Handelingen 26:24-32
Wij hebben reden te geloven, dat Paulus veel meer te zeggen had ter verdediging van het Evangelie, dat hij predikte, en ter ere er van, en om het in de goede mening van zijne aanzienlijke hoorders aan te bevelen. Hij was nu juist gekomen aan hetgeen het leven der zaak was- de dood en de opstanding van Christus, en hier is hij in zijn element, hij geraakt in gloed, zijn mond wordt geopend, zijn hart verruimd. Breng hem slechts tot dit onderwerp, geef hem vrijheid om er mede voort te gaan, en hij zal niet weten hoe te eindigen, want de kracht van Christus' dood, en de gemeenschap Zijns lijdens zijn onuitputtelijke onderwerpen voor hem. Het was dus zeer te betreuren, dat zijne rede hier afgebroken werd, en dat hem geoorloofd zijnde voor zich zelven te spreken, vers 1, hem niet vergund werd alles te zeggen, wat hij zich voorgenomen had te zeggen. Maar die moeilijkheid werd hem dikwijls in den weg gelegd, en ook voor ons, die zijne rede met zo groot genot lezen, is het ene teleurstelling. Maar het is niet te verhelpen, het hof is van mening, dat zij nu er toe kunnen overgaan om hun oordeel uit te spreken over de zaak.
I. Festus, de Romeinse stadhouder, is van mening, dat de arme man waanzinnig is. Hij is er van overtuigd, dat hij geen misdadiger, geen slecht mens is, die gestraft moet worden, maar hij houdt hem voor een krankzinnige, met wie men medelijden moet hebben, maar tevens, dat men op hetgeen hij zegt geen acht behoort te slaan. En zo denkt hij een middel te hebben gevonden waardoor hij Paulus niet behoefde te veroordelen als gevangene, en hem ook niet behoefde te geloven als prediker, want indien hij niet compos mentis -bij zijne zinnen -is, dan moet hij noch veroordeeld, noch geloofd worden. Merk hier nu op:
1. Wat Festus van hem zei, vers 24. Hij zei met grote stem. Hij fluisterde het niet toe aan degenen, die bij hem zaten, dan zou het te verontschuldigen zijn geweest, maar (zonder Agrippa te raadplegen, voor wiens oordeel hij zo diepen eerbied betuigd scheen te hebben, Hoofdstuk 25:26), zei hij overluid, ten einde Paulus te noodzaken zijne rede af te breken, en de aandacht der hoorders er van af te leiden: "Gij raast, Paulus, gij spreekt als een waanzinnige, als iemand, wiens brein verhit is, gij weet niet wat gij zegt". Toch onderstelt hij niet, dat een schuldig geweten zijn verstand verbijsterd heeft, noch dat zijn lijden en de woede zijner vijanden zijn verstand geschokt hadden, neen, hij schrijft het aan ene zeer onschuldige oorzaak toe: de grote geleerdheid brengt u tot razernij, uwe hersenen zijn aangedaan door te veel studeren. Dit zegt hij, niet zo zeer in toorn, als wel in minachting. Hij begreep niet wat Paulus zei, het ging boven zijne bevatting, het was hem alles een raadsel, en daarom schrijft hij het alles toe aan ene verhitte verbeelding. Si non vis intelligi, debes negligi -zo gij niet begrepen wilt worden, moet gij veronachtzaamd worden. Hij erkent, dat Paulus een geleerde is, omdat hij zo vaardig was in het verwijzen naar hetgeen Mozes en de profeten geschreven hebben, boeken, die hem onbekend waren, en zelfs dit wordt hem tot smaad gerekend. De apostelen, die vissers van beroep zijn geweest, werden geminacht, omdat zij gene geleerdheid hadden, Paulus, die een academisch man was, en opgevoed was als een Farizeeër, wordt veracht, omdat hij te veel geleerdheid had, meer dan goed voor hem was. Aldus zullen de vijanden van Christus' altijd wel iets vinden om hun te verwijten, en hun tot smaad aan te rekenen. De profeten van het Oude Testament werden aldus gebrandmerkt, ten einde, door hen in kwaad gerucht te brengen, het volk tegen hen te bevooroordelen. Waarom is deze onzinnige tot u gekomen zeiden de oversten tot Jehu, sprekende van den profeet, 2 Koningen 9:11. Zie ook Hosea 9:7. Johannes de Doper en Christus werden voorgesteld als hebbende een' duivel, als gekrenkt te zijn in de hersenen. Het is mogelijk, dat Paulus nu met meer vuur en levendigheid sprak dan bij den aanvang zijner rede, gebaren gebruikte, die de uitdrukking waren van zijn ijver, waarom Festus hem die hatelijke hoedanigheid toeschreef, waaraan misschien, buiten hem, niemand in de vergadering gedacht heeft. Het is niet zo onschuldig als sommigen denken, om van hen, die ijveriger dan anderen zijn voor den Godsdienst, te zeggen, dat zij waanzinnig zijn.
