13. In dien gij Gods Zoon zijt, zoals de stem uit den hemel verklaarde, zeg tot dezen steen dat hij brood worde.
a. Ik raad u aan dit te doen, want God, indien Hij uw Vader is, heeft u vergeten, en het zal lang duren eer Hij u hetzij raven of engelen zendt om u te voeden. Als wij er aan beginnen te denken om onze eigen lofbeschikkers te zijn, en door onze eigen zorgen en wijze maatregelen te leven, zonder afhankelijk te zijn van de Goddelijke voorzienigheid, rijkdom te verkrijgen door onze kracht en de sterkte onzer hand, dan moeten wij dit beschouwen als ene verzoeking van Satan en het als zodanig afwijzen, het is Satans raad om onafhankelijk te zijn van God.
b. Ik tart u dit te doen, zo gij het kunt, indien gij het niet doet, dan zal ik zeggen, dat gij de Zone Gods niet zijt, want Johannes de Doper heeft onlangs gezegd dat God uit stenen Abraham kinderen kan verwekken, hetgeen toch nog groter is. Gij hebt dus de macht niet van den Zoon van God, indien gij u uit stenen geen brood maakt, als gij het nodig hebt, want dat is geringer. Zo is God zelf in de woestijn verzocht geworden: Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn? Zou Hij ook brood kunnen geven? Psalm 78:19, 20. Christus heeft aan de verzoeking niet toegegeven, Hij wilde dien steen niet in brood verkeren, al was het ook dat Hem hongerde.
Ten eerste. Omdat Hij niet doen wilde wat Satan Hem zei te doen, want dat zou den schijn hebben gehad, alsof er tussen Hem en den overste der duivelen een verdrag was. Wij moeten niets doen, dat den schijn heeft van den duivel plaats te geven. Wonderen zijn gewrocht ter bevestiging van het geloof, en de duivel had geen geloof, dat bevestigd moest worden, en daarom wilde Hij voor hem geen wonder doen. Hij deed Zijne tekenen in de tegenwoordigheid Zijner discipelen, Johannes 20:30, en inzonderheid het beginsel der tekenen toen Hij water in wijn veranderde, opdat Zijne discipelen in Hem zouden geloven, Johannes 2:11, maar hier in de woestijn had Hij gene dis, slechts achtereenvolgend zien kan, men moet zich omwenden, eerst een gedeelte beschouwen, en dan een ander gedeelte. Aldus dacht de duivel onzen Zaligmaker te misleiden door een deceptie visus, een zinsbedrog, en door Hem te doen geloven, dat hij Hem al de koninkrijken der wereld kon tonen, Hem tevens het denkbeeld in te boezemen, dat hij Hem al die koninkrijken kon geven. Hij verklaarde stoutmoedig dat deze koninkrijken hem allen overgegeven waren, dat hij de macht had er over te beschikken met al hun heerlijkheid, ze te geven aan wie hij wilde, vers 6. Sommigen denken dat hij hiermede voorgaf een engel des lichts te zijn, en dat hij, als een der engelen, die over de koninkrijken gesteld waren, al de anderen had verdrongen, zodat hem de beschikking over allen was toevertrouwd, en hij ze in den naam van God aan Hem kon geven, wetende dat zij voor Hem bestemd waren, maar bezwaard door de voorwaarde, dat Hij moest neervallen om hem te aanbidden, hetgeen een goede engel zo weinig zou geëist hebben, dat hij het niet toegelaten zou hebben, zelfs niet na het tonen van veel groter dingen dan dezen, gelijk blijkt uit Openbaring 19:10, 22:9. Mij komt het echter veeleer voor, dat hij aanspraak maakte op deze macht als Satan, en als hem overgegeven zijnde, niet door den Heere, maar door de volken en koningen dezer koninkrijken, die hun macht en hun eer den duivel hebben overgegeven, Efeze 2:2. Vandaar dat hij genoemd wordt de god dezer wereld, en de overste dezer wereld. Den Zoon van God was beloofd, dat Hij de heidenen zou hebben tot Zijn erfdeel, Psalm 2:8. "Wel", zegt de duivel, "de heidenen zijn de mijnen, zij zijn mijne onderdanen en volgelingen, evenwel, zij zullen de uwen zijn, ik zal ze aan u geven, op voorwaarde dat gij er mij voor aanbidt en zegt, dat zij het loon zijn, dat ik u gegeven heb, gelijk anderen voor u gedaan hebben, Hosea 2:11, en er in bewilligt, om ze door mij, van mij en onder mij te hebben en te houden." Hij eiste hulde en aanbidding van Hem. Indien gij dan mij zult aanbidden, zo zal het alles uwe zijn, vers 7.
Ten eerste. Hij wilde dat Hij zelf hem zou aanbidden. Wellicht bedoelde hij het niet in dien zin, dat Hij dan nooit meer God zou aanbidden, maar dat Hij hem in vereniging met God zou aanbidden, want de duivel weet dat, zo hij eens als deelgenoot wordt aangenomen, hij weldra de enige eigenaar zal zijn. Ten tweede. Hij wilde een verdrag met Hem sluiten, waardoor Hij zich zou verbinden om, als Hij, volgens de belofte aan Hem gedaan, bezit zou verkregen hebben van de koninkrijken dezer wereld, gene verandering zou brengen in hun Godsdienst, maar aan de volken zou toelaten en veroorloven, om, gelijk zij totnutoe gedaan hadden, den duivelen te offeren, 1 Corinthiërs 10:20, dat Hij de demonaanbidding in de wereld zou staande houden, en dan kan Hij, zo het Hem behaagt, al de macht en heerlijkheid der koninkrijken voor zich nemen. Laat wie wil den rijkdom en al de heerlijkheid dezer aarde nemen, Satan heeft alles wat hij begeert, zo hij slechts het hart der mensen heeft, hun genegenheid en hun neigingen, en hun aanbidding, werken kan in de kinderen der ongehoorzaamheid, want dan is het, dat hij hen wezenlijk verslindt.
b. Hoe onze Heere Jezus over deze verzoeking zegevierde. Hij heeft haar beslist afgewezen, haar met afschuw verworpen, vers 8, "Ga weg van Mij, Satan! Ik kan dit niet aanhoren. Hoe! den vijand van God aanbidden, van God, wie Ik ben komen dienen? en van den mens, dien Ik ben komen verlossen? Neen, dat zal Ik nooit doen." Over ene verzoeking als deze moest niet worden geredeneerd, zij moest terstond worden afgewezen, en zij werd ook dadelijk neergeworpen met een woord: Er is geschreven: Gij zult den Heere, uwen God, aanbidden, en Hem alleen dienen, Hem, en geen ander. Daarom wil Christus Satan niet aanbidden, en evenmin zal Hij, wanneer Hem de koninkrijken der aarde door Zijn Vader overgegeven zullen zijn, hetgeen weldra zal geschieden, ook maar het minste of geringste overblijfsel van de aanbidding des duivels er in laten bestaan blijven. Neen, zij zal volkomen uitgeroeid worden, overal waar Zijn Evangelie komt. Hij zal geen schikking met hem aangaan. Veelgodendom en afgoderij moeten neergeworpen worden, als het koninkrijk van Christus wordt opgericht. De mensen moeten van de macht des Satans bekeerd worden tot God, van de aanbidding der duivelen tot de aanbidding van den enig levenden en waarachtigen God. Dat is de grote Goddelijke wet, die Christus onder de mensen zal herstellen, en onder de gehoorzaamheid waarvan Hij hen door Zijn heiligen Godsdienst brengen zal: Dat God alleen gediend en aangebeden moet worden. Al wie dus een schepsel tot voorwerp van Godsdienstige verering stelt, al was het een heilige of een engel, of de maagd Maria, gaat lijnrecht in tegen Christus' bedoeling en vervalt weer tot het heidendom. 3.. Hij verzocht Hem tot zelfmoord door een vermetel vertrouwen op de bescherming Zijns Vaders. Let hier op:
a. Hetgeen hij bedoelde met deze verzoeking: Indien gij de Zone Gods zijt, werp uzelven hier nederwaarts, vers 9. Hij wilde Hem naar een nieuw bewijs laten zoeken dat Hij de Zone Gods was, alsof het bewijs, dat Zijn Vader Hem had gegeven door de stem van den hemel en de nederdaling des Geestes op Hem, niet voldoende was, hetgeen een onteren van God zou geweest zijn, alsof Hij namelijk niet het juiste of rechte middel had gebruikt om er Hem de verzekering van te geven, en het zou ook een blijk zijn geweest van twijfel, of de Geest wel werkelijk in Hem woonde, hetgeen juist het grote en meest overtuigende bewijs was voor Hem zelven, dat Hij de Zone Gods was, Hebreeën 1:8, 9. Hij wilde Hem naar een nieuwe methode doen zoeken om dit in de wereld bekend te maken. De duivel geeft te kennen dat het in een afgelegen, onbekenden hoek der wereld was, dat Hij als de Zone Gods werd erkend, onder een gezelschap van gans gewone mensen, die tot den doop van Johannes kwamen, dat Zijne eer werd bekend gemaakt. Maar als Hij nu van de tinne des tempels, onder al de groten en aanzienlijken, die den tempeldienst bijwoonden, zich als den Zone Gods wilde verklaren, en dan, als bewijs er van, zich nederwaarts zou werpen en ongedeerd blijven, dan zou Hij terstond door iedereen als een bode des hemels ontvangen worden. Aldus wil Satan dat Hij Zijn eigen eer zal zoeken op Zijn eigen wijze-in minachting van die, welke God Hem had aangedaan- en zich in den tempel te Jeruzalem zal openbaren, terwijl God bestemd had, dat Hij meer geopenbaard zou worden onder Johannes' bekeerlingen, aan wie Zijne leer meer welkom zou zijn dan aan de priesters. Waarschijnlijk koesterde hij de hoop dat, hoewel hij Hem niet neer kon werpen, of Hem het minste letsel toebrengen, zo hij Hem er echter toe kon brengen, dat Hij zich zelven neerwierp, de val Zijn dood zou veroorzaken, en dan zou hij Hem voorgoed uit den weg hebben.
