4. Daarna, nadat deze zeven dagen geëindigd zijn, zal zij, de kraamvrouw, nog drieëndertig dagen blijven in het bloed van haar reiniging, in de bloedvloed, waardoor haar lichaam verder gereinigd wordt; niets heiligs zal zij ook in die dagen, ofschoon zij met mensen weer omgang hebben mag, aanraken; zij zal noch aan het Pascha, als dit in deze tijd valt, noch aan andere offermaaltijden deel nemen, en tot het heiligdom zal zij niet komen, totdat de veertig dagen van haar reiniging vervuld zijn. 1)
1) Als verdere aanleiding tot verontreiniging (zie Leviticus 11:40) wordt ons hier een eigenaardige toestand van het menselijk lichaam voorgesteld, namelijk de zogenaamde vloeiingen van een vrouw, die gebaard heeft, of de onreine afzonderingen, die het gevolg zijn van een pijnlijk en geweldig baren, en zeer natuurlijk in twee soorten verdeeld worden, namelijk de rode en de witte vloed. Ofschoon intussen de in dit hoofdstuk gemaakte scheiding tussen het eerste tijdperk van die onreinheid, welke ook aan anderen zich meedeelt en daarom een afzondering van de vrouw nodig maakt, (Vers 2 Leviticus 15:19-24 ) en het tweede tijdperk, waarin die mededeelbaarheid niet meer plaats vindt en alleen nog maar de afzondering van het heiligdom en de openbare dienst (Vers 4) nodig is, in het algemeen zowel wat de uitwendige verschijning als wat de tijd aangaat, met die natuurlijke verschijnselen overeenkomt, hebben de bepalingen van de wet met iets geheel anders dan met de afzondering van de vrouw gedurende die weken te doen. Integendeel is het de vloek van de zonde, welke in dat pijnlijk en geweldig baren opnieuw te voorschijn treedt (Genesis 3:16) en die de vrouw nog in hogere graad dan de man dragen moet, daar zij het eerst in overtreding is geweest (1 Timotheus 2:14); terwijl de natuurlijke afscheidingen van vloeistoffen, die in de eerste weken veelvuldiger en bloediger zijn dan in de volgende, wanneer zij meer in waterige en slijmerige stoffen overgaan, daarmee in verband staan, dat het menselijk lichaam omwille van de zonde aan dood en verderf is prijsgegeven. Slechts aan de goddelijke genade, welke de mens voortdurend uitstel verleent, moet men het dank weten, wanneer deze afscheidingen in haar geregeld verloop aan de andere kant alleen moeten strekken om weer tot een normale of gezonde toestand te raken. Terwijl de wet een kraamvrouw nu voor onrein verklaart en zelfs een geruime tijd laat verlopen, eer zij weer voor anderen te benaderen is en zelfs in het heiligdom mag komen, hebben deze voorschriften en die van de volgende hoofdstukken, zowel als de eerdere (hoofdstuk 11) en de latere (Numeri 19) over de onreine dieren en de verontreiniging door aas en door lijken, geen andere bedoeling dan om door het verwekken van sterke weerzin tegen al wat in de natuur dood is of zo genoemd wordt, een diepe afkeer van al wat zonde is en alzo genoemd wordt in te planten en de gevallen mens tot zijn bestendige verootmoediging bij alle hoofdmomenten van het natuurlijke leven: bevruchting, geboorte, voeding, ziekte, dood, daaraan te herinneren, dat alles, ook de lichamelijke natuur, onder de vloek van de zonde ligt; opdat dit een tuchtmeester tot Christus worde, het verlangen naar de Verlosser van de vloek, die ook op het lichaam rust, bestendig opwekke en levendig houde."
In het Nieuwe Testament heeft de Mozaïsche instelling omtrent de kraamvrouwen geen godsdienstige betekenis meer, daar nu een vrouw het beloofde zaad ter wereld gebracht en de Zoon van de begenadigde onder al de vrouwen de moederschoot en al de toestanden, waarin deze na de geboorte verkeert, eens voor altijd geheiligd heeft, zodat alle andere reinigingen van het Oude Verbond tegenover deze reiniging haar waarde hebben verloren. (zie Lu 2:24).
Het uitsluiten van de vrouw, nadat zij moeder was geworden, uit het Heiligdom, gedurende veertig of tachtig dagen, wijst duidelijk aan, dat wij van nature midden in de dood liggen en voor eeuwig buiten het Heiligdom, d.i. de Hemel, zouden gesloten zijn, indien niet onze zonden waren verzoend, en de oorzaak van onze onreinheid weggenomen..