2. Hoe Paulus die hatelijke aantijging afwees. Of dit reeds vroeger van hem gezegd werd, is niet zeker, maar het schijnt, dat de valse apostelen het van hem gezegd hadden, want in 2 Corinthiërs 5:13 zegt hij: hetzij, dat wij uitzinnig zijn -zoals zij van ons beweren, wij zijn het Gode, maar hij is er nooit te voren voor den Romeinsen stadhouder van beschuldigd, en daarom moet hij er iets van zeggen.
a. Hij ontkent de beschuldiging, wel met betamelijken eerbied jegens den stadhouder, maar zich zelven recht doende, betuigende dat er noch grond, noch schijn van grond voor aanwezig was, vers 25. "Ik raas niet, machtigste Festus, ik heb nooit aan waanzin geleden, noch aan iets dat er op lijkt. Het gebruik mijner rede is m ij, Gode zij dank, altijd bijgebleven, en ook nu spreek ik gene wartaal, maar woorden van waarheid en van een gezond verstand, en ik weet wat ik zeg." Wij hebben hier op te merken, dat Paulus, hoewel Festus hem op ene wijze behandelde, die zo laag en minachtend was, dat zij geen beschaafd man, en nog veel minder een rechter voegde, hem dit toch niet kwalijk nam, er niet door geprikkeld werd, maar hem uiterst beleefd toesprak, hem zijn' titel van machtigste Festus gaf, om ons te leren geen schelden met schelden te vergelden, maar met beleefdheid te spreken tot hen, die met minachting spreken van ons. Het betaamt ons om bij alle gelegenheden de woorden te spreken van waarheid en van een gezond verstand, en dan kunnen wij de onrechtvaardige afkeuringen van mensen verachten.
b. Hij beroept zich op Agrippa voor hetgeen hij gezegd heeft, vers 26. Want de koning weet van deze dingen omtrent Christus, Zijn dood en opstanding, en de profetieën van het OudeTestament, die daarin vervuld zijn. Daarom heeft hij met vrijmoedigheid tot hem gesproken, die wist, dat zij gene ijdele inbeeldingen zijn, maar feiten, iets er van wist, en daarom gaarne meer er van wilde weten, want ik geloof niet, dat hem iets van deze dingen verborgen is neen, niet hetgeen hij verhaald heeft van zijne eigene bekering, en van de opdracht, die hij ontvangen heeft om het Evangelie te prediken. Agrippa moest er wel van gehoord hebben, daar hij gedurende zo langen tijd omgang gehad heeft met de Joden. Dit was in geen hoek geschied, het gehele land was er vol van, en iedere Jood zou kunnen getuigen, dat hij het meermalen van anderen had gehoord. Daarom was het onredelijk hem als waanzinnig voor te stellen, omdat hij er het verhaal van gaf, en nog veel meer omdat hij van den dood en de opstanding van Christus sprak, waarvan door iedereen werd gesproken. Petrus zegt tot Cornelius en zijne vrienden, Hoofdstuk 10:37, Gijlieden weet de zaak, die geschied is door geheel Judea betreffende Christus, en daarom kon Agrippa er niet onkundig van zijn, en het was ene schande voor Festus, dat hij het was.
II. Agrippa, wel verre van te menen, dat hij waanzinnig is, denkt, dat hij nooit iemand met meer kracht van bewijs heeft horen redeneren, of zo ter zake heeft horen spreken.
