Handelingen 28:11-16
Wij hebben hier den voortgang van Paulus' reis naar Rome, en zijne aankomst aldaar. Ruw en gevaarlijk was zijne reis tot nu toe geweest, en ter nauwernood heeft hij er het leven afgebracht, maar na een storm komt kalmte, het laatste gedeelte zijner reis was rustig en aangenaam. Nu hebben wij hier:
I. Hun vertrek van Malta. Dat eiland was hun een vriendelijk toevluchtsoord geweest, maar het was niet hun te huis. Na er rust en verkwikking genoten te hebben, moeten zij weer in zee gaan. De moeilijkheden en ontmoediging, die wij in onze Christelijke loopbaan ontmoeten, moeten ons niet beletten om verder voorwaarts te streven. Er wordt hier nota genomen:
1. Van den tijd hunner afreize, na drie maanden, de drie wintermaanden. Het is beter stil te liggen, al ligt men dan ook op lasten, dan voorwaarts te gaan terwijl het jaargetijde nog zo vele gevaren kon opleveren. Paulus had hen gewaarschuwd tegen het afvaren in winterweer, en zij hadden naar die waarschuwing niet willen luisteren, maar nu zij het, door de gevaren en moeilijkheden, die zij hadden ondervonden, geleerd hadden, behoefde hij hen niet meer te waarschuwen. De kennis, die zij tot zo duren prijs verkregen hadden, deed hun goed. Daarom wordt ondervinding de leermeesteres der dwazen genoemd, omdat het dwazen zijn, die niet anders dan door ondervinding willen leren.
2. Van het schip, waarin zij vertrokken. Het was een schip van Alexandrië, evenals het vorige, waarin zij schipbreuk hadden geleden, Hoofdstuk 27:6. Dit schip had op het eiland overwinterd, en was veilig. Zie hoe verschillend de uitkomsten zijn van der mensen ondernemingen in deze wereld. Hier waren twee schepen, beiden van Alexandrië, beiden met bestemming naar Italië, beiden op hetzelfde eiland geworpen, maar het ene lijdt er schipbreuk, terwijl het andere veilig is. Zulke voorvallen ziet men dikwijls. Soms begunstigt de voorzienigheid hen, die in de wereld verkeren, en maakt hen voorspoedig, opdat de mensen aangemoedigd zullen worden om zich tot wereldlijke bezigheden te begeven, en op een andermaal is de voorzienigheid hun tegen, ten einde de mensen te waarschuwen er hun hart niet op te zetten. De gebeurtenissen verschillen, zijn wisselvallig, opdat wij leren, beide verzadigd te zijn en honger te lijden. De geschiedschrijver neemt nota van het teken van het schip, dat er waarschijnlijk den naam aan gaf, het was Castor en Pollux, deze dwaze Heidense godheidjes, die door de dichters voorgesteld worden als beheersers der stormen, en beschermers der zeevarenden, zeegoden dus, waren op de voorzijde van het schip geschilderd, of gegraveerd, en daaraan ontleende het schip zijn naam. Ik onderstel, dat dit met geen ander doel vermeld is, dan om er het geschiedverhaal door te bevestigen, daar het schip door dat teken bekend was bij allen, die handel dreven tussen Egypte en Italië. Dr. Lightfoot denkt, dat Lukas deze bijzonderheid vermeldt om op het bijgeloof der mensen opmerkzaam te maken, daar zij dachten beter beveiligd te zijn onder dit teken, dan onder hetgeen, waar zij te voren onder gevaren hebben.
II. Hun landing in of bij Italië, en de voortzetting hunner reis naar Rome.
1. Zij landden het eerst te Syracuse op Sicilië, de hoofdplaats van dat eiland. Daar bleven zij drie dagen, daar zij er waarschijnlijk goederen aan land moesten brengen, of koopwaren in te nemen hadden, want het schijnt, dat dit schip ene handelsreis deed, dus een koopvaardijschip was. Paulus kon nu zijne weetgierigheid bevredigen door het aanschouwen van plaatsen, waarvan hij dikwijls gehoord had, en die hij gewenst had te zien, inzonderheid Syracuse, ene plaats van grote bekendheid in de oudheid, maar er schijnen daar gene Christenen geweest te zijn.
