Lukas 4:31-44
Nadat Christus uitgeworpen was van Nazareth kwam Hij te Kapernaum, een andere stad van Galilea. Het bericht, dat wij in deze verzen hebben van Zijne prediking en Zijne wonderen aan deze plaats, hebben wij tevoren gehad in Markus 1:21 en verder. Merk op:
I. Zijne prediking: Hij leerde hen op de sabbatdagen, vers 31. In het horen van het gepredikte woord, als een inzetting Gods, aanbidden wij God, en dat is een voegzaam werk voor de sabbatdagen. Christus' prediking heeft het volk zeer getroffen, vers 32, zij versloegen zich over Zijne leer. Ieder woord, dat Hij zei, was van gewicht, en er werden hun verwonderlijke ontdekkingen door gedaan. De leer zelf was verbazingwekkend, en niet bloot omdat zij gepredikt werd door iemand, die geen geleerde opleiding heeft gehad. Zijn woord was met macht, er was een gebiedende macht in, en er ging kracht van uit om op het geweten der mensen te werken. De leer, die Paulus predikte, bewees zich van God te zijn, doordat zij was in betoning des geestes en der kracht.
II. Zijne wonderen. Er worden ons hier:
1. Inzonderheid twee genoemd, welke Christus toonden te zijn:
a. Een bedwinger en overwinnaar van Satan in de wereld der mensheid en in de zielen des volks, door Zijne macht om hem uit te werpen uit het lichaam van hen, die door hem bezeten waren, want Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou. De duivel is een onreine geest, zijn natuur staat lijnrecht tegenover die van den reinen en heiligen God, en is ontaard van hetgeen zij geweest is in den beginne. Deze onreine geest werkt in de kinderen der mensen, in de zielen van velen, zoals toen in het lichaam der mensen. Het is mogelijk, dat zij die zeer onder de macht en de werking zijn van Satan toch in de synagoge worden aangetroffen onder de aanbidders van God. Zelfs de duivelen weten en geloven dat Jezus Christus de Heilige Gods is, door God is gezonden, en heilig is. Zij geloven en sidderen. Deze onreine geest riep uit met grote stem, onder een angstige verwachting van het oordeel, en bevreesd dat Christus nu gekomen was om hem te verderven. Onreine geesten zijn onderhevig aan voortdurenden angst. De duivelen hebben niets te doen met Jezus Christus en begeren niet iets met Hem te doen te hebben, want Hij heeft de natuur der engelen niet aangenomen. Christus heeft den duivel onder bedwang: Hij bestrafte hem, zeggende: Zwijg stil, en dit woord sprak Hij met macht- phimoothêti -Wees gemuilband. Christus legde hem niet slechts het zwijgen op, maar stopte hem den mond, en dwong hem tegen zijn zin te zwijgen. Bij dat verbreken van Satans macht toont de overwonnen vijand zijne boosaardigheid, en Christus, de overwinnaar' Zijn alles-beheersende genade. Ten eerste. De duivel toonde hier wat hij gedaan zou hebben, toen hij den man met kracht en woede in het midden wierp, alsof hij hem wilde verpletteren. Maar, ten tweede, Christus toonde wat macht Hij over hem had door hem niet slechts te noodzaken om van hem uit te gaan, maar van hem uit te gaan zonder hem in het minst te deren of te beschadigen, zonder hem bij het heengaan slag of stoot toe te brengen. Satan zal hen, die hij niet kan verderven, alle leed toebrengen, dat hij kan, maar het is een troost dat hij hen niet verder kan deren, dan Christus hem toelaat, ja, werkelijk leed zal hij hun niet kunnen toebrengen. Hij ging van hem uit zonder hem iets te beschadigen, dat is: de arme man was dadelijk volkomen wel, hoewel de duivel met zoveel woede van hem was uitgegaan, dat allen, die tegenwoordig waren, dachten dat hij hem in stukken gescheurd had. Christus' macht over de duivelen werd algemeen erkend en aangebeden, vers 36. Niemand twijfelde aan de waarheid of echtheid van het wonder, het was klaarblijkelijk boven allen twijfel verheven, ook werd geen denkbeeld geopperd om er de heerlijkheid van te verkleinen, want er kwam ene verbaasdheid over allen, en zij spraken samen tot elkaar, zeggende: wat woord is dit! Zij, die voorgaven duivelen uit te werpen, deden het met allerlei toverspreuken of bezweringen, om den duivel tevreden te stellen en hem in slaap te wiegen, als het ware, maar Christus gebood hun met gezag en macht, die zij niet konden betwisten of weerstaan. Zelfs de overste van de macht der lucht is Zijn vazal en siddert voor Hem. Dit heeft evenzeer als iets anders er toe bijgedragen om Hem vermaard te maken. Dit voorbeeld van Zijne macht, dat heden ten dage door velen van zo weinig betekenis wordt geacht, werd toen door hen, die er ooggetuigen van waren-en dit waren geen dwazen, maar mensen van onderscheidingsvermogen-verheerlijkt en werd beschouwd, als Hem grotelijks verheerlijkende, vers 37. Op het bericht hiervan ging het gerucht van Hem uit, meer dan ooit tevoren, in alle plaatsen des omliggenden lands. Er werd van onzen Heere Jezus, toen Hij Zijn openbaar dienstwerk begon, zeer veel gesproken, meer dan later, toen het nieuwe van de zaak er af was, en dus ook de bewondering der mensen er voor afnam.
b. Christus betoonde zich een genezer van krankheden. ALS bedwinger van Satan treft Hij den wortel van des mensen ellende, namelijk Satans vijandschap, de oorsprong van al het kwaad, als genezer van krankheden treft Hij een der wijdst-uitgestrekte takken er van, een der meest- voorkomende rampen van het menselijk leven, en dat is ziekte van het lichaam, die in de wereld is gekomen met de zonde, en er zoveel toe bijdraagt om onze weinige dagen vol van onrust te doen zijn. Onze Heere Jezus is gekomen om den prikkel hieruit weg te nemen, en als aanduiding van dit oogmerk heeft Hij, toen Hij op aarde was, Zijne leer willen bevestigen door zulke wonderen meestal, als waardoor de krankheden zelf weggenomen werden. Van alle lichaamskrankheden zijn er geen meer algemeen en meer noodlottig voor volwassen personen dan koortsen. Dezen komen plotselijk, en snijden plotselijk het getal der maanden der mensen in het midden af. Soms zijn zij epidemisch, en dan verslaan zij in zeer weinig tijds hare duizenden. Nu zien wij hier hoe Christus iemand van koorts geneest door een woord te spreken. Dit geschiedde in het huis van Simon, de patiënt was de moeder van Simons huisvrouw, vers 38, 39. Christus is een gast, die het onthaal, dat men Hem geeft, goed zal belonen, zij, die Hem welkom heten in hun huis en hun hart, zullen daar niets bij verliezen, Hij komt met genezing. Zelfs gezinnen, die door Christus worden bezocht, kunnen bezocht worden door ziekte. Huizen, die gezegend worden door Zijn onderscheidende gunsten, zijn toch ook onderhevig aan de gewone rampen van dit leven. Simons vrouws moeder was met een grote koorts bevangen. Heere, zie dien Gij liefhebt, is ziek. Zelfs Godvruchtige mensen kunnen soms door de zwaarste beproevingen worden getroffen, zwaarder dan anderen. Zij was met een groot koorts bevangen, een heftige, hoge, gevaarlijke koorts, wellicht was haar hoofd er door aangetast, zodat zij ijlde. Koorts, die in den beginne nog heel licht is, kan langzamerhand blijken gevaarlijk te zijn, maar dit was al dadelijk een grote koorts. Geen leeftijd is gevrij waard tegen ziekte. Waarschijnlijk was Petrus' schoonmoeder reeds bejaard, en toch was zij door koorts bevangen. Als onze bloedverwanten ziek zijn, moeten wij ons ten hunnen behoeve tot Christus wenden met geloof en gebed, zij baden Hem voor haar en er is een bijzondere belofte, dat het gebed des geloofs den zieke zal behouden. Christus heeft een tedere zorg voor Zijn volk, als zij ziek of in benauwdheid zijn. Hij stond boven haar als iemand, die bezorgd voor haar is en medelijden met haar heeft. Christus had, en heeft nog, een soevereine macht over lichaamskwalen. Hij bestrafte de koorts en gebood haar door een enkel woord sprekens weg te gaan, en zij-de koorts, "verliet haar". Hij zegt tot krankheden: "Gaat", en zij gaan, "komt", en zij komen, en nog kan Hij koortsen, zelfs grote koortsen, bestraffen. Het is een bewijs dat Christus genezingen wonderdadig waren, dat zij in een ogenblik geschiedden: "Zij is van stonde aan opgestaan." Waar Christus in herstel uit ziekte een nieuw leven geeft, bedoelt Hij en verwacht Hij, dat het inderdaad een nieuw leven zijn zal, meer dan ooit besteed in Zijn dienst en tot Zijne eer. Als krankheden bestraft worden, en wij van het ziekbed opstaan, dan moeten wij er ons toe begeven om Jezus Christus te dienen. Zij, die Christus dienen, moeten bereid zijn al de Zijnen te dienen om Zijnentwil. Zij diende hen lieden, niet slechts Hem, die haar had genezen, maar hen, die Hem voor haar hadden gebeden. Wij moeten dankbaar trachten te wezen aan hen, die voor ons gebeden hebben.
