Lukas 2:21-24
Onze Heere Jezus, geworden zijnde uit een vrouw, was geworden onder de wet, Galaten 4:4. Hij was niet slechts, als de zoon van een dochter van Adam, geworden onder de wet der natuur, maar als de zoon van een dochter van Abraham, was Hij geworden onder de wet van Mozes. Hij heeft Zijn hals gebogen onder dat juk, hoewel het een zwaar juk was, en een schaduw der toekomende dingen. Hoewel hare inzettingen arme en zwakke eerste beginselen waren, en eerste beginselen der wereld, gelijk de apostel ze noemt, heeft Christus zich er aan onderworpen. teneinde ze met des te meer recht en voegzaamheid teniet te doen, en voor ons dit juk weg te nemen.
I. Nu hebben wij hier twee voorbeelden van Zijn geworden-zijn onder die wet en van Zijne onderwerping er aan.
1. Hij werd besneden op den juisten dag, die door de wet er voor was verordineerd, vers 21, als acht dagen vervuld waren, een week na Zijne geboorte, werd Hij besneden. Hoewel het een pijnlijke operatie was (voorwaar gij zijt mij een bloedbruidegom, zei Zippora tot Mozes, vanwege de besnijdenis, Exodus 4:25) heeft Christus haar voor ons ondergaan, ja, daarom heeft Hij er zich aan onderworpen, teneinde een voorbeeld te geven van Zijn vroege gehoorzaamheid, Zijne gehoorzaamheid ten bloede toe. Toen heeft Hij druppelsgewijze Zijn bloed gestort, dat Hij later als in stromen heeft uitgestort.
2. Hoewel het Hem een vreemdeling veronderstelde, die door deze plechtigheid in het verbond met God werd opgenomen, terwijl Hij toch altijd Zijn geliefde Zoon is geweest: ja, hoewel het Hem een zondaar veronderstelde, die het nodig had van zijne onreinheid te worden ontdaan, terwijl er in Hem gene vuiligheid was, en geen overvloed van boosheid, die afgelegd moest worden, heeft Hij er zich toch aan onderworpen, ja Hij heeft er zich daarom aan onderworpen, wijl Hij in gelijkheid, niet slechts van het vlees, maar des zondigen vlezes, wilde komen, Romeinen 8:3.
3. Hoewel Hij zich daardoor tot een schuldenaar der gehele wet heeft gesteld, Galaten 5:3, heeft Hij er zich aan onderworpen, ja, Hij heeft er zich daarom aan onderworpen wijl Hij, schoon vrijgeboren, de gestaltenis eens dienstknechts wilde aannemen. Christus werd besneden:
a. Om aldus te belijden tot het zaad Abrahams te behoren, tot die natie, uit welke, zoveel het vlees aangaat, Christus is voortgekomen, en die het zaad Abrahams zou aannemen, Hebreeën 2:16.
b. Opdat Hij zich borg zou erkennen voor onze zonden, en de bewerker onzer zaligheid. De besnijdenis, zegt Dr. Goodwin, was ons schuldbewijs, waarbij wij ons als schuldenaars der wet erkenden, en Christus, besneden zijnde, heeft er als het ware Zijn handtekening onder geplaatst, daar Hij zonde voor ons is gemaakt. De ceremoniële wet bestond veelal in offers, Christus heeft zich hiermede verplicht te offeren, niet het bloed van stieren of bokken, maar Zijn eigen bloed, waartoe niemand, die tevoren besneden was, zich ooit heeft kunnen verplichten.
c. Opdat Hij de opdracht en toewijding aan God van de kinderen der gemeente door de inzetting, die het zegel der rechtvaardigheid des geloofs is, gelijk de besnijdenis was, en de doop is, zou rechtvaardigen en eren, Romeinen 4:11. En voorzeker, dat Hij besneden werd toen Hij acht dagen oud was, bewijst veel meer voor de toewijding van het zaad der gelovigen door den doop in hun kindsheid, dan Zijn gedoopt worden op dertigjarigen leeftijd bewijst voor het uitstellen van den doop, totdat zij volwassen zijn. De verandering in den vorm der plechtigheid brengt geen verandering in het wezen der zaak. Naar de gewoonte werd Hem bij Zijne besnijdenis een naam gegeven, Hij werd Jezus, of Jozua, genaamd, want aldus werd Hij genaamd van den engel, eer Hij in het lichaam ontvangen was, Hoofdstuk 1:31, en later aan Zijn vermeenden vader, Jozef, Mattheus 1:21. Het was een gewone, algemeen-bekende naam onder de Joden, evenals ook Johannes, Colossenzen 4:11, en hierin wilde Hij Zijnen broederen gelijk zijn. Het was de naam van twee mannen in het Oude Testament, die uitnemende typen van Hem zijn geweest: Jozua, de opvolger van Mozes, die de bevelhebber was van Israël en Kanaän had veroverd, en Jozua, de hogepriester, die opzettelijk gekroond was met het doel om een type te zijn van Christus als priester op zijn troon, Zacheria 6:11, 13. Die naam was van grote betekenis in verband met Zijne onderneming. Jezus betekent Zaligmaker. Hij werd genoemd, niet naar de heerlijkheid Zijner Goddelijke natuur, maar naar Zijn genaderijke doeleinden als Middelaar, Hij brengt verlossing teweeg.