2. Van Syracuse kwamen zij te Rhegium, ene stad in Italië, vlak tegenover Messina op Sicilië, en behorende tot het koninkrijk van Calabrië, of Napels. Daar schijnen zij een dag te zijn gebleven. De roomse legende verhaalt, dat Paulus daar toen gepredikt heeft, en dat de vissen naar den oever kwamen om hem te horen, dat hij met ene kaars een stenen pilaar in brand stak, en door dat wonder het volk van de waarheid zijner leer overtuigde, dat velen van hen gedoopt werden, en dat hij Stefanus, een zijner metgezellen op deze reis tot hun eersten bisschop geordend heeft, en dit alles, zeggen zij, is op een dag gebeurd, terwijl het niet eens blijkt, dat zij er aan land gingen, maar er slechts voor anker kwamen.
3. Van Rhegium kwamen zij te Puteoli, ene zeehaven niet ver van Napels, thans Pozzolana (Pozzuoli) genoemd. Het schip van Alexandrië was bestemd naar die haven, en daarom werden Paulus, en de overigen, wier bestemming Rome was, daar aan land gezet, die toen verder de reis over land deden. Te Puteoli vonden zij broeders, Christenen. Wie heeft de kennis van Christus daar gebracht? Het wordt ons niet gezegd, maar zij was er, zo verwonderlijk heeft het zuurdeeg des Evangelies zijn geur verspreid. God heeft velen, die Hem dienen en aanbidden in plaatsen, waar wij dit weinig van zouden denken. En merk op:
a. Hoewel er waarschijnlijk slechts weinige broederen te Puteoli waren, heeft Paulus hen toch ontdekt, hetzij, door dat zij van hem gehoord hadden, of door dat hij navraag naar hen deed, maar het was als door instinct, dat zij bij elkaar kwamen. Broeders in Christus behoren elkaar te ontdekken en gemeenschap met elkaar te oefenen, zoals landgenoten in den vreemde dit ook doen.
b. Zij wensten dat Paulus en zijne metgezellen zeven dagen bij hen zouden blijven, dat is: het zo te overleggen, dat zij ten minste een Dag des Heeren bij hen zouden doorbrengen, en hen in hun openbare Godsverering op dien dag bij zouden staan. Zij wisten niet, of zij Paulus te Puteoli ooit weer zouden zien, en daarom moet hij niet heengaan zonder enige malen voor hen gepredikt te hebben. En Paulus wilde hun gaarne zo veel van zijn tijd afstaan, en de hoofdman, onder wiens orders Paulus nu stond, zelf misschien vrienden, of zaken te Puteoli hebbende, bewilligde er in om ten genoege van Paulus, er ene week te vertoeven.
4. Van Puteoli gingen zij voorwaarts naar Rome, waar zij te voet heen reisden, want het blijkt niet, dat zij, zoals vroeger, Hoofdstuk 23:24, rijdieren hadden. Maar naar Rome moeten zij gaan, en dit is het einde hunner reis.