b. Hoe hij deze verzoeking ondersteunde en er op aandrong. Er is geschreven, zei hij, vers 10. Christus had tegen hem de Schrift aangehaald, en nu wilde hij tonen dat hij evengoed de Schrift kon aanhalen. Het is iets gans gewoons onder ketters en verleiders de Schriften te verdraaien en ze ten dienste der grootste goddeloosheid aan te wenden. Er is geschreven, dat Hij Zijne engelen van u bevelen zal, indien gij Zijn Zoon zijt, dat zij u op de handen nemen zullen. En nu Hij zich op de tinne des tempels bevond, kon Hij inzonderheid dezen dienst der engelen verwachten, want zo Hij de Zone Gods was, was de tempel de plaats waar Hij wezen moest, Hoofdstuk 2:46, en indien er ene plaats is onder de zon, waar een voortdurende wacht van engelen is, dan moet het die plaats wezen, Psalm 68:18. Het is waar, God heeft de bescherming der engelen beloofd, om ons aan te moedigen om op Hem te vertrouwen, niet om Hem te verzoeken, zo ver de belofte gaat van Gods tegenwoordigheid met ons, zo ver gaat de belofte van den dienst der engelen, maar niet verder. Zij zullen u bewaren, als gij gaat op den grond, waar uw weg ligt, maar niet als gij u aanmatigt om door de lucht te vliegen.
c. Hoe Hij teleurgesteld en verslagen werd in zijne verzoeking, vers 12. Christus haalde Deuteronomium 6:16 aan, waar gezegd wordt: Gij zult den Heere, uwen God, niet verzoeken, door een teken te begeren ten bewijze der Goddelijke openbaring, als Hij u reeds datgene gegeven heeft, wat genoeg is en volstaan kan, want dat heeft Israël gedaan, toen zij God verzochten in de woestijn, zeggende: Hij heeft ons water gegeven uit de rots, maar zou Hij ook vlees kunnen geven? Hieraan zou Christus zich schuldig maken, indien Hij zei: "Hij heeft wel bewezen, wel doen blijken, dat Ik Gods Zoon ben, door den Geest op Mij te doen nederdalen, dat het grotere is, maar kan Hij ook Zijn engelen van Mij bevelen, dat het kleinere, het mindere is?"
III. Wat de einduitkomst en het gevolg was van den strijd, vers 13. Onze zegevierende Verlosser heeft het veld behouden, en is overwinnaar gebleven, niet slechts voor zich zelven, maar ook voor ons.
1. De duivel had zijn pijlkoker geledigd: Hij had alle verzoeking voleindigd. Christus had hem de gelegenheid gegeven om al wat hij kon tegen hem te zeggen en te doen, hij liet hem toe al zijne krachten te beproeven, en toch versloeg Hij hem. Heeft Christus, verzocht zijnde, geleden, totdat al de verzoeking voleindigd was? En moeten wij dan niet ook verwachten door alle beproevingen heen te gaan, heen te gaan door de ure der verzoeking, die voor ons bepaald en bestemd is?
2. Toen verliet hij het slagveld. Hij week van Hem, hij zag, dat het nutteloos was Hem aan te vallen, hij vond niets in Hem, waarop zijn vurige pijlen vat konden hebben, Hij had geen zwakke zijde, geen zwak of onbewaakt deel in Zijn muur, en daarom gaf Satan de zaak op. Indien wij den duivel weerstaan, dan zal hij van ons vlieden.
3. Maar hij volhardde in zijne boosaardigheid tegen Hem, en week van Hem met het voornemen Hem wederom aan te vallen, achri kairou -voor een tijd, of, tot aan den tijd, dat hij weer op Hem losgelaten zou worden, niet als verzoeker, om Hem tot zonde te verleiden, en aldus Zijn hoofd te treffen, hetgeen hij thans had beproefd, maar waarin hij volkomen gefaald had, maar als een vervolger, om Hem te doen lijden door Judas en de andere zwakke werktuigen, die hij gebruikte, en aldus Zijne verzenen te vermorzelen, dat hem gezegd was te zullen doen, Genesis 3:15, al zou dit ook het vermorzelen van zijn eigen hoofd tengevolge hebben. Hij week thans totdat de tijd kwam, dien Christus de macht der duisternis noemde, Hoofdstuk 22:53, en de overste dezer wereld wederkomen zou. Johannes 14:30.