1. Paulus richt zich tot het geweten van Agrippa. Sommigen denken, dat Festus misnoegd was op Paulus omdat hij gestadig het oog op Agrippa hield gevestigd, zijne gehele rede tot hem heeft gericht, en dat hij hem daarom zo in de rede was gevallen, vers 24. Maar indien dit het was, dat hem beledigde, slaat Paulus er geen acht op. Hij wil spreken tot hen, die hem verstaan, en bij wie zijne woorden waarschijnlijk ingang zullen vinden. Daarom wendt hij zich nog steeds tot Agrippa, en omdat hij gesproken had van Mozes en de profeten, als bevestigende het Evangelie, dat hij predikte, verwijst hij Agrippa tot hen, vers 27. "Gelooft gij, o koning Agrippa! de profeten? Neemt gij de Schriften van het Oude Testament aan, als ene Goddelijke openbaring, stemt gij toe dat zij de toekomende dingen voorzeggen?" Hij wacht niet op het antwoord, maar in vriendelijke beleefdheid voor Agrippa, houdt hij dit voor aangenomen: ik weet, dat gij ze gelooft, want iedereen wist, dat Agrippa den Joodsen Godsdienst beleed, zoals zijne vaderen hem ook hadden beleden, dat hij dus de geschriften der profeten kende en er geloof aan sloeg. Het is gemakkelijk spreken tot degenen, die met de Schrift bekend zijn en ze geloven, want op dezulken kan men nog vat hebben.
2. Agrippa erkent, dat er veel rede, veel verstandigs is in hetgeen Paulus zei, vers 28. Gij beweegt mij bijna een Christen te worden. Sommigen vatten dit op als in ironischen zin gesproken, en lezen het aldus: Zoudt gij in zo weinig tijds mij willen bewegen een Christen te worden? Maar in dien zin genomen, is het ene erkenning dat Paulus ter zake had gesproken, en dat er-wat anderen er ook van mogen denken-voor hem overtuigende kracht was in hetgeen hij gezegd had, "Paulus, gij zijt te haastig, gij kunt niet denken zo plotseling een bekeerling van mij te maken." Anderen houden het voor ernstig gesproken, en beschouwen het als ene erkenning, dat hij in zekeren zin, of bijna, overtuigd was, dat Christus de Messias is, want hij moest wel erkennen, en had het reeds dikwijls bij zich zelven gedacht, dat de profetieën van het Oude Testament in Hem hun vervulling hebben, en nu hier zo sterk en plechtig bij hem op wordt aangedrongen, is hij op het punt van zich te buigen, zich gewonnen te geven, hij is er even na aan toe zich te laten bewegen om in Christus te geloven, als Felix, toen hij zeer bevreesd was geworden, er na aan toe was om zijne zonden op te geven. Hij ziet, dat er zeer veel en met grond te zeggen is voor het Christendom, hij erkent, dat de bewijzen er voor zeer sterk zijn, en dat hij die niet zou kunnen weerleggen, dat hetgeen er tegen aangevoerd wordt, beuzelachtig is, waarvoor hij zich zou schamen om er bij te blijven staan, zodat, indien het niet ware, dat hij vanwege zijne plichten jegens de ceremoniële wet, zijne achting voor den Godsdienst zijner vaderen en van zijn land, en voor zijne waardigheid als koning en zijne zorge voor zijne wereldlijke belangen er van teruggehouden werd, hij terstond Christen zou worden. Velen zijn bijna bewogen Godsdienstig te wezen, die het niet geheel en al zijn, zij hebben ene sterke overtuiging van hetgeen hun plicht is, en van de uitnemendheid der wegen Gods, maar worden beheerst door uitwendige drijfveren, zodat zij dan niet handelen naar hun overtuigingen.