III. De ontmoeting met de Christenen te Rome. Waarschijnlijk was hun door de Christenen te Puteoli bericht gezonden, zodra Paulus daar aangekomen was, hoe lang hij voornemens was er te blijven, en wanneer hij zich op weg naar Rome zou begeven, hetgeen voor die samenkomst de gelegenheid bood. Merk op:
1. De grote eer, die zij Paulus aandeden. Zij hadden veel van hem gehoord, hoe hij door God gebruikt was geworden, welken uitnemenden arbeid hij voor het koninkrijk van Christus had verricht, en voor hoe vele zielen hij een geestelijke vader was geweest. Zij hadden gehoord van zijn lijden, en hoe God er hem in had ondersteund, en daarom verlangden zij niet slechts hem te zien, maar zij hielden zich verplicht hem alle mogelijke eer te bewijzen als een roemrijke bepleiter van de zaak van Christus. Enigen tijd te voren had hij hun een langen brief geschreven, den heerlijken, uitnemenden brief aan de Romeinen, waarin hij niet slechts uitdrukking had gegeven van zijne grote genegenheid voor hen, maar hun ook vele nuttige wenken en instructies had gegeven, en uit dankbaarheid hiervoor doen zij hem nu die eer aan. Zij gingen hem tegemoet, ten einde hem statig naar Rome te begeleiden, zoals gezanten en rechters hun openbaren intocht houden, hoewel hij een gevangene was. Sommigen van hen gingen hem tot Appiusmarkt tegemoet, die een en vijftig mijlen buiten Rome was, anderen tot aan ene plaats, genaamd de Drie Tabernen, acht en twintig mijlen (sommigen schatten het op drie en dertig mijlen) buiten Rome. Het is tot hun lof, dat zij zich zo weinig zijner hebben geschaamd, of gevreesd hebben hem te kennen, omdat hij een gevangene was, dat zij hem juist daarom dubbele ere waardig achtten, en zich te meer beijverden om hem eerbied te betonen.
2. De grote vertroosting, die Paulus hierdoor smaakte. Nu hij Rome naderde, en wellicht te Puteoli gehoord had van keizer Nero, en welk een tiran hij was geworden, begon hij treurige gedachten te koesteren van zijn beroep op den keizer, en de gevolgen er van. Hij naderde Rome, waar hij nooit geweest was, waar er weinigen waren, die hem kenden, of die hij kende, en wat hem daar ontmoeten zou, wist hij niet. Maar hij begon er neerslachtig onder te worden, totdat hij deze Godvruchtige mannen ontmoette, die van Rome gekomen waren, om hem eerbied te betonen. En toen hij hen zag:
a. Dankte hij God. Wij kunnen veronderstellen, dat hij ook hen telkens en nogmaals heeft gedankt, en hun heeft gezegd hoe vriendelijk hij het van hen vond, maar dit was niet alles, hij dankte God. Als onze vrienden vriendelijk voor ons zijn, dan is het God, die hen dit doet wezen, die het in hun hart geeft om ons liefde te betonen, en er hun ook de macht toe geeft om het te kunnen, en zo moeten wij dan Hem de eer er voor toebrengen. Hij dankte God ongetwijfeld voor de vriendelijkheid en milddadigheid van de barbaren te Melite, maar nog veel meer voor de vrome zorge over hem van de Christenen te Rome. Toen hij zo vele Christenen zag, die van Rome kwamen, dankte hij God, dat het Evangelie van Christus zo voorspoedig was in de hoofdstad des rijks. Als wij buiten `s lands gaan, rondzien in de wereld, en in vreemde plaatsen hen ontmoeten, die den naam van Christus hoog houden en God vrezen, en Hem dienen, dan behoren wij ons hart op te heffen tot den hemel in lof- en dankzegging. Geloofd zij God, dat er zo vele heerlijken op de aarde zijn, hoe slecht die aarde ook is. Paulus had God gedankt voor de Christenen te Rome, voordat hij hen ooit gezien had, om hetgeen hij van hen gehoord had, Romeinen 1:8. Ik dank mijn God over u allen. Maar nu hij hen zag, -en wellicht bevond, dat zij beschaafder waren in hun voorkomen, dan de meesten, met wie hij omgang heeft gehad, of ernstiger en meer ontwikkeld dan de meesten- dankte hij God. Maar dat was niet alles, hij greep moed. Het bezielde hem met nieuw leven, wekte hem op, en verdreef zijne neerslachtigheid, nu kan hij even goedsmoeds Rome binnentreden als gevangene, als hij ooit Jeruzalem als vrij man is binnengetreden. Hij bevindt, dat