Leviticus 12:6-8
Als de tijd gekomen was wanneer een vrouw, die een kind gebaard had, wederom in het heiligdom mocht komen, dan mocht zij er niet ledig komen, maar moest haar offerande brengen, vers 6.
1. Tot brandoffer een lam, indien zij hiertoe instaat was, maar zo zij arm was, een duif, moest zij offeren in dankbaarheid aan God voor de haar betoonde genade, waardoor zij veilig door de smarten van het baren en alle gevaren van het kinderbed is heengekomen, alsmede in de begeerte en hoop van Gods verdere gunst en genade over haar en haar kind. Als een kind geboren wordt, dan is er blijdschap en hoop, en daarom was het passend dit offer te brengen, dat van algemene aard was, want voor hetgeen, waarin wij ons verblijden, moeten wij dankzegging brengen, en voor hetgeen wij hopen moeten wij bidden. Daarbij moet zij ook:
2. Een zondoffer brengen, dat voor rijken en armen hetzelfde moet wezen, een tortelduif of een jonge duif, want welk verschil er ook mocht bestaan tussen rijken en armen ten aanzien van de dankoffers, de zondoffers, de offers ter verzoening, zijn voor beide gelijk. Dit zondoffer was bestemd, hetzij:
a. Om haar reiniging van deze ceremoniële reiniging te voltooien, die, hoewel in zichzelf niet zondig toch een beeld was van de zedelijke onreinheid, of:
b. Om verzoening te doen over wat werkelijke zonde was, hetzij een onmatige begeerte naar de zegen van kinderen, of wel ontevredenheid en ongeduld onder de smarten van het baren. Het is alleen door Christus, het grote zondoffer, dat het bederf van onze natuur weggenomen wordt, en daaraan hebben wij het te danken, dat wij niet voor altijd buitengesloten zijn van het heiligdom en van het eten van het heilige.
Volgens deze wet bevinden wij dat de moeder van onze gezegende Heiland, hoewel Hij niet, evenals anderen, in zonde ontvangen was, toch de dagen van haar reiniging vervuld heeft, en toen haar Zoon, daar Hij een eerstgeborene was, de Heere heeft voorgesteld, en daarbij haar offer bracht, "een paar tortelduiven," Lukas 2:22-24. Zó arm waren Jozef en Maria dat zij niet in staat waren een lam als brandoffer te brengen, en zó vroeg is Christus onder de wet gesteld, ten einde hen te verlossen, die onder de wet waren. De zedelijkheid van deze wet verplicht de vrouwen, die door God met kinderen gezegend zijn, met dankbaarheid Gods goedheid jegens haar te erkennen, erkennende die goedheid en die zegen onwaardig te zijn, en (hetgeen de beste reiniging is van de vrouwen, die zalig worden, kinderen barende) 1 Timotheus 2:15, te blijven in het geloof en liefde, en heiligmaking met matigheid, want dit zal de Heere meer behagen dan de tortelduiven of de jonge duiven.