3. Daar aan Paulus geen tijd gegund wordt om zijne rede voort te zetten, besluit hij met ene plichtpleging, of liever met den vromen wens uit te spreken, dat al zijne hoorders Christenen mochten zijn, en dien wens verkeert hij in gebed-euxaimên an too Theoo Ik bid God er om, vers 29. Het was de wens zijns harten en zijn gebed tot God, dat zij allen behouden mochten worden, Romeinen 10:1, dat èn bijna èn geheellijk, niet alleen gij, maar ook allen, die mij heden horen (want hij heeft dezelfde vriendelijke bedoeling voor allen) zodanige wierden gelijk als ik ben, uitgenomen deze banden. Hiermede verklaart hij:
a. Zijn vast besluit om bij zijn Godsdienst te blijven, daar hij er volkomen rust en vrede in vond, en er dus mede wilde leven en sterven. Door den wens uit te drukken, dat zij allen waren zoals hij was, verklaart hij er zich tegen om ooit te zijn zoals zij waren, hetzij Joden of Heidenen, al zou dit ook nog zo zeer in zijn wereldlijk voordeel zijn. Hij houdt zich aan de instructie, die God aan den profeet heeft gegeven, Jeremia 15:19. Laat hen tot u wederkeren, maar gij zult tot hen niet wederkeren. b. Hij geeft zijn genoegen te kennen, niet alleen in de waarheid, maar in het weldadige van het Christendom. Hij smaakte er zoveel vertroosting in voor het tegenwoordige, en hij hield zich zo verzekerd dat het zal eindigen in zijne eeuwige gelukzaligheid, dat hij aan den besten vriend, dien hij in de wereld had, niets beters kon wensen, dan dat hij zou zijn, zoals hij, Paulus, was, een getrouw en ijverig discipel van Christus. Mijn vijand zij als de goddeloze, zegt Job, Hoofdstuk 27:7. Mijn vriend zij als de Christenen, zegt Paulus.
c. Hij geeft er zijne droefheid en bezorgdheid over te kennen, dat Agrippa niet verder ging dan bijna te zijn zoals hij, Paulus, was, dat hij slechts bijna een Christen was, en niet geheel en al een Christen, want hij wenst. dat hij en de overigen van zijne hoorders niet bijna, (want, welk goed zou dit kunnen doen?) maar geheel en al waren zoals hij was, oprechte, door en door Christenen.
d. Hij geeft te kennen, dat het hun aller belang was, en hun onuitsprekelijk heerlijk geluk zou zijn, om ware Christenen te worden, dat er in Christus genade genoeg is voor allen, hoevelen er ook zijn, genoeg voor een iegelijk hunner, hoe groot hun behoefte er aan ook zij.
d. Hij betuigt hun allen zijne hartelijke genegenheid, hij wenst hun, wat hij wenst voor zijne eigene ziel, dat zij even gelukkig zullen zijn in Christus, als hij was. Hij wenst hun, dat zij in betere uitwendige omstandigheden zijn zullen, dan waarin hij nu is, want hij zegt: uitgenomen deze banden. Hij wenst, dat zij allen vertrooste Christenen zullen zijn, zoals hij was, maar niet vervolgde Christenen, zoals hij er een was, dat zij, evenals hij, de voordelen van den Godsdienst zullen genieten, maar niet zoveel van deszelfs kruisen. Zij hadden zijne gevangenschap licht geacht, van gene betekenis, en zij bekommerden zich niet om hem. Felix hield hem gevangen om den Joden gunst te bewijzen. Dit zou nu menigeen in verzoeking hebben gebracht om hen allen in banden te wensen, opdat zij weten wat het is om gevangen te zijn, zoals hij was, en dan zouden zij wel medelijden met hem weten te hebben. Maar dit was zo verre van hem, dat hij, toen hij hen in de banden van Christus wenste, begeerde, dat zij nooit in banden voor Christus zullen zijn. Niets kon meer vriendelijkheid en tederheid te kennen geven.
III. Zij komen allen overeen, dat Paulus een onschuldig man is, die ten onrechte vervolgd wordt.
1. Het hof hief enigszins overhaast de zitting op, vers 30. Toen hij dit gezegd had, dit vriendelijke woord, vers 29, dat hen allen bewoog, vreesde de koning, dat, zo men hem voort liet gaan met spreken, hij iets zou zeggen, dat hen nog meer, nog sterker, zou bewegen, hetgeen op sommigen de uitwerking zou hebben om meer ten gunste van hem gezind te zijn, dan hem gelegen kwam, wellicht zou overreden om Christenen te worden. De koning zelf gevoelde, dat zijn hart er toe neeg, en hij durfde het niet wagen er nog meer van te horen, maar, evenals Felix, zond hij Paulus voor ditmaal heen. Zij hadden, volgens recht, den gevangene behoren te vragen, of hij nog iets te zeggen had, maar zij vinden, dat hij al genoeg gezegd heeft, daarom stond de koning op, en de stadhouder, en Bernice, en die met hen gezeten waren, tot de gevolgtrekking gekomen zijnde, dat de zaak duidelijk was, en daarmee hielden zij zich tevreden.