daar de zodanige zijn, die hem liefhebben en eren, met wie hij om kan gaan als met zijne vrienden, en met wie hij te rade kan gaan, die hem de verveling zijner gevangenschap kunnen verlichten, en hem kunnen bemoedigen als de verschrikking om voor Nero te verschijnen hem zou kunnen terneerslaan. Het is voor hen, die op reis zijn naar den hemel, ene bemoediging om hun medereizigers te ontmoeten, die hun medegenoten zijn in de verdrukking en in het koninkrijk en in de lijdzaamheid van Jezus Christus. Als wij de talrijke en plechtige vergaderingen zien van goede Christenen, dan moeten wij niet alleen God danken maar zelven ook moed grijpen. En dit is ene goede reden, waarom aan goede leraren eerbied moet worden betoond, inzonderheid als zij in lijden zijn, en er verachting over hen wordt uitgestort, dat het hen bemoedigt, en hun arbeid en lijden lichter maakt. Toch is het opmerkelijk, dat de Christenen te Rome thans wel veel eerbied betoonden aan Paulus-en zeer veel heeft hij zich van hun eerbied voorgesteld-maar dat zij hem in den steek lieten, toen hij hen het meest nodig had, want hij zegt: In mijne eerste verantwoording is niemand bij mij geweest, maar zij hebben mij allen verlaten, 2 Timotheus 4:16. Zij konden gemakkelijk een rit maken van veertig of vijftig mijlen om Paulus tegemoet te gaan voor het aangename van de reis, maar zich aan het ongenoegen van den keizer en andere voorname lieden bloot te stellen, door als verdedigers van Paulus op te treden, en ten zijnen gunste te getuigen-daarvan willen zij voor verontschuldigd gehouden worden. Als het daar op aankomt, dan willen zij liever even ver de stad uit rijden om hem te ontwijken, als zij nu gereden hebben om hem te ontmoeten. Hetgeen voor ons een wenk is, om af te laten van den mens en ons te sterken in den Heere onzen God. De moed, dien wij grijpen door Zijne beloften, zal ons nooit begeven, als wij beschaamd werden in den moed die der mensen vleiende plichtplegingen ons inboezemden. God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig.
IV. Hoe Paulus te Rome in gevangenschap werd overgegeven, vers 16. Hij is nu aan het einde zijner reize, en:
1. Hij is nog een gevangene. Hij had naar Rome verlangd, maar als hij er komt wordt hij met andere gevangenen overgegeven aan den overste des legers, en kan niets meer van Rome zien, dan hem toegestaan wordt. Hoe vele grote mannen hebben hun intocht gedaan in Rome, gekroond en in triomf, die in werkelijkheid de gesels van hun geslacht zijn geweest! Maar hier doet een goed man zijne intrede in Rome, geketend als ene arme gevangene, maar die in werkelijkheid de grootste zegen voor zijn geslacht is geweest. Dit denkbeeld is genoeg om ons voor altijd alle behagen in deze wereld te ontnemen.
2. Toch wordt hem nog gunst betoond. Hij is een gevangene, maar hij wordt niet in de gemene gevangenis opgesloten. Aan Paulus werd toegelaten op zich zelven te wonen, in de ene of andere geriefelijke woning, waarvan zijne vrienden hem voorzagen, en een krijgsknecht werd aangesteld om er hem te bewaken, die, naar wij hopen, vriendelijk voor hem was, en hem al de vrijheid liet, die aan een gevangene toegestaan kon worden, want het moet wel een zeer lomp of onvriendelijk mens zijn, die lomp of onvriendelijk kon wezen jegens zulk een hoffelijk, welwillend man als Paulus was. Daar aan Paulus vergund was op zich zelven te wonen, kon hij gelukkiger leven, meer genieten van zijne vrienden en van zijn God, dan wanneer hij met andere gevangenen samen had moeten wezen. Het kan ene bemoediging zijn voor de gevangenen Gods, dat Hij hen gunst kan doen vinden in de ogen van hen, die hen gevangen hebben, Psalm 106:46, zoals Jozef genade vond in de ogen des oversten van het gevangenhuis, Genesis 39:21, en Jojachin in de ogen van den koning van Babel, 2 Koningen 25:27, 29. Als God Zijn volk niet terstond uit gevangenschap verlost, kan Hij of die gevangenschap draaglijk voor hen maken, of er hen kalm en geduldig onder maken, en in beide gevallen hebben zij reden om dankbaar te zijn.