Handelingen 27:1-11
Het blijkt niet hoe lange tijd het was na Paulus' rede voor Agrippa, eer hij ingevolge zijn beroep op den keizer naar Rome gezonden werd. Waarschijnlijk hebben zij gebruik gemaakt van de eerste gelegenheid, die er zich toe aanbood, en intussen is Paulus onder zijne vrienden te Cesarea, die hem ter hulp en vertroosting zijn, terwijl hij hun tot zegen is. Maar hier wordt ons gezegd:
I. Hoe Paulus ingescheept werd naar Italië. Het is ene lange reize, maar dit is niet te verhelpen. Hij heeft zich op den keizer beroepen, en tot den keizer moet hij gaan. Het was besloten, dat wij naar Italië zouden afvaren, want zij moeten over zee naar Rome gaan, daar het een zeer grote omweg geweest zou zijn, om de reis over land te doen. Vandaar dat, als de verovering van het Joodse land en de onderwerping van het Joodse volk door de Romeinen voorzegd is, gezegd wordt. Numeri 24:24 :De schepen van den oever der Chittieten, dat is: Italië, zullen Heber, dat is: de Hebreeën, plagen. Het was besloten door den raad Gods, voor het besloten was door den raad van Festus, dat Paulus naar Rome zou gaan: want wat ook der mensen bedoeling geweest mocht zijn, God had daar werk voor hem te doen. Nu wordt ons hier gezegd:
1. In wiens bewaring hij werd overgegeven, aan een hoofdman over honderd, genaamd Julius, van de keizerlijke bende, zoals Cornelius het was van de Italiaanse bende, of legioen, Hoofdstuk 10:1. Hij had krijgslieden onder hem, die Paulus moesten bewaken, zodat hij niet kon ontkomen, en tevens moesten zij hem ook beschermen, opdat hem geen leed gedaan werd.
2. Op welk vaartuig hij werd ingescheept. Zij gingen aan boord van een Adramytteens schip, vers 2. Adrammyttium was een zeehaven van Afrika, vanwaar dit schip Afrikaanse goederen aanvoerde, en, naar het schijnt, ene kustreis deed naar Syrië, waar deze goederen ene goede markt vonden.
3. Welk gezelschap hij had op deze reis. Er waren enige gevangenen, die aan de bewaring van dezelfden hoofdman waren toevertrouwd, en die zich waarschijnlijk ook op den keizer hadden beroepen, of om ene andere reden naar Rome gezonden werden, om daar terecht te staan, of om als getuigen tegen gevangenen aldaar te verschijnen, wellicht waren het beruchte misdadigers, zoals Barabbas, en die daarom voor den keizer zelven gebracht moesten worden. Paulus was met dezen saamgevoegd, zoals Christus met de moordenaars, die met Hem gekruisigd werden, en zo was hij genoodzaakt op deze reis deel en lot met hen te hebben. En in dit hoofdstuk zien wij, vers 42, dat hij bijna om hunnentwil gedood werd, maar dat zij om zijnentwil gespaard werden. Het is niets nieuws dat onschuldigen met de overtreders geteld worden. Maar hij had ook sommigen van zijne vrienden bij zich, inzonderheid Lukas, de schrijver van dit boek, want hij gebruikt steeds het meervoud van den eersten persoon in zijn verhaal, wij voeren af naar Italië, en, wij gingen in het schip, vers 2. Aristarchus van Thessalonica wordt bijzonder genoemd, als mede tot het gezelschap behorende. Dr. Lightfoot denkt, dat Trofimus, de Efeziër met hem ging, maar dat hij hem ziek te Milete heeft achtergelaten, 2 Timotheus 4:20, toen hij langs de kust van Azië voer, waarvan hier gesproken wordt, vers 2, en dat hij ook Timotheus daar gelaten heeft. Het was troostrijk voor Paulus, dat hij op deze vervelende reis sommigen van zijne vrienden bij zich had, met wie hij vrijelijk kon spreken, daar hij ook zeer loszinnig, onheilig gezelschap om zich heen had. Zij, die ene lange zeereis ondernemen, zijn meestal genoodzaakt, om, om zo te zeggen, in Mesech en Kedar te wonen, en zij hebben wijsheid nodig, om aan het slechte gezelschap, waarin zij zich bevinden, goed te doen, te trachten hen beter te maken, of ten minste door hen niet slechter gemaakt te worden. II. Naar welken koers zij den steven richtten, en welke plaatsen zij aandeden, welke inzonderheid vermeld worden ter bevestiging van de waarheid van deze geschiedenis voor hen, die toen leefden, en die naar hun eigene kennis konden zeggen, of deze of die plaats er al of niet was.
1. Zij deden Sidon aan, niet ver van welke plaats zij aan boord waren gegaan, daar kwamen zij des anderen daags. En wat hier opmerkelijk is, is, dat Julius, de hoofdman over honderd, buitengewoon vriendelijk was voor Paulus. Waarschijnlijk was hij bekend met zijne zaak, en was hij een van de oversten over duizenden, of van de voornaamste mannen der stad, die hem zijne eigene zaak voor Agrippa hoorden bepleiten, Hoofdstuk 25:23, en dat hij overtuigd was van zijne onschuld, en van het onrecht, dat hem aangedaan werd. Daarom heeft hij hem, hoewel hij hem als gevangene in bewaring was gegeven, behandeld als een vriend, een geleerde, een beschaafd man, en een man, die invloed heeft in den hemel. Hij liet hem toe, om, terwijl de zaken van het schip het te Sidon hielden, tot de vrienden aldaar te gaan, om van hen verzorgd te worden, hetgeen hem ene grote verkwikking was. Hierin geeft Julius een goed voorbeeld aan machthebbenden om achting te betonen aan hen, die zij bevinden achting waardig te zijn, en hun macht daartoe aan te wenden. Een Jozef, een Paulus, moeten niet als gewone gevangenen behandeld worden. Hierin bemoedigt God hen, die voor Hem lijden, om op Hem te betrouwen, want Hij kan het in het hart van hen, van wie zij dit het minst zouden verwachten, geven, om hun gunst te betonen, hen vriendelijk te bejegenen, hun medelijden voor hen in te boezemen, ja, dat zij, die hen gevangen hebben, hun barmhartigheid, eer en achting bewijzen. Psalm 106:46. Het is ook een voorbeeld van Paulus' trouw, hij heeft niet beproefd te ontvluchten, hetgeen hem gemakkelijk zou zijn gevallen. Maar op zijn woord van eer uit zijnde, keert hij getrouwelijk in de gevangenschap terug. Als de overste zo beleefd is om zijn erewoord aan te nemen, zal hij zo rechtschapen en eerlijk zijn, om zijn woord te houden.
2. Van daar voeren zij onder Cyprus henen, vers 4. Indien de wind gunstig ware geweest, dan zouden zij rechtstreeks voortgezeild zijn, en Cyprus rechts hebben laten liggen, daar de wind hun echter tegen was, waren zij genoodzaakt om zijdelings te varen, om het eiland heen te zeilen, en het dan links te laten liggen. Zeelieden moeten doen zoals zij kunnen, als zij niet kunnen doen wat zij willen, zo goed mogelijk van den wind partij zien te trekken, uit welken hoek hij ook waait, en dat moeten ook wij in ons bevaren van den oceaan dezer wereld. Als de wind tegen is, moeten wij toch zo goed mogelijk voorwaarts zien te komen.
3. In ene haven genaamd Myra, veranderden zij van schip, dat, in hetwelk zij zich bevonden, waarschijnlijk gene verdere zaken te doen hebbende, gingen zij aan boord van een schip van Alexandrië, dat naar Italië voer, vers 5, 6. Alexandrië was nu de hoofdstad van Egypte, en er was een levendige handel tussen die stad en Italië. Van Alexandrië brachten zij koren naar Rome, en de Oost-Indische en Perzische goederen, die zij invoerden door de Rode Zee, voerden zij wederom uit naar alle delen van de Middellandse Zee, inzonderheid naar Italië. En aan de schepen van Alexandrië was de bijzondere gunst verleend, dat zij, niet zoals andere schepen, als zij in de haven kwamen, verplicht waren te zeilen te strijken.
4. Met veel moeite kwamen zij te Schonehavens, ene haven van het eiland Kreta, vers 7, 8. Vele dagen voeren zij langzaam voort, daar zij of windstilte, of tegenwind hadden. Het was geruime tijd voor zij tegenover Cnidus gekomen waren, ene haven van Caria, en genoodzaakt waren naar Kreta te varen, zoals te voren naar Cyprus, daar zij veel moeilijkheid hadden in het passeren van Salmone, een voorgebergte aan de Oostkust van het eiland Kreta. Tot nu toe was de reis niet stormachtig, maar wel zeer vervelend. Velen, die niet achterwaards gedreven worden in hun zaken door tegenspoed, varen toch langzaam en komen niet vooruit door gunstige omstandigheden. En vele goede Christenen klagen met betrekking tot de belangen hunner ziel, dat zij niet vooruit komen op hun weg naar den hemel, maar zeer veel moeite hebben, om niet achteruit te gaan, zij bewegen zich langzaam, staan dikwijls stil op den weg, en blijven geruimen tijd als door windstilte liggen. De plaats waar zij nu kwamen, was Schonehavens genoemd. Reizigers zeggen, dat de plaats nog tot op den huidigen dag onder dien naam bekend is, en dat zij door het liefelijke van hare ligging en het fraaie uitzicht aan dien naam beantwoordt. Toch was het niet de plaats hunner bestemming, het was ene schone haven, maar het was niet hun haven. Hoe goed en liefelijk onze omstandigheden ook zijn in deze wereld, wij moeten ons herinneren, dat het hier ons te huis niet is, en daarom moeten wij opstaan en heengaan, want hoewel het ene schone haven is, is het toch niet de haven onzer begeerte. Psalm 107:30. Het was gene geschikte haven om er te overwinteren, dit wordt gezegd in vers 12. De haven had een fraai uitzicht, maar stond bloot aan stormen. Elke schone haven is nog gene veilige haven, ja waar veel genot en genoegen is, kan ook veel gevaar zijn.
III. Den raad van Paulus met betrekking tot dat deel der reis, dat nu voor hen was, nl. om te overwinteren waar zij waren, en niet verder te reizen voor dat een gunstiger jaargetijde daar was.
1. Het was nu een slechte tijd voor een schip op zee, zij hadden veel tijd verloren, en hadden met tegenwind te kampen. De vaart was gevaarlijk, want de vasten was al voorbij, dat is: de vermaarde jaarlijkse vasten der Joden op den Groten Verzoendag, die op den tienden dag der zevende maand was, een dag om de ziel te kwellen met vasten. Dit was omstreeks op 20 September. Dat jaarlijkse vasten werd zeer nauwgezet waargenomen, maar (en dat is vreemd) wij zien in de gewijde geschiedenis nooit melding gemaakt van het waarnemen er van, tenzij het hier bedoeld is, en dan dient het nog slechts om den tijd van het jaar aan te duiden. De dag van St. Michiel wordt door zeelieden een zo gevaarlijke tijd van het jaar geacht op zee, als iedere andere. Zij klagen over de St. Michiels stormen. Die tijd was het nu voor onze reizigers. De oogst was voorbij, de zomer geëindigd, zij hadden niet slechts tijd, maar ook ene goede gelegenheid verloren.
2. Paulus herinnert hen hieraan, en geeft hun kennis van het gevaar, waarin zij zullen komen, vers 10. "Mannen, ik zie," (hetzij door dat God er hem kennis van gaf, of door te letten op hun eigenzinnig besluit om, in weerwil van het gevaarlijke van dit jaargetijde, de reis voort te zetten,)" dat de vaart zal geschieden met hinder en grote schade. Gij, die goederen aan boord hebt, zult ze waarschijnlijk verliezen, en het zal een wonder van barmhartigheid zijn, indien ons leven ons ten buit zal zijn." Er waren enige goede mensen in het schip, en nog meer slechte mensen, maar in dingen van dien aard, wedervaart hun allen gelijk, enerlei wedervaart den rechtvaardige en den goddeloze. Indien beiden zich in hetzelfde schip bevinden, bevinden zij zich in hetzelfde gevaar.
3. Zij wilden voor die zaak niet naar Paulus' raad handelen, vers 11. Zij achtten het ongepast van hem, om zich in zaken van dien aard te willen mengen, daar hij toch geen verstand had van zeevaartkunde, en de overste, tot wie men zich wendde, die, hoewel ook slechts een passagier, toch een man was van gezag, om er over te beslissen, neemt het op zich om uitspraak te doen, hoewel hij niet vaker op zee was geweest dan Paulus, en ook niet beter dan hij bekend was met deze wateren, want Paulus had op Kreta het Evangelie geplant, Titus 1:5, en kende de onderscheidene delen van dit eiland zeer goed. Maar de overste hechtte meer aan de opinie van den stuurman en den schipper dan aan die van Paulus, want gewoonlijk stelt men vertrouwen in mannen van het vak voor de zaken van hun vak, maar aan een man als Paulus, die zo vertrouwd was met den hemel, behoorde men meer geloof te schenken dan aan de ervarenste zeelieden. Diegenen weten niet, aan welk gevaar zij zich blootstellen, die zich liever door menselijke wijsheid dan door de Goddelijke openbaring laten leiden. De hoofdman was zeer vriendelijk en beleefd voor Paulus, vers 3, maar wilde zich toch niet door hem laten raden. Velen zullen wel aan goede leraren achting betonen, maar hun raad toch niet opvolgen, Ezechiël 33:31.