2. Zij stemden allen in met Paulus' onschuld, vers 31. Het hof trok zich terug om over de zaak te beraadslagen, elkanders mening er over te vernemen. Zij spraken tot elkaar, en het kwam alles hierop neer: Deze mens doet niets des doods of der banden waardig. Hij is geen misdadiger, die verdient gedood te worden, ja hij doet niets der banden waardig, hij is geen gevaarlijk man, die voorzichtigheidshalve opgesloten moet worden. Later heeft Nero ene wet uitgevaardigd, dat allen, die den Christelijken Godsdienst beleden, ter dood gebracht moesten worden, maar vooralsnog was er onder de Romeinen gene wet van dien aard, en dus gene overtreding, en hun oordeel is een getuigenis tegen die snode wet, die Nero kort daarna heeft uitgevaardigd, dat Paulus, de werkzaamste, ijverigste Christen, die er ooit geweest is, door hen, die gene vrienden waren van zijn weg, geoordeeld werd, niets gedaan te hebben des doods of der banden waardig. Dit was hij naar de gewetensovertuiging van hen, die toch zijne leer niet aannamen, en het geroep van de heethoofdige Joden: Weg met hem, het is niet behoorlijk, dat hij leve werd door het gematigd oordeel van dit hof beschaamd.
3. Agrippa oordeelde, dat hij losgelaten kon worden, indien hij zich op den keizer niet had beroepen, vers 32, maar door dit beroep, heeft hij zelf den grendel op zijne deur gedaan. Sommigen denken dat dit volgens de Romeinse wet waar was, dat, wanneer een gevangene zich op het opperste gerechtshof had beroepen, de lagere gerechtshoven hem evenmin konden vrijlaten als veroordelen, en wij onderstellen, dat de wet zo was, indien de vervolgers zich verenigden met het beroep, en er mede instemden. Maar het blijkt niet, dat Paulus' vervolgers dit gedaan hebben. Hij was er toe genoodzaakt, ten einde zich tegen hun woede te beschermen, toen hij zag, dat de stadhouder gene behoorlijke zorg droeg voor zijne bescherming. Daarom denken anderen, dat Agrippa en Festus de Joden niet willende mishagen door hem in vrijheid te stellen, dat als voorwendsel gebruikt hebben om hem gevangen te laten blijven, terwijl zij wel wisten het recht te hebben om hem uit de gevangenis te ontslaan. Agrippa, die bijna bewogen was een Christen te worden, blijkt niet beter te zijn, dan wanneer hij er in het geheel niet toe was bewogen. En nu zou ik niet kunnen zeggen:
a. Of Paulus er berouw van gehad heeft zich op den keizer te hebben beroepen, dat hij wenste dit niet gedaan te hebben, zich zelven lakende als roekeloos geweest te zijn, nu hij zag dat dit het enige beletsel was tegen zijne vrijlating. Hij had misschien reden om er met leedwezen over na te denken, zich van onvoorzichtigheid te beschuldigen, van ongeduld en van enig wantrouwen in de bescherming Gods. Hij zou beter gedaan hebben met zich op God te beroepen dan op den keizer. Het is ene bevestiging van hetgeen Salomo zegt: Prediker 6:12.
Wie weet wat goed is voor den mens in dit leven? Wat wij denken tot ons welzijn te zullen strekken, blijkt dikwijls een strik te wezen, zo kortzichtige schepselen zijn wij, en zo onbezonnen, als wij op ons eigen verstand steunen. Of:
b. Of hij in weerwil van dit alles niet tevreden was met hetgeen hij gedaan heeft, en er met kalmte en gerustheid over kon nadenken. Zijn beroep op den keizer was wettig, en wat een Romeins burger betaamde, en het zou kunnen strekken om aan zijne zaak belang en gewicht bij te zetten. En toen hij het deed, scheen het hem, zoals de zaak toen stond, het beste te wezen, hoewel het later anders bleek te zijn. Daarom kwelde hij zich nu niet met zelfverwijt, maar geloofde er de leiding van Gods voorzienigheid in te zien, en dat het ten laatste goed zal uitkomen, En behalve dat: hem was in een visioen gezegd, dat hij te Rome moest getuigen, Hoofdstuk 23:11. En het is voor hem volkomen hetzelfde, of hij er als gevangene of in vrijheid heen zal gaan, hij weet, dat de raad des Heeren zal bestaan, en hij zegt: De wil des Heeren geschiede.