2. Een algemeen bericht van vele andere wonderen van dezelfde soort door Christus verricht.
a. Hij genas velen, die met verscheidene ziekten bevangen waren, ja allen, die om genezing tot Hem kwamen, allen zonder uitzondering, en het was als de zon onderging, vers 40, aan den avond van dien sabbatdag, dien Hij in de synagoge had doorgebracht. Het is goed om een vollen sabbatdag werk te doen, overvloedig te zijn in het werk van den dag, in het een of ander goed werk, zelfs tot zonsondergang g, zoals diegenen, die den sabbat en het werk van den sabbat ene verlustiging noemen. Hij genas allen, die met ziekten bevangen waren, armen zowel als rijken, en ofschoon zij met verscheidene ziekten bevangen waren, zodat er geen grond was om te vermoeden, dat Hij slechts een specifiek middel tegen sommige kwalen bezat. Hij had een geneesmiddel voor elke ziekte. Het teken, dat Hij bij Zijne genezingen gebruikte, was den kranken de handen op te leggen, niet Zijne handen voor hen op te heffen, want Hij genas als machthebbende. Hij genas door Zijn eigen macht. En aldus heeft Hij dat teken willen eren, dat later gebruikt werd voor het mededelen van den Heiligen Geest.
b. Hij wierp den duivel uit vele bezetenen, vers 41. Aan die bezetenen werd ene belijdenis ontwrongen. Zij zeiden: Gij zijt de Christus, de Zone Gods, maar zij zeiden het, schreeuwende van woede en toorn, het was als een bekentenis op de pijnbank, en daarom werd zij niet als getuigenis toegelaten. Christus bestrafte hen, Hij liet hun niet toe te spreken, te zeggen dat zij wisten, dat Hij de Christus was, opdat het gans en al zou blijken, dat Hij de overwinning over hen had behaald, maar geen verdrag met hen had gesloten.
3. Wij hebben hier Zijn vertrek van Kapernaum vers 42, 43.
a. Hij trok zich voor een wijle terug in een eenzame plaats. Het was slechts weinig tijd, dien Hij zich voor den slaap gunde, niet slechts omdat weinig Hem genoeg was, maar omdat Hij met weinig tevreden was, en zich nooit aan gemakzucht heeft overgegeven, maar, als het dag werd, ging Hij uit en trok naar een woeste plaats, niet om er voortdurend als een kluizenaar te leven, maar om soms alleen te wezen met God, gelijk zij dit zelfs behoren te doen, die het meest te doen hebben in openbaren arbeid, want anders zal hun arbeid niet welslagen, en zij zullen bevinden dat zij nooit minder alleen zijn, dan wanneer zij op die wijze alleen zijn.
b. Hij keerde terug naar de plaats der woelingen en naar het werk, dat Hij er te doen had. Hoewel een woeste plaats gerieflijk kan wezen voor afzondering, is zij toch niet geschikt voor een voortdurende verblijfplaats of woonstede: want wij zijn niet in de wereld gezonden om voor ons zelven te leven, maar om God te verheerlijken en goed te doen in ons geslacht. Hij werd ernstig aangezocht om te Kapernaum te blijven. Het volk was zeer aan Hem gehecht, meer, vrees ik, omdat Hij hun kranken had genezen, dan omdat Hij hun bekering had gepredikt. Zij zochten Hem, zij deden navraag waar Hij heengegaan was, en schoon het in een woeste plaats was, kwamen zij tot bij Hem. Een woestijn is geen woestijn als wij er met Christus zijn. Zij hielden Hem op, dat Hij van hen niet zou weggaan, zodat, indien Hij wegging, het niet was omdat Hij geen uitnodiging had om te blijven. Zijn voormalige naburen te Nazareth hadden Hem van zich weggedreven, maar Zijn nieuwe bekenden te Kapernaum baden Hem zeer dringend om bij hen te blijven. Het moet de dienaren van Christus niet ontmoedigen, dat sommigen hen verwerpen, want er zullen anderen zijn, die hen en hun boodschap welkom heten. Hij wilde het licht des Evangelies liever verspreiden in vele plaatsen, dan het in ene plaats te houden, opdat geen plaats er aanspraak op zou maken de moederkerk te wezen voor de overige. Hoewel Hij welkom was te Kapernaum, en er overvloedig goed gedaan had, is Hij toch uitgezonden om ook andere steden het Evangelie van het koninkrijk Gods te verkondigen. Zij, die bevoorrecht zijn met het Evangelie, moeten willen dat anderen dat voorrecht met hen delen, en er niet het monopolie, het alleenbezit, van begeren, en die leraren, welke niet van ene plaats verdreven worden, kunnen toch wel naar een andere plaats worden getrokken door het vooruitzicht van er meer nut te kunnen doen. Hoewel Christus in de synagoge te Kapernaum niet tevergeefs had gepredikt, wilde Hij daar toch niet aan gebonden zijn, maar predikte in de synagogen van Galilea, vers 44.
Bonum est sui diffusivum. Wat goed is verspreidt zich vanzelf. Het is gelukkig voor ons dat onze Heere Jezus zich niet aan ene plaats of aan een volk heeft gebonden, maar overal, waar twee of drie in Zijn naam zijn vergaderd, zal Hij in hun midden wezen, en in het Galilea der heidenen is Hij in zeer bijzonderen zin tegenwoordig in de synagogen der Christenen.