II. Hij werd voorgesteld in den tempel. Dit geschiedde met het oog op de wet en op den tijd, die door de wet er voor was vastgesteld, namelijk toen Hij veertig dagen oud was, als de dagen harer reiniging vervuld waren. Vele handschriften, en wel authentieke, geven de lezing autoon in plaats van autês, de dagen hunner reiniging, de reiniging beide van moeder en kind, want aldus was het bedoeld in de wet, en hoewel onze Heere Jezus geen onreinheid had, waarvan Hij gereinigd moest worden, heeft Hij er zich toch aan onderworpen, zoals Hij zich aan de besnijdenis had onderworpen, omdat Hij zonde voor ons gemaakt is, en opdat, gelijk wij door de besnijdenis van Christus besneden mochten worden, krachtens onze eenheid en gemeenschap met Hem, met een geestelijke besnijdenis, die zonder handen geschiedt, Colossenzen 2:11, wij ook in de reiniging van Christus geestelijk gereinigd mogen worden van de vuiligheid en het bederf, dat wij met ons in de wereld brachten. Overeenkomstig de wet nu,
1. Werd het kindeken Jezus, een eerstgeboren zoon zijnde, den Heere voorgesteld in een der voorhoven van den tempel. De wet wordt hier aangehaald, vers 23. Al wat mannelijk is, dat de moeder opent, zal den Heere heilig genaamd worden, omdat door een bijzonder bevel van bescherming de eerstgeborenen van Israël gespaard werden toen de eerstgeborenen der Egyptenaren door den verderfengel werden gedood, zodat Christus, als eerstgeborene priester was door een stelliger recht dan dat van Aärons huis. Christus was de eerstgeborene onder vele broederen, en werd den Heere heilig genoemd, zoals nooit iemand anders, toch werd Hij, evenals andere eerstgeborenen, den Heere voorgesteld, en op geen andere wijze. Hoewel Hij pas uit den schoot des Vaders was gekomen, werd Hij Hem toch door een priester voorgesteld, alsof Hij een vreemdeling was, die door iemand ingeleid of voorgesteld moest worden. Zijne voorstelling aan den Heere betekende dat Hij zich den Heere voorstelde als Middelaar, toen Hij Hem tot zich deed naderen, en tot Hem genaken, Jeremia 30:21. Maar overeenkomstig de wet, Numeri 18:15, werd Hij gelost. De eerstgeborene der mensen zult gij ganselijk lossen, voor het geld van vijf sikkelen, Leviticus 27:6 :Numeri 18:16. Doch in geval van armoede was het den priester waarschijnlijk toegelaten minder, of ook wel niets te nemen, want daar wordt hier gene melding van gemaakt. Christus werd den Heere voorgesteld, niet om teruggebracht te worden, want Zijn oor was aan Gods deurpost doorboord om Hem eeuwiglijk te dienen, en hoewel Hij niet, gelijk Samuël, in den tempel gelaten werd, om aldaar te dienen, is Hij toch evenals deze den Heere gegeven, al de dagen, die Hij wezen zal, en dient Hij Hem in den waren tempel, niet met handen gemaakt. 2. De moeder bracht hare offerande, vers 24. Toen zij dezen haar zoon den Heere voorstelde, die het grote offer zijn zou, had zij wel van andere offeranden verschoond kunnen blijven, maar naar hetgeen in de wet gezegd is, die wet, welke nog van kracht was, en dus moest het alzo geschieden, zij moest offeren een paar tortelduiven, of twee jonge duiven. Waren zij vermogend geweest, dan had zij een lam ten brandoffer moeten brengen en een duif tot zondoffer, maar arm zijnde en niet instaat om den prijs van een lam te betalen, brengt zij twee duiven, een ten brandoffer en de andere ten zondoffer, Leviticus 12:6, 8, om ons te leren om in elk naderen tot God, en bovenal bij bijzondere gelegenheden, God te danken voor Zijne zegeningen en goedertierenheden over ons, en tevens om met smart en schaamte onze zonden voor Hem te belijden, en in beiden moeten wij Hem ere geven, ook zal het ons nooit aan stof voor beiden ontbreken. Christus was niet, gelijk anderen, in zonde ontvangen en geboren, zodat voor Hem dit niet, gelijk voor anderen, nodig geweest is, maar, dewijl Hij geworden is onder de wet, heeft Hij er aan voldaan. Aldus betaamde het Hem alle gerechtigheid te vervullen. En nog veel meer betaamt het aan de besten der mensen in te stemmen met de belijdenis van zonde, want wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd?